Prediker 9:11-12
Tot nog een verder bewijs van de ijdelheid van de wereld, en om ons ervan te overtuigen dat al onze werken in de hand Gods zijn, en niet in onze eigen hand, toont de prediker hier het onzekere van de toekomstige gebeurtenissen, en hoe dikwijls zij in tegenspraak zijn met onze verwachtingen ervan. Hij had ons vermaand, vers 10, om wat wij te doen hebben, te doen met al onze macht, maar hier herinnert hij er ons aan, dat, als wij alles gedaan hebben, wij de uitkomst aan God moeten overlaten, en niet zeker moeten zijn van succes.
1. Wij worden dikwijls teleurgesteld omtrent het goede, waarvan wij grote verwachtingen hadden, vers 11. Salomo had zelf de opmerking gemaakt, en dat heeft ook menigeen na hem, dat hetgeen geschiedt, beide in openbare en particuliere zaken, niet altijd beantwoordt aan hetgeen redelijkerwijs en zeer waarschijnlijk ervan te verwachten was. De uitkomst van de zaken gaat soms op onbegrijpelijke wijze tegen ieders verwachting in, opdat de hoogsten niet vermetel en de nederigsten niet wanhopig zullen zijn, maar allen zullen leven in nederige afhankelijkheid van God, van wie ieders oordeel uitgaat.
A. Hij geeft voorbeelden van teleurstelling, zelfs daar waar middelen en werktuigen zeer bemoedigend en veelbelovend waren.
a. Men zou denken dat hij, die het lichtst op zijn voeten is, in de wedloop de prijs zal behalen, en toch is de loop niet altijd van de snellen, er heeft een ongeval plaats, waardoor hun loop vertraagd wordt, of zij zijn al te gerust, en gaan daarom verkeerd, en zo laten zij hen, die langzamer zijn, voor zich heengaan.
b. Men zou denken dat in een gevecht het talrijkste en machtigste leger altijd zegevierend zal zijn, en dat In een gevecht van man tegen man de stoutste en machtigste kampioen de lauwerkrans zal winnen maar de strijd is niet altijd van de helden, een heerleger van Filistijnen werd eens op de vlucht gedreven door Jonathan en zijn wapendrager, één uit u zal er duizend verjagen, het goede, het deugdelijke van de zaak heeft dikwijls de overwinning behaald over de geduchtste macht.
c. Men zou denken dat mensen van verstand altijd mensen van vermogen moeten zijn, en dat zij, die weten hoe te leven in de wereld, niet alleen een goed, overvloedig onderhoud zouden hebben, maar grote rijkdommen zouden verkrijgen maar zo is het toch niet altijd, zelfs brood of de spijs is niet altijd van de wezen, en nog veel minder rijkdom van de verstandigen. Vele schrandere mannen en mannen van zaken, die naar alle waarschijnlijkheid voorspoed en welvaart moesten hebben in de wereld, zijn op verbazingwekkende wijze achteruitgegaan, ja te gronde gegaan.
d. Men zou denken dat zij, die er verstand van hebben om met mensen om te gaan en hen weten te leiden, altijd bevorderd zullen worden, de goedkeuring en de welwillendheid van de groten zouden verwerven, maar vele schrandere mannen zijn teleurgesteld en hebben hun dagen in onbekendheid doorgebracht, ja zijn in ongenade gevallen, en hebben zich misschien in het verderf gestort door de methodes aan te wenden waardoor zij hoopten zich te verheffen, want gunst is niet altijd van de welmenenden, maar dwazen worden begunstigd en wijze mannen zuur aangezien. B. Hij verklaart al deze teleurstellingen door een allesbesturende macht, welker beschikkingen ons toevallig toeschijnen, en zo noemen wij dit dan toeval, maar in werkelijkheid geschiedt het alles naar de raad en de voorkennis van God, hier genoemd tijd in de taal van dit boek, Hoofdstuk 3:1, Psalm 31, 16, tijd en toeval wedervaart allen. Een soevereine voorzienigheid verbreekt de maatregelen van de mensen en vernietigt hun hoop, en leert hen dat de weg des mensen niet in hemzelf is, maar onderworpen is aan de goddelijke wil. Wij moeten middelen gebruiken, maar er niet op vertrouwen, als wij slagen moeten wij God de lof geven, Psalm 44:4, als het ons tegenloopt, dan moeten wij berusten in Zijn wil en ons lot aannemen.
2. Wij worden dikwijls overvallen door het kwaad, dat wij weinig gevreesd hebben, vers 12. De mens weet zin tijd niet, de tijd van zijn ramp, zijn val, zijn dood, die in de Schrift onze dag wordt genoemd en onze ure.
a. Wij weten niet welke benauwdheden voor ons zijn, ons wachten, die ons zullen wegnemen van ons werk, ons zullen wegnemen uit de wereld, welk lot en toeval ons zullen overkomen, noch wat een dag of een nacht ons zal opleveren. Het komt ons niet toe de tijden te weten, neen, niet onze eigen tijd, wanneer of hoe wij zullen sterven. In Zijn wijsheid heeft God ons hieromtrent in het duister gelaten, opdat wij altijd bereid en gereed zullen zijn.
b. Misschien zullen wij leed en verdriet hebben door de eigen zaak, waarvan wij ons het grootste genoegen en het meeste voordeel beloofden, gelijk de vissen en vogels in de strik en het net komen door het lokaas, dat er in gelegd werd om ze te lokken, en waarop zij gretig afkomen, zo worden de kinderen van de mensen dikwijls verstrikt in een boze lijd, als hun die plotseling en eer zij het weten overkomt. En ook deze dingen wedervaren hun allen gelijk. De mensen vinden dikwijls hun verderf, waar zij hun zegen zochten, en vinden de dood, waar zij dachten een prijs te hebben gevonden. Laat ons dan nooit zeker zijn, maar altijd bereid wezen op veranderingen, opdat zij, al komen zij plotseling, ons noch zullen verrassen noch verschrikken.