25. En omdat Hij het niet, zoals wij allen, nodig had dat iemand anders, die een autoriteit voor Hem was, Hem eerst getuigen zou van de mens, die Hij voor de eerste keerontmoette om te vernemen, door welke gezindheid die bezield was, a)want Hij zelf wist en beter dan iemand anders het Hem zou hebben kunnen zeggen, wat in de mens was, die Hem ontmoette (
Hoofdstuk 1:47, ;
4:16, ;
6:61,
64;
16:19); hoe het in de diepste grond van zijn hart was en hoe hij omtrent Hem gevoelde.
a) 1 Samuël 16:7. 1 Kronieken 28:9. Psalm 7:10. 103:14. Jeremia 11:20; 17:10; 20:12.
Uit Vers 24 blijkt dat Jezus toen te Jeruzalem was om een veelomvattende getuigenis van Zichzelf te geven en Zich dus niet eerder tot Zijn werkzaamheid in Galilea terugtrok, voordat Hij in Judea het werk van zijn roeping volbracht had. De drie aanwijzingen: Hij was a) te Jeruzalem, b) op Pascha, c) op het feest, geven plaats, aanleiding en enigermate de duur aan van Zijn toenmalige tegenwoordigheid - de hele feesttijd bleef Jezus te Jeruzalem.
Met de hoogte van de tempelberg verlaat Jezus ook de hoogte van Zijn machtig koninklijk handelen. Hij begint te Jeruzalem te leren en doet op de wijze van de oude profeten Zijn leer vergezeld gaan van wonderdaden. Deze werkzaamheid was geenszins zonder gevolg; integendeel bericht Johannes dat velen ten gevolge daarvan in Zijn naam geloofden, omdat zij de tekenen zagen, die Hij verrichtte. Omdat nu de gehele openbaring van Jezus de bedoeling heeft om geloof op te wekken, zou men kunnen denken dat bij die velen de bedoeling van Jezus zal bereikt zijn en deze moeten geacht worden Hem opgenomen te hebben. Maar, evenals de geest van het Nieuwe Testament de boog van de menselijke taal zo sterk mogelijk gespannen heeft, ook ten opzichte van het woord geloof, zo heeft aan de andere kant de Nieuw-Testamentische spraak buigzaamheid genoeg om de menigvuldige buigingen en verzachtingen van de gewone taal over te nemen, terwijl er overal voor gezorgd is dat de heilige grondtoon van de waarheid zich overal openbaart en regelend optreedt. Zo is het ook hier. Doordat Johannes omtrent de velen, die geloofden, er dadelijk bijvoegt: "Maar Jezus vertrouwde hen Zichzelf niet toe, omdat Hij hen allen kende", geeft hij dadelijk te kennen dat hij hier niet in de volle zin van geloof sprak, maar op de wijze van het gewone spraakgebruik. Omdat Hij namelijk voor de gedachte: "Jezus vertrouwde Zichzelf hen niet toe" hetzelfde woord gebruikt (pisreuin) dat ook geloven betekent, wil hij reeds door deze toespeling te kennen geven dat het geloof van de velen niet datgene geweest is, wat Jezus van geloof verlangde. Jezus kan Zich slechts aan diegenen toevertrouwen, die door het geloof het goddelijke en onvergankelijke in zich hebben opgenomen. In de natuurlijke mens daarentegen, hoe voortreffelijk hij overigens ook moge zijn, is niets waaraan Jezus Zich kan overgeven. Hij weet dat Hij in het natuurlijke geen plaats heeft om Zich in te begeven. Hij kan Zich alleen aan het goddelijke en eeuwige toevertrouwen en dit komt alleen door het geloof in de mens. Wanneer Jezus Zich dus aan deze Joden niet toevertrouwt, dan heeft Hij door Zijn onderzoekende blik erkend dat hun geloof in Zijn naam deze naam nog niet in hun persoonlijk levensbeginsel had opgenomen. De mededeling van Johannes dat Jezus Zich niet aan de gelovende Joden heeft toevertrouwd, is voor ons nog in een ander opzicht, vooral in deze samenhang, belangrijk. Dat Jezus Zich aan de Joden niet heeft toevertrouwd, kan Johannes alleen weten als hij mag veronderstellen dat Jezus behoefte heeft om Zich aan iemand toe te vertrouwen. Van iemand, die aan zichzelf genoeg heeft, zal men niet opmerken, dat hij zich aan dezen of genen niet heeft toevertrouwd, omdat Hij ze tevoren doorzag. Johannes, die aan Zijn borst heeft gelegen, weet dat de liefde, die in dit hart woont en leeft, een werkelijke en volkomen liefde is, die zich niet alleen wil mededelen, maar ook in anderen wil rusten, zichzelf wil vinden en bevinden. Daarmee komen wij eerst op die plaats, waar wij het niet opnemen van Jezus van de kant van de Zijnen (Hoofdstuk 1:11) goed leren begrijpen: deze plaats, waarin wij moeten indringen, waar wij onze standplaats moeten nemen om het geheel goed te overzien, is de oneindige smart van de versmade liefde.
Zij geloofden in Zijn naam, die Zijn persoon bekleedt als een rok en zich in Zijn wonderen heerlijk betoonde; maar de wortels van het geloof van deze velen gingen nog niet zeer diep (Mattheus 13:20 v. ). Het waren opgewekte zielen, die de naam van de Messias met blijdschap prezen toen zij de tekenen zagen, die Hij deed, maar of zij tot het smeken: "Doe een teken aan mij" zouden voortgaan, of zij begerig zouden worden aan hun hart Jezus' zaligmakende kracht te ervaren, was nog twijfelachtig.
Jezus geloofde niet in hun geloof en daarom behandelde Hij ze ook niet als gelovigen.
Hij verliet Zich niet op het oppervlakkig geloof van een menigte, die alleen door tekenen overreed was en voorts al haar vooroordelen en kwade neigingen behouden had.
Het is nog een verkeerd geloof, namelijk van hen, die spoedig bijvallen, toejuichen en geloven als zij iets horen dat hen behaagt, maar als zij iets horen dat hen niet bevalt, of waaraan zij niet hadden gedacht, dan krabben zij dadelijk terug en vervallen weer tot hun oude dromen.
Dat Jezus Zich aan hen niet toevertrouwde, wil zeggen dat Hij in het verkeer met hen een zekere terughouding in acht nam, steeds in het oog hield dat de tegenwoordige vrienden misschien eens vijanden zouden worden en zo de slangen-voorzichtigheid, die Hij in Mattheus 10:16 van de Zijnen verlangt, zelf door Zijn voorbeeld aanprees.
Zielszorgers en anderen, wier zielen ter leiding zijn toevertrouwd, leren hier een belangrijk artikel in de zielszorg. Wij schatten de eerste beginselen van het geloof in zielen gewoonlijk te hoog, vooral als wij het werktuig tot hun roeping zijn geworden. Dan is het wel nodig te bidden om reine liefde en om de scherpzinnigheid van een eenvoudig oog, opdat wij niet door sanguinisch vertrouwen van de ziel schade aandoen en zo deelachtig worden aan de zonden, die de gevolgen zijn van de afval, die boze gast. Johannes maakt ons dikwijls opmerkzaam op Jezus' hogere wetenschap, op Zijn heldere, doorziende blik, waarvoor het zo gemakkelijk was om in de diepte van de harten als in een opengeslagen boek te lezen, zodat Hij in geen geval nodig had eerst mededelingen in te winnen, om te weten wat Hij van deze of gene moest denken. Daarin lag een bewijs van goddelijke verhevenheid, dat de lievelings-discipel niet verborgen was gebleven en dat hij opzettelijk in het licht stelt.
Christus kent zelfs de wortels van de bomen; wij daarentegen kennen de gesteldheid van de bomen alleen aan de vruchten.
Het is Gods privilege harten en nieren te proeven, de Kenner van de harten te zijn, de gedachten van de mensen van verre te begrijpen (Psalm 7:10; 139:2. Handelingen 15:8); aan dit majesteitsrecht moest Christus in volle mate deel hebben, omdat Hij de eengeboren Zoon van God was. Wij worden daardoor herinnerd hoezeer wij op onze hoede moeten zijn om in zelfbehagen onszelf te vertrouwen, omdat het oordeel van Christus, waarnaar wij geoordeeld worden, zeer makkelijk van het onze veel kan verschillen. (Openbaring 2:23).
Wie anders door Gods Geest vervuld was, bezat toch slechts kennis van de mensen van die bijzondere kant, die met zijn bijzondere roeping in betrekking stond, zoals bijvoorbeeld de Doper wel opmerkte wie boetvaardig was en wie niet. Anderen merkten dus alleen op of dit of dat in de mens was, maar Jezus in het algemeen wat in de mens was. De mens zelf is geheel voor Hem open, als een bewijs dat Hij de Geest zonder mate bezit, want door deze Geest bezit Hij die kennis.
Het wonderbare weten van Christus is overal godmenselijk, d. i. aan de ene kant niet alleen goddelijk, aan de andere kant niet alleen menselijk, maar beide tegelijk en goddelijk direct, menselijk op indirect wijze.
Hier wordt van de Heere getuigd, niet dat Hij veel mensenkennis bezit, zoals de ongelovigen op onwaardige wijze van de Heere zeggen, maar dat Hij de hartenkenner was, voor wie de diepste diepte van het menselijk gemoed naakt en geopend lag. Heeft het geloof niet een heerlijke Zaligmaker, die mens is en alles weet wat in de mens is en die God is en alles weet wat in God is? Daarom liet de Heere dan ook allen, die wilden, Hem volgen, maar Hij was er niet mee ingenomen, alsof het allen getrouwe discipelen waren; nee, Hij kende ze allen en wist dat er maar zeer weinig getrouwen onder waren. Later zou er zelfs een aanleiding tot schifting en scheiding tussen de schijngelovigen en oprecht gelovigen komen en de eersten zouden zich aan Hem ergeren en Hem verlaten, ja, een van hen Hem zelfs verraden, maar de laatsten zouden zich aan Hem gebonden gevoelen met eeuwige banden van liefde.
Wij moeten nog het een en ander laten voorafgaan voordat wij tot de volgende geschiedenis overgaan, bij welke ons in de persoon van Nikodemus een man voorkomt, die wat zijn uitwendige, zijn maatschappelijke positie betreft, tot de oversten onder de Joden behoort, die in Vers 18, zich reeds deden kennen als besloten tot het geloof, maar naar zijn inwendige toestand, die van zijn harten, daarentegen tot die velen, waarvan wij in Vers 23 hoorden, dat zij in de naam van Jezus geloofden om de tekenen, die Hij deed. Toch kan hij onder deze niet recht worden geteld, maar als een, die, zoals hij zich van het ongeloof van de mensen van zijn stand heeft losgerukt, zich eveneens van het halve geloof van de grote menigte afscheidt en de weg betreedt om tot het geloof van een discipel te komen, hetgeen hem later ook door verdere hulp van de Heere 26:18) volkomen gelukt is. Wij moeten eerst onderzoeken of die dubbele scheiding wel zo geheel en al een vrucht is van eigen beslissing, dan of Nicodemus integendeel niet een ziel zou zijn, die de Heere als een sterke Zich ten door heeft genomen en die Hij als een brandhout uit het vuur heeft gerukt (Jesaja 53:12. Amos 4:11). Die zijn eigen hart kent en bij zichzelf ervaren heeft, dat het niet is degene die wil of degene die loopt, maar van de ontfermende God (Romeinen 9:16), die zal spoedig met ons voor het tweede beslissen. Nu is reeds in Mattheus 26:6 in de aanmerking over Simon de melaatse de grond gelegd, waarop wij hier verder kunnen bouwen. Onder de velen, die in Jezus naam gelovig werden, omdat zij de tekenen zagen, die Jezus op Pasen op het feest deed, ja die zeker reeds gelovig waren geworden toen Hij de gesel van touwtjes maakte en de kopers en verkopers uit de tempel dreef, bevonden zich, zo dunkt ons, ook Lazarus van Bethanië en zijn beide zusters Maria en Martha. Kon het anders? In Maria's hart drong het woord "breek deze tempel af" diep in, zij kon het niet weer kwijt worden en bij hetgeen zij aan Jezus op Zijn reis naar het laatste paasfeest deed (Hoofdstuk 12:3) bestuurde Gods Geest door middel van dat woord, hoewel ook voor haar zelf onbewust, ten minste zonder duidelijk door haar begrepen te zijn, haar hart en haar hand. Hoe zou Jezus er anders toe komen om aan haar daad een betekenis te geven, zoals Hij dat in Mattheus 26:12. Markus 14:8. Johannes 12:7 doet? Deze drie nu maakten een uitzondering op hetgeen in Vers 24 van de velen wordt gezegd. Aan deze vertrouwde Jezus Zich werkelijk; Hij nam bij hen, waartoe zij Hem uitnodigden, intrek te Bethanië voor de overige dagen van het feest en sloot nu al de vriendschapsband, die Hem aan dit huis verbond en die ons in Lukas 10:38, Johannes 11:1, als een zeer vaste en innige voorkomt, zonder dat ons ook maar een lettergreep er van gezegd is, hoe die ontstaan is. Nu had Maria, zoals men vermoedt, in die Simon, die de melaatse heet, haar gade. Heeft nu Jezus, toen Hij later bij Simon Petrus te Kapérnaüm Zijn intrek nam, diens schoonmoeder genezen (Mattheus 8:14 v. ), dan heeft Hij zeker ook de man van Martha niet ongenezen gelaten, toen Hij voor de eerste keer Bethanië binnengekomen was. Wat verhindert ons verder aan te nemen dat deze Simon niet alleen tot de familie te Bethanië, maar ook tot Nicodemus, de Farizeeër en overste onder de Joden, in nadere betrekking stond, dat Hij zijn vriend, zijn bloedverwant, zijn ambtgenoot was, hoewel niet een en dezelfde persoon met de Farizeeër Simon in Lukas 7:36, zoals men veelal ten onrechte veronderstelt, maar een werkelijk evenbeeld van deze zowel wat de naam als de stand aangaat? Nu gingen de tekenen, die Jezus te Jeruzalem deed, Nicodemus nog nader aan dan dat hij ze alleen "zag"; zij grepen in zijn hart, zij bewogen bij de vriend, zijn eigen inwendige mens en als de genezing van Simon misschien nog die zelfde dag plaats had, waarop de ontmoeting met de overste onder de Joden in Vers 18, is voorgevallen en het eerste was onder de tekenen, welke Jezus deed, dan greep zo'n teken hem diep aan. Hij vermoedde dat in Hem, die niet alleen het huis van Zijn Vader, dat men tot een huis van koopmanschap had verlaagd, weer tot een bedehuis voor alle volken herstelde, maar ook zei, die Hem vervloekten en de zon van zijn vriendelijkheid over de bozen en ondankbaren liet schijnen, iets was van de heerlijkheid van de Eengeborene van de Vader, in wie God vol genade en waarheid onder Zijn volk woning wilde maken, alhoewel Hij ook voor het ogenblik nog te zeer door Farizese zuurdeeg in zijn gehele wezen doordrongen was om Jezus een volkomen hart te kunnen toedragen.