Mattheus 4:18-22
Toen Christus begon te prediken, begon Hij discipelen te vergaderen, die nu de hoorders en later de predikers zullen zijn, van Zijne leer, die nu de getuigen zullen zijn van Zijne wonderen, en daarna betreffende Zijne wonderen. Nu hebben wij in deze verzen het bericht omtrent de eerste discipelen, die Hij geroepen heeft om in gemeenschap met Hem te zijn. En dit was een voorbeeld:
1. V an krachtdadige roeping tot Christus. In geheel Zijne prediking heeft Hij geheel het land in het algemeen geroepen, maar in dit geval heeft Hij ene bijzondere en persoonlijke roeping doen uitgaan tot hen, die Hem door den Vader waren gegeven. Laat ons zien en bewonderen de kracht van Christus' genade, erkennen dat Zijn woord de staf is Zijner sterkte, en naar Hem uitzien voor die machtige invloeden, welke nodig zijn voor de krachtdadige uitwerking van de Evangelie-roeping- deze onderscheidene invloeden. Geheel het land was geroepen, maar dezen werden geroepen van uit de anderen, gekocht uit de mensen. Christus was aan hen geopenbaard, zoals Hij niet aan de wereld was geopenbaard.
2. Het was een voorbeeld van wijding en aanstelling tot de bediening. Toen Christus, als Leraar, Zijne grote school oprichtte, was het een der eerste zaken, die Hij deed, ondermeesters aan te stellen, om bij het onderwijs werkzaam te zijn. Nu begon Hij den mensen gaven te geven, den schat in aarden vaten te leggen. Het was een vroeg voorbeeld van Zijne zorge over de kerk. Nu kunnen wij hier opmerken,
1. Waar zij geroepen werden-aan de zee van Galilea, waar Jezus wandelde, daar Kapernaum dicht bij die zee was gelegen. De Joden hebben een gezegde betreffende deze zee van Tiberias, n.l. dat van al de zeven zeeën, die God gemaakt heeft, Hij er gene verkoren heeft, dan dit meer van Gennesareth, hetgeen zeer toepasselijk is op Christus' keuze er van, om haar te eren, gelijk Hij dikwijls gedaan heeft, door Zijne tegenwoordigheid en Zijne wonderen. Hier, aan de oevers dezer zee, wandelde Christus tot overdenking, zoals Izaak in het veld, dáár ging Hij om Zijne discipelen te roepen, niet naar het hof van Herodes (want weinige machtigen of edelen zijn geroepen) niet naar Jeruzalem, onder de overpriesters en de ouderlingen, maar naar de zee van Galilea. Voorwaar! Christus ziet niet, zoals de mens ziet. Niet alsof dezelfde macht, die Petrus en Andreas zo krachtdadig heeft geroepen, niet ook in Annas en Kajafas kon werken, want bij God is niets onmogelijk, maar, evenals in andere dingen, zo wilde Hij ook in Zijn omgang en Zijne metgezellen zich zelven vernederen, en tonen, dat God de armen dezer wereld heeft uitverkoren. Galilea was een verwijderd, afgelegen deel des lands, de inwoners waren minder ontwikkeld en beschaafd, tot hun uitspraak der taal toe, was ruw en onaangenaam voor een kieskeurig oor, hun spraak maakte hen openbaar. Zij, die daar aan de zee van Galilea gevonden werden, hadden niet het voorrecht van beschaving en ontwikkeling, ja zelfs niet eens van de meer beschaafde Galileërs. Maar daarheen is Christus gegaan om Zijne apostelen te roepen, die Zijne eerste staatsministers moesten worden in Zijn koninkrijk, want Hij verkiest het dwaze der wereld, opdat Hij de wijzen beschamen zou.
Il. Wie zij waren. In deze verzen hebben wij het bericht van de roeping van twee broederparen, Petrus en Andreas, Jakobus en Johannes, de eerste twee, en waarschijnlijk ook de twee anderen, waren reeds te voren met Christus bekend, Johannes 1:40, 41, maar zij waren nu eerst geroepen, om Hem voortdurend te vergezellen, en tot een innigen, vertrouwelijken omgang met Hem. Christus brengt de arme zielen trapsgewijze tot gemeenschapsoefening met Hem. Zij waren discipelen van Johannes geweest, en waren daarom des te eerder geneigd Christus te volgen. Zij, die zich onder de tucht der bekering gesteld hebben, zullen welkom wezen aan de blijdschap des geloofs. Hen betreffende kunnen wij opmerken:
1. Dat zij broeders waren. Het is heerlijk, als zij, die van elkanders maagschap zijn naar het vlees, (zoals de apostel zegt in Romeinen 9:3) saamgebracht worden in geestelijke verbintenis met Jezus Christus. Het is de eer en de troost van een huis, als zij, die tot een zelfde gezin behoren, ook van het huisgezin Gods zijn.
2. Dat zij vissers waren. Vissers zijnde waren zij
a. arm, als zij goederen of huizen hadden bezeten, of een groten voorraad van handelswaar, dan zouden zij gene vissers van beroep zijn geweest, al zouden zij het ook voor hun vermaak of liefhebberij zijn geweest. Christus veracht de armen niet, en daarom moeten wij hen ook niet verachten, den armen wordt het Evangelie verkondigd, en de Fontein van alle eer geeft soms overvloediger eer aan hetgeen gebrek aan dezelve heeft.
b. Zij waren ongeleerde mensen, niet opgevoed bij boeken en literatuur, zoals Mozes geweest is, die onderwezen was in alle wijsheid der Egyptenaren. Somwijlen behaagt het Christus diegenen de gaven Zijner genade te schenken, die het minst op gaven der natuur hebben te roemen. Toch zal dit het onbeschaamde indringen niet rechtvaardigen van onwetende en onbevoegde mannen in den arbeid der Evangeliebediening. Buitengewone gaven van kennis of van welsprekendheid moeten thans niet verwacht worden, maar in den gewonen weg der middelen moet bekwaamheid worden verkregen, en zonder ene toereikende mate van kennis en bekwaamheid moet niemand tot die bediening worden toegelaten.
c. Zij waren mannen van zaken, die groot gebracht waren tot den arbeid. Naarstigheid in een eerlijk beroep is Christus welbehaaglijk, en gene verhindering voor een heilig leven. Mozes werd van zijn herdersbedrijf, en David van achter de schapen geroepen, tot hoge ambten. Luie mensen zijn meer toegankelijk voor de verzoekingen van Satan, dan voor de roepingen Gods,
d. Zij waren mannen, gewoon aan ontberingen en gevaar, het vissersbedrijf is meer dan enig ander bedrijf, moeilijk en gevaarlijk. Vissers moeten dikwijls nat en koud zijn, zij moeten waken en de wacht houden, en zwoegen, en dikwijls in gevaren op de zee zijn. Zij, die geleerd hebben ontberingen te verduren en gevaren te trotseren, zijn het best bereid voor gemeenschapsoefening met Jezus Christus, en om Zijne discipelen te zijn. Goede krijgsknechten van Christus moeten verdrukkingen lijden.
III. Wat zij deden. Petrus en Andreas gebruikten toen hun netten, zij waren bezig te vissen: en Jakobus en Johannes waren bezig hun netten te vermaken, hetgeen een voorbeeld was van vlijt en spaarzaamheid. Zij gingen niet naar hun vader om geld voor nieuwe netten, maar gaven zich de moeite van de oude te verstellen. Het is loffelijk om van hetgeen wij hebben zoveel mogelijk nut te trekken, Jakobus en Johannes waren bij hun vader Zebedeus, gereed en bereid hem te helpen. en hem zijn beroep gemakkelijk te maken. Het is een gelukkig en hoopvol teken, als kinderen zorgzaam zijn voor hun ouders, hun gehoorzaamheid bewijzende. Merk op: 1. Dat zij allen aan het werk waren, druk bezig, niemand was traag of lui. Als Christus komt, is het goed om doende gevonden te worden. "Ben ik in Christus?" is ene zeer nodige vraag, die wij ons zelven doen moeten, en daarna: "Ben ik in mijne roeping?"
2. Zij waren op verschillende wijze aan het werk. Twee hunner waren aan het vissen, en twee van hen vermaakten hun netten. Leraren moeten altijd aan den arbeid zijn, hetzij om te onderwijzen of te studeren, zij kunnen altijd iets te doen vinden, en het vermaken hunner netten is op zijn tijd, even noodzakelijk als het vissen.
IV. Wat de roeping was, vers 19. Volgt Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken. Te voren hadden zij Christus gevolgd als gewone discipelen, Johannes 1:37, maar zo, dat zij Christus, en ook hun beroep konden volgen, daarom worden zij nu tot een inniger en meer voortdurend volgen geroepen, en daarvoor moeten zij hun beroep en bedrijf verlaten. Zelfs voor hen die geroepen zijn Christus te volgen, is het nodig om geroepen te worden tot navolgen, getrouwer, ijveriger te volgen, inzonderheid als zij tot den Evangeliedienst zijn bestemd. Merk op:
1. Waartoe Christus hen bestemde, Ik zal u vissers der mensen maken. Dit is ene toespeling op hun vorig beroep. Laat hen niet trots wezen op de eer, die voor hen is weggelegd, zij zijn nog slechts vissers. Laten zij niet bevreesd wezen voor het werk, dat hun bereid is, want zij zijn het vissen gewoon, en nog zijn zij vissers. Christus placht gemeenlijk van geestelijke en hemelse dingen met die soort van toespelingen te spreken, en met zulke uitdrukkingen, die zich door de dingen, die om Hem heen waren, als van zelf voordeden. Van het weiden der schapen werd David geroepen om Gods Israël te weiden, en als hij koning is, is hij herder. Merk op:
a. Evangelie-dienaars zijn vissers van mensen, niet om hen te verderven, maar om hen te behouden, door hen in een ander element te brengen. Zij moeten vissen, niet naar eer, rijkdom en bevordering, om die voor zich zelven te verkrijgen, maar naar zielen, om hen tot Christus te brengen. Zij waken voor uwe zielen (Hebreeën 13:17), zij zoeken niet het uwe, maar u, 2 Corinthiërs 12:14, 16.
b. Het is Jezus Christus, die hen tot vissers maakt: Ik zal u vissers der mensen maken. Hij is het, die de mensen bekwaam maakt voor dit werk, hen er toe roept, er toe machtigt, en er hen voorspoedig in maakt, Hij geeft hun de opdracht om naar zielen te vissen, en Hij geeft hun de wijsheid om ze te vangen. Die Evangeliedienaren zullen troost en genot vinden in hun arbeid, die er aldus door Jezus Christus toe geroepen en in staat gesteld zijn.
2. Wat zij hiertoe doen moeten, Volgt Mij na. Zij moeten zich afzonderen tot een naarstigen dienst bij Hem, zich toeleggen op een nederig navolgen van Hem, moeten Hem volgen als hun Leider. Merk op:
a. Zij, die door Christus tot enigen dienst voor Hem gebruikt worden, moeten er eerst geschikt en bekwaam toe worden gemaakt.
b. Zij, die Christus willen prediken, moeten eerst Christus leren en van Hem leren. Hoe kunnen wij verwachten anderen tot de kennis van Christus te brengen, als wij zelf Hem niet goed kennen? c. Zij, die met Christus bekend willen worden, moeten voortdurend en trouw met Hem zijn. De apostelen waren toebereid tot hun werk, door met Christus om te gaan al den tijd, in welken Hij onder hen in- en uitgegaan is, Handelingen 1:21. Er is gene geleerdheid, die halen kan bij die, welke verkregen wordt door Christus te volgen. Door Mozes te dienen is Jozua geschikt gemaakt om zijn opvolger te zijn.
d. Zij, die naar mensen moeten vissen, moeten daarin Christus navolgen, doen zoals Hij deed, met ijver, trouw en tederheid. Christus is het grote voorbeeld voor predikers, en zij behoren medewerkers met Hem te zijn.
V. Den goeden uitslag dezer roeping. Petrus en Andreas hebben terstond de netten verlaten, vers 20, en Jakobus en Johannes hebben terstond het schip en hun vader verlaten vers 22, en allen zijn Hem nagevolgd. Zij, die Christus op de rechte wijze willen volgen, moeten alles verlaten om Hem te volgen. Ieder Christen moet alles verlaten, van alles los zijn, moet vader en moeder haten. Lukas 14:26, moet hen minder liefhebben dan Christus, moet bereid zijn om liever zijn deel aan hen op te geven, dan zijn deel aan Jezus Christus, maar zij, die aan den arbeid in het Evangelie zijn gewijd, moeten zich bijzonder losmaken van alle zaken, die dit leven betreffen, opdat zij zich gans en al geven aan het werk, waarvoor de gehele mens wordt vereist. Dit voorbeeld van de macht des Heeren Jezus geeft ons:
1. Goeden moed om op de algenoegzaamheid Zijner genade te steunen. Hoe krachtig van uitwerking is Zijn woord! Hij spreekt en het is er. Dezelfde kracht gaat uit met dit woord van Christus: Volg Mij, als er uitging met het woord: Lazarus, kom uit, ene kracht, die gewillig maakt, Psalm 110:3. 2 Dit blijk van volgzaamheid der discipelen geeft ons een goed voorbeeld van gehoorzaamheid aan het bevel van Christus. Het is de goede eigenschap van alle getrouwe dienstknechten van Christus om te komen, als zij geroepen worden, en hun Meester te volgen overal waar Hij hen heenvoert. Zij hebben hun tegenwoordig beroep, hun verplichtingen jegens hun familie, de moeilijkheid van den dienst, waartoe zij geroepen werden, en ook hun eigene onbekwaamheid niet aangevoerd als ene verontschuldiging om niet te volgen, maar geroepen zijnde, hebben zij gehoorzaamd, en, evenals Abraham, zijn zij uitgegaan, niet wetende, waar zij komen zouden, maar zeer goed wetende, wie zij volgden. Jakobus en Johannes verlieten hun Vader. Er wordt niet gezegd wat er van hem geworden is, hun moeder Salome was ene trouwe volgelinge van Christus. Ongetwijfeld was hun vader Zebedeus een gelovige, maar de roeping om Christus te volgen kwam tot de jeugdigen. De jeugd is de leeftijd van leren en de leeftijd van arbeiden. De priesters verrichtten hun dienstwerk in den bloei hunner jaren.