Johannes 1:37-43
Wij zien hier, hoe twee discipelen van Johannes tot Jezus overgaan, terwijl een hunner nog een derde meebrengt, en dezen waren de eerstelingen van Christus' discipelen. Zie hoe klein de kerk was in haar begin, en wat de dageraad is geweest van haar dag van grote dingen.
1. Andreas, en nog een ander met hem, waren de twee, die door Johannes op Christus werden gewezen, vers 37. Wie de andere was, wordt ons hier niet gezegd, sommigen denken, dat het Thomas geweest is, hoofdstuk 21:2, anderen dat het Johannes zelf geweest is, de schrijver van dit Evangelie, die gewoon is zijn naam zorgvuldig te verbergen, Hoofdstuk 13:23, en 20:3.
1. Wij zien hier hun bereidwilligheid om tot Christus over te gaan. Zij hoorden Johannes van Christus spreken als van het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt, en dat maakte, dat zij Hem volgden. Voor een ontwaakte ziel is het krachtigste argument, de dringendste reden om Christus te volgen, dat Hij het is, en Hij alleen, die de zonde wegneemt.
2. De vriendelijke opmerking, die Christus hun schonk, vers 38. Zij kwamen achter Hem, en schoon Christus hun dus den rug keerde, werd Hij hen toch spoedig gewaar, Hij keerde zich om en zag hen volgen. Christus neemt zeer spoedig kennis van de eerste bewegingen der ziel, die naar Hem uitgaat, van den eersten stap, die gezet wordt op den weg naar den hemel, Jes 64:5, Lukas 15:20. Hij wachtte niet, tot zij Hem verlof vroegen om tot Hem te mogen spreken, maar sprak hen aan. Welke gemeenschap er ook is tussen ene ziel en Christus, Hij is het, die het gesprek begint. Hij zei tot hen: Wat zoekt gij? Dit was gene bestraffing voor hun vrijmoedigheid om in Zijn gezelschap te komen, Hij, die gekomen is om ons te zoeken, heeft er nooit iemand om bestraft, dat hij Hem zocht, integendeel, het is een vriendelijke uitnodiging om Zijne kennis te maken, daar Hij hen verlegen en bescheiden zag. "Komt, wat hebt gij Mij te zeggen? Wat is uwe bede? Wat is uw verzoek?" Zij, wier werk het is de mensen te onderrichten omtrent den staat hunner ziel, behoren nederig te wezen en zachtmoedig, en toegankelijk, en zij moeten hen aanmoedigen, die zich tot hen wenden. De vraag, die Christus hun deed, moeten wij allen ons zelven doen, als wij Christus beginnen te volgen, en belijdenis willen doen van Zijn heiligen Godsdienst: Wat zoekt gij? "Wat beogen, wat begeren wij?" Zij, die Christus volgen, en toch de wereld zoeken, of zich zelven zoeken, of den lof van mensen, bedriegen zich zelven. "Wat zoeken wij in het zoeken van Christus? Zoeken wij een leraar. een heerser en verzoener? Zoeken wij in ons volgen van Christus de gunst van God en het eeuwige leven?" Indien ons oog hierin eenvoudig is, dan zijn wij geheel verlicht.
3. Hun bescheiden vragen naar Zijne woonplaats: Rabbi, waar woont Gij? Door Hem Rabbi te noemen, geven zij te kennen, dat hun bedoeling in tot Hem te komen was, om door Hem onderwezen te worden. Rabbi betekent meester, een leermeester, de Joden noemden hun geleerden rabbijnen. Het woord komt van rab, multus of magnus, een rabbi, een groot man, een, in wie, zoals wij zeggen, veel is. Nooit was er zulk een rabbi als onze Heere Jezus, zulk een grote, in wie al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn. Dezen kwamen tot Christus om Zijne leerlingen te wezen, en dat moeten allen, die zich tot Hem wenden. Johannes had hun gezegd, dat Hij het Lam Gods was, dit Lam nu is, als Rabbi, waardig het boek te nemen en de zegelen te openen, Openbaring 5:9. En tenzij wij ons aan Hem overgeven om door Hem bestuurd en onderwezen te worden, zal Hij onze zonden niet wegnemen. Door te vragen waar Hij woonde, geven zij het verlangen te kennen om meer met Hem bekend te worden. Christus was een vreemdeling in die landstreek, zodat zij bedoelden waar de herberg was, waarin Hij overnachtte, want daar wilden zij dan op een geschikt uur tot Hem komen, het uur, dat Hij hun noemen zou, zij wilden zich niet ruw bij Hem indringen. als het ogenblik er niet toe geschikt was. Wellevendheid en goede manieren betamen hun, die Christus volgen. En daarenboven, zij hoopten meer van Hem te verkrijgen, dan zij in een kort gesprek op den weg hebben konden. Zij besloten het tot hun grote zaak, niet maar tot een bijzaak, te maken om met Christus te spreken. Zij, die gemeenschap hebben met Christus, kunnen niet anders dan begeren, nog meer gemeenschap met Hem te hebben, zij vervolgen om meer van Hem te kennen. Zij verlangen naar een vaste gemeenschap met Hem, zodat zij kunnen neerzitten aan Zijne voeten en zich kunnen houden aan Zijne instructies. Het is niet genoeg om nu en dan eens met Christus te zijn, wij moeten bij Hem blijven.
4. Christus' vriendelijke uitnodiging: Hij zei tot hen: Komt en ziet. Op die wijze moeten begeerte naar Christus en naar gemeenschap met Hem worden ondersteund en aangemoedigd. Hij nodigt hen in Zijne woning, hoe dichter wij tot Christus naderen, hoe meer wij van Zijne schoonheid en voortreffelijkheid gewaar worden. Bedriegers houden hun invloed op hun volgelingen staande door hen op een afstand te houden, maar hetgeen waardoor Christus zich in hun achting en genegenheid wil aanbevelen was, dat zij zouden komen en zien. "Komt en ziet, hoe gering Mijne woning is, hoe armoedig Ik er ben ingericht, opdat gij geen wereldlijk voordeel verwacht door Mij te volgen, zoals diegenen, die aan de schriftgeleerden en Farizeeën het hof maakten en hen rabbi noemden. Komt en ziet waarop gij te rekenen hebt zo gij Mij volgt". Zie Mattheus 8:20. Hij nodigt hen om onmiddellijk te komen, zonder uitstel. Zij vroegen waar Hij woonde, opdat zij Hem op een meer gelegen tijd hun opwachting konden maken, maar Christus nodigt hen om terstond te komen en te zien, geen tijd is beter dan de tegenwoordige tijd. Laat ons hieruit leren:
a. Ten opzichte van anderen, dat het het beste is om de mensen te nemen, als zij er in een goede stemming voor zijn. het ijzer te smeden terwijl het heet is.
b. Ten opzichte van ons zelven, dat wij verstandig doen door dadelijk de gelegenheid aan te grijpen: "Nu is het de welaangename tijd", 2 Corinthiërs 6:2.
5. Hun blijmoedig en (ongetwijfeld) dankbaar aannemen van Zijne uitnodiging: Zij kwamen en zagen waar Hij woonde, en bleven dien dag bij Hem. Dat was grotere bescheidenheid, en heeft hun daarom ook meer goed gedaan, dan wanneer zij Zijn aanbod hadden afgewezen. Zij gingen geredelijk met Hem: Zij kwamen en zagen waar Hij woonde. Godvruchtige zielen nemen gaarne en van harte Christus' genaderijke uitnodigingen aan, zoals David, Psalm 27:8. Zij vroegen niet, of het hun geriefelijk bij Hem gemaakt zou worden, maar wilden gaarne genoegen nemen met wat zij bij Hem vinden zouden. Het is goed om met Christus te zijn, waar dan ook. Zij waren zo tevreden met hun onthaal, dat zij dien gehelen dag bij Hem bleven. (Meester, het is goed, dat wij hier zijn) en Hij heette hen welkom. Het was omtrent de tiende ure. Sommigen denken dat Johannes de Romeinse tijdrekening volgt, en dat het dus tien ure des morgens was, en dat zij tot aan den avond bij Hem bleven. Anderen denken, dat Johannes, evenals de andere evangelisten, den tijd rekende, volgens de Joodse indeling van den dag, en dat het vier uur na middag was, en zij dien nacht en den volgenden dag bij Hem bleven. Dr. Lightfoot maakt de gissing, dat die volgende dag een sabbatdag was, en dat zij, daar het reeds laat was, niet voor den sabbat naar huis terug konden gaan. Daar het onze plicht is, om, waar wij ook zijn, den sabbat zoveel mogelijk tot onze stichting en geestelijk heil door te brengen, zijn diegenen welzalig, die door ene levendige oefening van geloof, liefde, en Godsvrucht hun sabbatten doorbrengen in gemeenschap met Christus. Dat zijn in waarheid dagen des Heeren, dagen van den Zoon des mensen.
II. Andreas bracht zijn broeder Petrus tot Christus. Indien Petrus de eerstgeborene van Christus' discipelen ware geweest, dan zouden de papisten daar veel ophef van maken, hij is werkelijk later meer uitnemend geworden in gaven. maar Andreas had de eer van het eerst met Christus bekend te zijn geworden, en het middel te zijn geweest om Petrus tot Hem te brengen. Merk op:
1. Het bericht, dat Andreas aan Petrus gegeven heeft, met een wenk om tot Christus te komen.
a. Hij vond hem. Hij vond eerst zijn broeder Simon, zijn vinden duidt aan, dat hij hem gezocht heeft. Simon ging met Andreas om Johannes te horen prediken en door hem gedoopt te worden, en Andreas wist waar hij hem zoeken moest. Wellicht is de andere discipel, die bij hem was, terzelfder tijd uitgegaan om een vriend te zoeken, maar Andreas is het eerst geslaagd. Hij vond eerst Simon, die alleen gekomen was om Johannes te horen, maar zijne verwachting wordt overtroffen, hij ontmoette Jezus.
b. Hij zei hem, wie zij hadden gevonden: Wij hebben gevonden den Messias. Merk op: Dat hij spreekt met nederigheid, niet: "Ik heb gevonden", de ere der ontdekking zich zelven toeschrijvende, maar "Wij hebben", er zich in verblijdende om dit met anderen te delen. Hij spreekt juichend. Wij hebben die parel van grote waarde gevonden, dien waren schat, en hem gevonden hebbende, maakt hij het bekend, zoals de melaatsen, 2 Koningen 7:9, want hij weet, dat hij niet minder van Christus zal hebben en genieten door Hem met anderen te delen. Hij spreekt met verstand: Wij hebben gevonden den Messias, hetgeen meer was dan tot nu toe gezegd werd. Johannes had gezegd: Hij is het Lam Gods, en de Zoon van God, hetgeen Andreas vergelijkt met de Schriften des Ouden Testaments, en uit die vergelijking maakt hij op, dat Hij de Messias is, beloofd aan de vaderen, want nu is de volheid des tijds gekomen. Door aldus Gods getuigenissen tot zijne betrachting te maken, spreekt hij duidelijker van Christus dan zijn leraar van Hem gesproken heeft, Psalm 119:99.
c. Hij bracht hem tot Jezus, hij wilde het niet ondernemen om hem zelven te onderwijzen, maar bracht hem naar de bron, bewoog hem om tot Christus te komen en leidde hem tot Hem in. Dit nu was een blijk van ware liefde voor zijn broeder, zijn eigen broeder, zoals hij hier genoemd wordt, omdat hij hem zeer dierbaar was. Wij behoren met bijzondere zorg en ijver het geestelijk welzijn zoeken te bevorderen van onze nabestaanden, want hun betrekking tot ons vermeerdert zowel de verplichting als de gelegenheid om goed te doen aan hun ziel. Het was ook een gevolg van het gesprek, dat hij heden met Christus gehad heeft. Dat wij voor ons zelven nut en voordeel gehad hebben van de middelen der genade, zal het duidelijkst blijken uit onzen Godvruchtigen omgang met anderen. Hieruit bleek het, dat Andreas met Jezus geweest was, dat hij zo van Hem was vervuld, dat hij op den berg was geweest, want zijn aangezicht blonk. Hij wist, dat in Christus genoeg was voor allen, en, gesmaakt hebbende dat Hij goedertieren is, kon hij niet rusten voordat degenen, die hij liefhad, het ook gesmaakt hadden. Wie waarlijk genade heeft, haat monopolies, en wenst anderen te doen delen in zijn heil.
2. Het onthaal dat aan Petrus te beurt viel bij Jezus Christus, wie hij er niet minder welkom om was, dat hij door den invloed zijns broeders tot hem was gekomen, vers 42. Merk op: a. Dat Christus hem noemt bij zijn naam: Jezus, hem aanziende, zei: Gij zijt Simon, de zoon van Jonas. Het schijnt, dat Petrus aan Christus volkomen vreemd was, en indien dat zo is, dan is dit een bewijs van Christus' alwetendheid, dat Hij op den eersten aanblik, zonder enigerlei navraag, hem zijn naam en den naam zijns vaders kon zeggen. De Heere kent degenen, die Zijne zijn. Hij kent hen en al hun omstandigheden. Maar het was een voorbeeld van Zijn neerbuigende genade en gunst, dat Hij hem aldus vertrouwelijk en vriendelijk bij zijn naam noemde, hoewel hij van geringe afkomst was. Het was een voorbeeld van Gods gunst aan Mozes, dat Hij hem bij name kende, Exodus 33:17. Sommigen vestigen de aandacht op de betekenis dier namen: Simon, gehoorzaam, Jona -ene duive. Een gehoorzame gemoedsgesteldheid, als die ener duive, maakt ons geschikt om Christus' discipelen te zijn.
b. Dat Hij hem een nieuwen naam gaf: Cefas. Uit dat geven van een nieuwen naam blijkt Christus gunst jegens hem. Een nieuwe naam duidt de een of andere grote waardigheid aan, Openbaring 2:17, Jesaja 62:2 Hierdoor heeft Christus niet slechts den smaad afgewist van zijn geringe afkomst, maar hem aangenomen als een lid van Zijn eigen gezin. De naam, dien Hij hem gaf, wijst op zijne trouw aan Christus. Gij zult genaamd worden Cefas (het Hebreeuwse woord voor een steen) hetwelk overgezet wordt Petrus. Petrus' natuurlijke geaardheid was onbuigzaam, stoutmoedig en vastberaden, en ik denk, dat dit de voornaamste reden is, waarom Christus hem Cefas noemt-een steen. Toen Christus later voor hem gebeden heeft, dat zijn geloof niet zou ophouden, en hij aldus standvastig zou zijn voor Christus zelf, en hem tegelijk beval zijne broederen te versterken, zich te koste te geven ter ondersteuning van anderen, heeft Hij hem gemaakt wat Hij hem hier noemt, Cefas, een steen. Zij, die tot Christus komen, moeten komen met een vast besluit om Hem trouw en standvastig aan te kleven, als een steen te zijn, vast en solide, en het is door Zijne genade, dat zij het zijn. Zijn zeggen tot hen: Weest standvastig, maakt hen standvastig. Nu wordt hier niet meer door bewezen, dat Petrus de enige rots was, waarop de kerk gebouwd is, dan het noemen van Jakobus en Johannes Boanerges bewijst, dat zij de enige zonen des donders zijn, of dat Joses de enige zoon der vertroosting was, omdat hij Barnabas werd genoemd.