Johannes 20:19-25
Het gewisse kenteken, het onmiskenbaar bewijs van Christus' opstanding, was, dat Hij zich zelven levend vertoond heeft, Handelingen 1:3. In deze verzen hebben wij een bericht van Zijne eerste verschijning aan het gezelschap der discipelen op den dag Zijner opstanding. Hij had hun de tijding van Zijne opstanding gezonden door getrouwe en geloofwaardige boodschappers, maar om hun Zijne liefde te tonen, en hun geloof in Hem te bevestigen, kwam Hij zelf, en gaf hun al de verzekeringen der waarheid er van, die zij konden begeren, opdat zij dit niet slechts van horen zeggen zouden hebben, en uit de tweede hand, als het ware, maar zelven ooggetuigen er van konden wezen, dat Hij levend was, omdat zij het aan de wereld moesten getuigen, en op dat getuigenis de kerk moesten grondvesten. Merk hier nu op:
I. Wanneer en waar deze verschijning plaats had, vers 19. Het was op dezelfden dag, dat Hij was opgestaan, zijnde de eerste dag der week, de dag na den Joodsen sabbat, op ene samenkomst der apostelen, namelijk van tien hunner met nog enige andere vrienden, Lukas 24:33. Er zijn drie mindere inzettingen (als ik ze zo noemen mag) ingesteld door onzen Heere Jezus, om blijvend te zijn in Zijne kerk ter harer ondersteuning, en voor de rechte bediening der voornaamste inzettingen-het woord, de sacramenten en het gebed, en deze drie zijn: de Dag des Heeren, de plechtige bijeenkomsten, en de prediking des Evangelies. Omtrent ieder van deze inzettingen is ons in deze verzen de wil van Christus duidelijk te kennen gegeven: van de eerste twee, hier, in de omstandigheid Zijner verschijning, van de andere in vers 21. Christus' koninkrijk moest onder de mensen opgericht worden en wel terstond na Zijne opstanding, en gevolglijk vinden wij den eigen dag Zijner opstanding, hoewel het nog een dag van kleine dingen was, reeds opgeluisterd door die plechtigheden, welke zullen medewerken om gedurende alle eeuwen het aanzien van den Godsdienst in de kerk hoog te houden.
1. Hier wordt de Christelijke sabbat waargenomen door de discipelen en erkend door onzen Heere Jezus. Het bezoek van Christus aan Zijne discipelen was op den eersten dag der week. En de eerste dag der week is, -geloof ik-de enige dag der week, of maand, of jaar, die ooit met getal in het gehele Nieuwe Testament vermeld is, en onderscheidene malen wordt er van gesproken als van een dag, die Godsdienstig gevierd wordt. Hoewel in vers 1 uitdrukkelijk gezegd is, dat Christus op den eersten dag der week is opgestaan, en het dus volstaan zou hebben, om hier, in vers 19, te zeggen, dat Hij aan den avond van dien dag aan de discipelen verschenen is, wordt toch, om aan dien dag ere bij te zetten, herhaald: op dezelfden eersten dag der week. Niet, dat de apostelen bedoelden den dag aldus te eren (zij waren nog in twijfel hieromtrent) maar God bedoelde hem te eren, door te beschikken, dat zij samen vergaderd waren, ten einde Christus' eerste bezoek op dien dag te ontvangen. Aldus heeft Hij dien dag gezegend en geheiligd, omdat de Verlosser er op gerust heeft.
2. Hier wordt ene Christelijke bijeenkomst gehouden door de discipelen, en ook erkend door den Heere Jezus. Waarschijnlijk zijn de discipelen wel voor ene Godsdienstige handeling bijeen gekomen, om te zamen te bidden, of wellicht om elkaar hun bevindingen mede te delen en te overwegen of zij genoegzamen grond hadden om te geloven, dat hun Meester was opgestaan, en te beraadslagen over hetgeen hun nu te doen stond, of zij bij elkaar zouden blijven, of zich zouden verstrooien. Zij kwamen bijeen om elkanders gevoelen te vernemen, elkanders handen te sterken, en de maatregelen te beramen, die zij in dit moeilijk tijdsgewricht moesten nemen. Deze bijeenkomst had in het verborgen plaats, want openlijk durfden zij niet bijeenkomen. Zij vergaderden in een huis, maar hielden de deur gesloten, opdat men hen niet bij elkaar zien zou, en opdat niemand bij hen binnen zou komen, dan de personen, die zij kenden, want zij vreesden de Joden, die de discipelen als misdadigers zouden vervolgen, om den schijn te hebben van de leugen te geloven, waarmee zij de wereld gingen misleiden, nl. dat Zijne discipelen bij nacht gekomen waren en Hem gestolen hebben. Christus' discipelen moeten, zelfs in moeilijke tijden de onderlinge bijeenkomst niet nalaten, Hebreeën 10:25. Deze schapen der kudde werden verstrooid in den storm, maar schapen zijn gezellig, en zullen weer bij elkaar komen. Het is niets nieuws, dat de vergaderingen van Christus' discipelen in een hoek gedreven worden, en naar de woestijn gedrongen, Openbaring 12:14, Spreuken 28:12. Gods kinderen zijn dikwijls verplicht geweest, om, zoals de discipelen hier, in hun binnenste kamers te gaan en hun deuren te sluiten van wege de vreze der Joden. Vervolging is hun toebedeeld, en zich voor vervolging te verbergen, is hun geoorloofd, en waar anders zullen wij dan naar hen uitzien dan in de holen en spelonken der aarde? Het is wel ene wezenlijke smart, maar gene wezenlijke schande voor Christus' discipelen, om zich aldus te verbergen.
II. Wat er bij dit bezoek van Christus aan Zijne discipelen gezegd en gedaan werd, en Zijn onderhoud met hen. Toen zij vergaderd waren, kwam Jezus onder hen, in Zijne eigene gestalte, maar toch als een sluier werpende over den glans van Zijn lichaam, dat nu verheerlijkt begon te worden, want anders zou het hun ogen verblind hebben, zoals bij Zijne verheerlijking op den berg. Christus kwam onder hen, om hun ene proeve te geven van de vervulling Zijner belofte, dat Hij, waar twee of drie in Zijn naam vergaderd zijn, in hun midden zijn zal. Hij kwam, hoewel de deuren gesloten waren. Dit verzwakt geenszins het bewijs, dat Hij een wezenlijk menselijk lichaam had na Zijne opstanding, hoewel de deuren gesloten waren, wist Hij ze wel zonder gedruis te openen, en zo binnen te komen, dat zij Hem niet hoorden, zoals Hij op het water had gewandeld, en toch een wezenlijk lichaam had. Het is voor Christus' discipelen troostrijk te weten, dat, wanneer hun plechtige bijeenkomsten in het verborgen gehouden moeten worden, gene deuren Christus' tegenwoordigheid onder hen kunnen beletten. In deze verschijning van Christus hebben wij te letten op vijf dingen.
a. Zijne vriendelijke en gemeenzame begroeting van de discipelen: Hij zei tot hen: Vrede zij ulieden. Dit was niet de gewone begroeting, hoewel zij gebruikelijk was onder vrienden, maar ene plechtige, ongewone zegenspraak, waarmee Hij hun al de gezegende vruchten en uitwerkselen schonk van Zijn dood en Zijne opstanding. Het gezegde was gewoon, maar de zin er van was nu iets zeer bijzonders. Vrede zij ulieden is zoveel als: Alle goed kome tot u, alle vrede ten allen tijde, en in allerlei wijze. Christus had hun Zijn vrede nagelaten voor hun legaat, Hoofdstuk 14:27. Door den dood van den testamentmaker was het testament van kracht geworden, en Hij was nu opgestaan van de doden, om het testament geldig te verklaren en er zelf de uitvoerder van te zijn. Dies doet Hij hier ene prompte betaling van het legaat: Vrede zij ulieden. Zijn spreken van vrede geeft vrede, schept de vrucht der lippen, vrede, vrede met God, vrede in uw eigen geweten, vrede met elkaar, al die vrede zij uw deel, niet vrede met de wereld, maar vrede in Christus. Zijne plotselinge verschijning in hun midden, toen zij vol van twijfelingen waren over Hem, vol van vreze ten opzichte van hen zelven, moest wel enige ontsteltenis bij hen teweeggebracht hebben, maar het gedruis dezer golven en baren brengt Hij tot zwijgen met dit woord: Vrede zij ulieden.
b. Zijne duidelijke en onloochenbare openbaring van zich zelven aan hen, vers 20. Let hier: a. op de methode, die Hij volgde, om hen van de waarheid Zijner opstanding te overtuigen. Thans zagen zij Hem levend, dien grote scharen van mensen, twee of drie dagen te voren dood hadden gezien. Nu was de enige twijfel of datgene wat zij levend zagen, hetzelfde individuele lichaam was, dat dood was gezien, en niemand kon een nader bewijs verlangen dat het dit was, dan de littekenen der wonden in het lichaam.
Ten eerste. De tekenen der wonden-en wel zeer diepe tekenen, hoewel zonder enigerlei pijn of gevoeligheid-zijn zelfs na Zijne opstanding in het lichaam van den Heere Jezus gebleven, ten einde de waarheid er van aan te tonen. Veroveraars roemen op de littekenen hunner wonden. Christus' wonden moesten op aarde spreken en getuigen, dat Hij het was, en daarom is Hij er mede opgestaan, zij moesten spreken in den hemel, in de voorbede, die Hij doet voor Zijn volk, en daarom is Hij er mede opgevaren, en verscheen Hij in het midden des troons, als het Lam, dat geslacht is. Openbaring 5:6. Ja meer, het schijnt, dat Hij ook wederkomen zal met Zijne littekenen, opdat zij Hem zullen aanschouwen, dien zij doorstoken hebben. Ten tweede. Deze tekenen toonde Hij aan Zijne discipelen ter hunner overtuiging. Zij hadden niet slechts de voldoening van Hem te zien met hetzelfde gelaat en Hem te horen spreken met dezelfde stem, waaraan zij zo lang gewoon waren. Sic oculos, sic elle manus, sic ora, ferebat -zo waren Zijne gebaren, zo waren Zijne ogen en handen! maar zij hadden nog het nader bewijs van deze bijzondere tekenen. Hij opende hun Zijne handen, opdat zij er de tekenen der wonden in zouden zien, Hij opende Zijne borst, zoals de voedster voor haar kind, om hun de wonde aldaar te tonen. De verhoogde Verlosser zal voor al Zijne vrienden en volgelingen immer ene opene hand en een open hart hebben. Als Christus door de vertroostingen Zijns Geestes aan de gelovigen Zijne liefde toont, hun verzekert, dat zij leven zullen, omdat Hij leeft, dan toont Hij hun Zijne handen en Zijne zijde.
b. Den indruk dien het op hen maakte, en het goed dat het hun deed. Ten eerste. Zij waren overtuigd, dat zij den Heere zagen, en aldus werd hun geloof bevestigd. Eerst dachten zij slechts ene verschijning, ene gedaante te zien, maar nu wisten zij, dat het de Heere zelf was. Zo hebben vele gelovigen, toen zij nog zwak waren, gevreesd, dat hun vertroostingen slechts ingebeeld waren, maar naderhand hebben zij ze door genade wezenlijk en substantieel bevonden. Zij vragen niet: Is het de Heere? Zij zijn er zeker van, dat Hij het is. Ten tweede. Zij werden verblijd. Hetgeen hun geloof versterkte, wekte hun blijdschap op, gelovende, verblijdden zij zich. De evangelist schijnt dit in vervoering van vreugde en als met triomf te schrijven. "Dan, of toen de discipelen den Heere zagen, werden zij verblijd. Indien de geest van Jakob levendig werd, toen hij hoorde, dat Jozef nog leefde, hoe zou dan het hart van deze discipelen niet levendig geworden zijn, toen zij hoorden, dat Jezus herleefd was. Het is voor hen als een leven uit de doden. Nu was het woord van Christus vervuld, Hoofdstuk 16:22:Ik zal u wederom zien, en uw hart zal zich verblijden. Dat heeft al de tranen van hun ogen afgewist. Het zien van Christus zal het hart eens discipels ten allen tijde verblijden, hoe meer wij van Christus zien, hoe meer wij ons in Hem zullen verheugen, en onze blijdschap zal niet volkomen zijn voor wij komen, waar wij Hem zullen zien gelijk Hij is.
c. De eervolle en grote, ruime opdracht, die Hij hun gaf om zijne agenten te zijn voor het gronden Zijner kerk, vers 21. Hier is: a. De inleiding tot hun opdracht, welke bestond in ene plechtige herhaling van Zijne vorige begroeting: Vrede zij ulieden. Dit kan bedoeld zijn, Ten eerste, om hun aandacht op te wekken voor de opdracht, die Hij hun stond te geven. De vorige begroeting diende om de ontroering hunner vreze tot bedaren te brengen, opdat zij rustig en kalm acht konden geven op de bewijzen Zijner opstanding, deze was om de vervoering hunner blijdschap te temperen, ten einde kalm en bedaard aan te horen, wat Hij hun verder te zeggen had. Of, ten tweede: Om hen aan te moedigen, om de opdracht, die Hij hun gaf, aan te nemen. Hoewel zij er in vele en grote moeilijkheden door zouden komen, heeft Hij er toch hun ere en hun vertroosting mede bedoeld en, bij de uitkomst, zal het hun vrede wezen. Gideon ontving zijne opdracht met dit woord: Vrede zij u, Richteren 6:22, 23. Christus is onze vrede, indien Hij met ons is, dan is ons vrede. Christus zond nu Zijne discipelen uit om aan de wereld vrede te verkondigen, Jesaja 52:7, en hier verleent Hij hun niet slechts dien vrede voor hun eigene voldoening, maar vertrouwt hem hun toe om door hen aan alle zonen des vredes overgegeven te worden, Lukas 10:5, 6. b. De opdracht zelf, die zeer groot is: Gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, zende Ik ook ulieden. Ten eerste. Het is gemakkelijk te begrijpen hoe Christus hen zond. Hij stelde hen aan om met Zijn werk op aarde voort te gaan, en zich ten koste te geven om Zijn Evangelie te verspreiden en Zijn koninkrijk onder de mensen op te richten. Hij zond hen voorzien van ene Goddelijke volmacht, gewapend met Goddelijke macht. -Hij zond hen heen als gezanten om over vrede te onderhandelen, en als herauten, om hem af te kondigen. -Hij zond hen als dienstknechten om tot het bruiloftsfeest te nodigen. Daarom werden zij apostelen genoemd, dat is: gezondenen. Ten tweede. Maar het is niet zo gemakkelijk te verstaan hoe Christus hen zond, gelijk als de Vader Hem gezonden heeft. Voorzeker waren toch hun opdracht en hun macht ver beneden de Zijnen, maar:
1. Hun werk was van dezelfden aard als het Zijne, en zij moesten voortgaan, waar Hij gebleven was. Zij werden niet gezonden, om, evenals Hij, koningen en priesters te zijn, maar slechts profeten. Gelijk Hij gezonden was om van de waarheid te getuigen, waren ook zij gezonden, om daarvan te getuigen, niet om de middelaars te zijn der verzoening maar om er slechts de predikers en bekendmakers van te wezen. Was Hij gezonden, niet om gediend te worden, maar om te dienen? niet om Zijn wil te doen maar den wil degene, die Hem gezonden heeft? Dat waren ook zij. Gelijk de Vader Hem gezonden heeft tot de verlorene schapen van het huis Israël's, zo heeft Hij hen gezonden in geheel de wereld.
2. Hij had ene macht om hen te zenden gelijk aan die, welke de Vader had om Hem te zenden. Het is hierin dat de kracht der vergelijking gelegen schijnt. Met hetzelfde gezag, waarmee de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik u. Dit bewijst de Godheid van Christus: de opdracht die Hij hun gaf, had een gelijk gezag als die, welke de Vader Hem had gegeven, en was in alle opzichten even geldig en van evenveel kracht en uitwerking, als die welke Hij in visioenen aan de Oud-Testamentische profeten heeft gegeven. De opdracht aan Petrus en Johannes door het eenvoudige, duidelijke woord van Christus, is even goed als die aan Jesaja en Ezechiël door den Heere, zittende op Zijn troon, ja zelfs gelijk aan die, welke aan den Middelaar zelven voor Zijn werk werd gegeven. Had Hij een onbetwistbaar gezag, en ene onweerstaanbare bekwaamheid voor Zijn werk? Die hadden ook zij voor het hun. Of wel, Gelijkerwijs Mij de Vader gezonden heeft, is, als het ware, de stelling of opgave Zijner macht: krachtens het gezag, Hem gegeven als Middelaar, heeft Hij hun macht en gezag verleend, als Zijne dienaren, om voor Hem, en in Zijn naam, met de kinderen der mensen te handelen, zodat zij, die hen ontvingen, of verwierpen, Hem hebben ontvangen, of verworpen, alsmede Hem, die Hem heeft gezonden, Hoofdstuk 13:20.
d. Hun bekwaammaking voor de volvoering van hun opdracht, vers 22:Hij blies op hen, en zei tot hen: Ontvangt den Heiligen Geest. Let op: a. Het teken, dat Hij gebruikte om hen te verzekeren van, en aan te doen met, de gave, die Hij hun nu stond te verlenen: Hij blies op hen, niet slechts om hun door dezen levensadem te tonen, dat Hij zelf wezenlijk levend was. maar om hen bekend te maken met het geestelijk leven en de macht, die zij van Hem voor al het werk, dat voor hen lag, zullen ontvangen. Waarschijnlijk heeft Hij op allen tegelijk, niet op ieder afzonderlijk geblazen, en hoewel Thomas toen niet met hen was, wist de Geest des Heeren Hem toch wel te vinden, evenals Hij Eldad en Medad wist te vinden, Numeri 11:26. Christus schijnt hier te verwijzen naar de schepping van den mens in den beginne door hem den adem des levens in te blazen, en te kennen te geven, dat Hij zelf de Auteur was van dat werk, en dat het geestelijk leven en de kracht van de Evangeliedienaars en Christenen aan Hem ontleend, en van Hem afhankelijk zijn, evenals het natuurlijke leven van Adam en zijn zaad. Gelijk de adem van den Almachtige aan den mens leven gaf en de oude wereld begon, zo gaf de adem van den machtigen Zaligmaker leven aan Zijne dienstknechten, en begon ene nieuwe wereld, Job 33:4. Dit nu geeft ons te kennen: Ten eerste, dat de Geest de adem is van Christus, uitgaande van den Zoon. In het Oude Testament wordt de Geest bij adem vergeleken Gij adem, kom aan van de vier winden, Ezechiël 37:9 1), maar het Nieuwe Testament zegt ons, dat Hij Christus' adem is. De adem Gods wordt genomen voor de sterkte Zijns toorns, Jesaja 11:4, 30:33, maar de adem van Christus betekent de kracht Zijner genade, het ademen Zijner bedreigingen is veranderd in het ademen Zijner liefde door het middelaarschap van Christus. Onze woorden worden geuit met onzen adem, en zo is het woord van Christus geest en leven. Het woord komt van den Geest, en de Geest komt met het woord. Ten tweede. Dat de Geest de gave is van Christus. De apostelen hebben den Heiligen Geest meegedeeld door de oplegging der handen, die handen eerst opgeheven zijnde in gebed, want zij konden slechts bidden om dien zegen, maar Christus gaf den Heiligen Geest door te ademen, want Hij is de Auteur, de Werker der gave, en zij komt oorspronkelijk van Hem. Mozes kon den Geest niet geven, God deed het, Numeri 11:17, maar Christus heeft het zelf gedaan. b. De plechtige schenking door Hem gedaan, en aangeduid door dit teken: Ontvangt den Heiligen Geest, ten dele nu, als een onderpand van hetgeen gij nog verder zult ontvangen, niet lang na deze dagen. Thans ontvingen zij meer van den Heiligen Geest dan zij nog ooit ontvangen hadden. De geestelijke zegeningen worden trapsgewijze geschonken, wie heeft, aan dien zal gegeven worden. Nu Jezus verheerlijkt begon te worden, begon er meer van den Geest gegeven te worden zie Hoofdstuk 7:39. Laat ons zien wat in deze gave ligt opgesloten. Ten eerste. Christus geeft er hun de verzekering mede van de hulp des Geestes bij hun toekomstig werk ter volvoering van de opdracht, die hun nu gegeven is: "Ik zende ulieden, en de Geest zal met u gaan" Thans rustte de Geest des Heeren op hen om hen bekwaam te maken voor al het werk, dat zij te doen hadden. Wie door Christus gebruikt wordt, zal door Hem met Zijn Geest worden bekleed, en voorzien worden van alle nodige krachten. Ten tweede. Hij geeft hun hiermede den invloed des Geestes te ervaren voor hun tegenwoordige behoefte. Hij had hun Zijne handen getoond en Zijne zijde, om hen te overtuigen van de waarheid Zijner opstanding, maar de duidelijkste bewijzen zullen op zich zelven nog geen geloof werken, getuige het ongeloof der krijgsknechten, die de enige ooggetuigen van de opstanding zijn geweest. En daarom "ontvangt den Heiligen Geest, om geloof in u te werken, en om uw verstand te openen". Zij waren nu in gevaar van de Joden: en daarom "ontvangt den Heiligen Geest, om kloekmoedigheid in u te werken". Wat Christus tot hen zei, zegt Hij tot alle ware gelovigen: Ontvangt den Heiligen Geest, Efeze 1:13. Wat Christus geeft, moeten wij ontvangen, wij moeten ons met geheel onze ziel onderwerpen aan de levendmakende, heiligende invloeden van den gezegenden Geest, op Zijne wenken letten en ze opvolgen, Zijne gaven en krachten ontvangen, en er gebruik van maken, en zij, die Zijn woord aldus ontvangen als een gebod, zullen er het nut en het voordeel van hebben als ene belofte, zij zullen den Heiligen Geest ontvangen als den Gids op hun weg, en als onderpand hunner erfenis.
e. In vers 23 wordt een bijzonder deel aangewezen van de macht, die hun door deze opdracht wordt gegeven: Zo gij iemands zonden vergeeft in de behoorlijke uitoefening van de macht, die u toevertrouwd is, dien worden zij vergeven, en hij kan er de vertroosting van aannemen, en zo gij iemands zonden houdt, dat is: verklaart, dat zij niet vergeven zijn, en dat de schuld er van op hem rust, dien zijn zij gehouden, en de zondaar kan daar, tot zijne smart, zeker van zijn". Dit nu volgt op het ontvangen van den Heiligen Geest, want indien zij gene buitengewone gave der onderscheiding hadden gehad, dan zouden zij niet geschikt zijn geweest, om met zo groot een gezag vertrouwd te worden, want in den striksten zin is dit ene bijzondere opdracht aan de apostelen zelven en aan de eerste predikers van het Evangelie, die het vermogen hadden om te onderscheiden, wie in ene gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid waren, en wie niet. Krachtens dit vermogen heeft Petrus Annanias en Saffira dood neergeworpen aan zijne voeten, en heeft Paulus Elymas met blindheid geslagen. Maar het moet ook opgevat worden als ene algemene handvest aan de kerk en hare dienaren, gene onfeilbaarheid verzekerende aan enigen mens, noch aan een gezelschap van mensen in de wereld, maar de getrouwe rentmeesters der verborgenheden Gods aanmoedigende, om te volharden in het Evangelie, tot welks prediking zij gezonden zijn, want ook God zelf houdt er zich aan. De prediking van vergeving der zonden moeten de apostelen beginnen te Jeruzalem, hoewel zij kortelings de schuld van Christus' bloed over zich gebracht had, "toch moogt gij vergeving hunner zonden verkondigen op Evangelievoorwaarden". En Petrus heeft dit gedaan, Handelingen 2:38, 3:19. Christus, opgewekt zijnde ter onzer rechtvaardigmaking, zendt Zijne Evangelie-herauten, om te verkondigen, dat het jubeljaar is begonnen, de acte van kwijtschelding is uitgevaardigd, en naar dien regel zullen de mensen geoordeeld worden, Hoofdstuk 12:48, Romeinen 2:16, Jakobus 2:12. Dezen regel des oordeels zal God nooit veranderen, noch er van afwijken, zij, die door het Evangelie worden vrijgesproken, zijn vrijgesproken, en zij, die door het Evangelie veroordeeld worden, zullen veroordeeld zijn, waardoor de Evangeliebediening zeer grotelijks wordt geëerd, en waardoor de Evangeliedienaars zeer grotelijks bemoedigd behoren te zijn. Op tweeërlei wijze wordt door de apostelen en dienaren van Christus de zonde vergeven en gehouden, en voor beiderlei wijzen als gezaghebbende: a. Door gezonde leer. Hun is opgedragen, om aan de wereld te zeggen, dat de zaligheid op Evangelievoorwaarden verkregen kan worden, maar op gene andere voorwaarden, en zij zullen bevinden, dat God Amen hiertoe zal zeggen, en zo zal dan hun oordeel zijn. b. Door ene strenge tucht, den algemenen regel des Evangelies toepassende op bijzondere personen. "Wie gij, overeenkomstig de regelen van het Evangelie, tot gemeenschap met u toelaat, zal God toelaten tot gemeenschap met Hem zelven, en wie gij uitwerpt uit de gemeenschap als onboetvaardigen, en die in ergerlijke zonden leven, zullen aan het rechtvaardig oordeel Gods overgegeven worden".
III. Het ongeloof van Thomas, toen hem dit bericht werd.
1. Wij hebben hier Thomas' afwezigheid van deze bijeenkomst, vers 24. Hij wordt gezegd een van de twaalven te zijn, een lid van het college der apostelen, die, hoewel nu slechts elf in getal, twaalf geweest waren, en weldra weer twaalf worden zullen. Zij waren slechts elf, en nu ontbrak nog een hunner: Christus' discipelen zullen nooit voltallig bij elkaar zijn voor de algemene vergadering op den groten dag. Het was wellicht zijn ongeluk, dat hij afwezig was-misschien was hij ongesteld, of was hem gene kennis gegeven, dat ene bijeenkomst gehouden zou worden, het kan ook zijne zonde en dwaasheid geweest zijn -teruggehouden wellicht door zaken, of door een gezelschap, waaraan hij toen de voorkeur gaf boven de bijeenkomst met de apostelen, of wellicht durfde hij niet komen om de vreze der Joden, en noemde hij voorzichtigheid en beleid, wat in werkelijkheid lafhartigheid was. Hoe dit zij, door zijne afwezigheid heeft hij de voldoening gemist van zijn Meester te zien en te delen in de blijdschap der discipelen bij deze gelegenheid. Diegenen weten niet wat zij verliezen, die uit onverschilligheid wegblijven van de plechtige bijeenkomsten der Christenen. 2. Het bericht, dat de andere discipelen hem gaven van het bezoek huns Meesters, vers 25. De volgende keer, dat zij hem zagen, zeiden zij tot hem-en zij zeiden het met blijdschap-Wij hebben den Heere gezien. Ongetwijfeld hebben zij hem meegedeeld alles wat er bij dat bezoek was voorgevallen, inzonderheid hoe Hij hen overtuigd had door hun Zijne handen en Zijne zijde te tonen. Het schijnt wel dat Thomas, hoewel niet tegenwoordig op die bijeenkomst, toch niet lang van hen afwezig is gebleven. Die slechts tijdelijk afwezig zijn, moeten niet veroordeeld worden, alsof zij blijvende afvalligen waren, Thomas is Judas niet. Merk op hoe juichend zij er van spreken: "Wij hebben den Heere gezien, het was het heerlijkste, troostrijkste gezicht, dat wij ooit gezien hebben". Dit zeiden zij tot Thomas:
a. om hem zijne afwezigheid te verwijten: "Wij hebben den Heere gezien, en gij niet". Of liever:
b. Om het hem mede te delen: "Wij hebben den Heere gezien, en wij wensten, dat gij hi er geweest waart, om Hem ook te zien, want gij zoudt er door overtuigd zijn geworden". De discipelen van Christus moeten er naar streven elkaar op te bouwen in hun allerheiligst geloof, zowel door aan hen, die afwezig waren, te verhalen wat zij gehoord hebben, opdat zij het dan uit de tweede hand kunnen horen, als ook door hun hun ervaringen mede te delen. Zij, die door het geloof den Heere gezien hebben, en gesmaakt hebben, dat Hij genadig is, behoren aan anderen te vertellen wat God voor hun ziel gedaan heeft, doch alle roem zij hierbij uitgesloten.
3. Thomas' tegenwerpingen tegen dit getuigenis, om zich te rechtvaardigen in zijn onwil om het aan te nemen. "Zegt mij niet. dat gij den Heere levend gezien hebt, gij zijt te lichtgelovig, er was iemand, die u heeft misleid. Wat m ij betreft: Indien ik -niet slechts zie in Zijne handen het teken der nagelen, maar mijn vinger steke in het teken der nagelen en steke mijne hand in Zijne zijde, ik zal geenszins geloven." Door dit te vergelijken met hetgeen hij zei, Hoofdstuk 11:16, 14:5, hebben sommigen verondersteld, dat hij een man was van ene ruwe, en sombere geaardheid, licht geneigd tot gemelijk spreken, want alle Godvruchtige mensen zijn niet even gelukkig en vriendelijk van humeur. Er was echter toen veel dat verkeerd was in zijn gedrag.
a. Hij had of in het geheel niet, of niet genoegzaam acht geslagen op hetgeen Christus zo dikwijls had gezegd, en dat nog wel in overeenstemming met het Oude Testament, dat Hij ten derden dage zou opstaan, zo dat hij had behoren te zeggen: "Hij is opgestaan", al heeft hij Hem niet gezien, of niet gesproken met iemand, die Hem wèl gezien had.
b. Hij heeft geen behoorlijken eerbied betoond voor het getuigenis van zijne mede-discipelen, die mannen van verstand en van een rechtschapen karakter waren, en geloofd hadden moeten worden. Hij kende hen als eerlijke, oprechte mannen, allen kwamen met grote beslistheid overeen in hun getuigenis, en toch kon hij er zich niet toe brengen om te zeggen, dat hun getuigenis waarachtig is. Christus had hen verkoren om ten opzichte van deze zelfde zaak Zijne getuigen te zijn bij alle volken, en toch wil nu Thomas, een lid van hun broederschap, niet erkennen, dat zij bevoegde getuigen zijn, wilde hij hen niet verder vertrouwen, dan zijne eigene ogen zouden reiken. Het was echter niet hun waarheidsliefde, waaraan hij twijfelde, maar wel hun wijsheid en voorzichtigheid, hij vreesde, dat zij lichtgelovig waren.
c. Hij verzocht Christus, en heeft den heilige Israël's een perk gesteld, toen hij slechts op zijne eigene wijze-en anders in het geheel niet-overtuigd wilde worden. Hij kon er niet zeker van zijn, dat het teken der nagelen, dat de apostelen hem zeiden gezien te hebben, van zulk een aard was, dat hij er zijn vinger in kon steken, of de wonde in zijne zijde zo was, dat hij er zijne hand in kon steken. Ook was het niet voegzaam om op zo ruwe wijze met een levend lichaam te handelen, toch laat Thomas daar zijn geloof nu van afhangen. Hij moet of zijn zin hebben, aan zijn denkbeeld moet toegegeven worden, of hij zal niet geloven, zie Mattheus 16:1, 27:42.
d. Het openlijk uitspreken daarvan in de tegenwoordigheid der discipelen, was ene belediging van en ene ontmoediging voor hen. Het was niet slechts ene zonde, maar een ergernis. Gelijk een bloodaard er velen maakt, zo zal een ongelovige, een twijfelaar, het hart zijner broederen doen smelten, gelijk zijn hart, Deuteronomium 20:8. Indien hij dit boze slechts had gedacht, maar toen zijne hand op zijn mond had gelegd, om de gedachte te onderdrukken, dan zou zijne dwaling bij hem zijn gebleven, maar het openlijk uitspreken van zijn ongeloof, en dat wel zo beslist en bepaald, zou voor de overigen van slechte gevolgen kunnen zijn, daar dezen nu toch nog zelven zo zwak en wankelmoedig waren.