Lukas 21:29-38
Hier is het slot van deze rede.
I. Schrijft Christus Zijnen apostelen voor te letten op de tekenen der tijden, waarnaar zij, indien zij een oog hadden voor de overige aanwijzingen, met evenveel zekerheid konden oordelen, als zij naar het uitbotten der bomen kunnen oordelen, dat de zomer nabij is, vers 29-31. Gelijk er in het rijk der natuur een aaneenschakeling is van oorzaken, zo is er in het rijk der voorzienigheid een gevolg van een gebeurtenis uit een andere gebeurtenis voortkomende. Als wij een volk de mate zijner ongerechtigheden zien vol maken, dan kunnen wij hieruit besluiten dat zijn verderf nabij is. Als wij het verderf van vervolgende machten zien voortschrijden, dan kunnen wij hieruit opmaken, dat het koninkrijk Gods nabij is, dat het, wanneer de tegenstand die er aan geboden wordt, weggenomen is, veld zal winnen. Gelijk het ons geoorloofd is de wisseling der jaargetijden te voorspellen, als de tweede oorzaken zijn begonnen te werken, zo kunnen en mogen wij uit de schikking der gebeurtenissen iets ongewoons verwachten, als God reeds ontwaakt is uit Zijn heilige woning, Zacheria 2:13. Zo staat dan stil, en ziet het heil des Heeren.
II. Hij beveelt hun op deze dingen te zien, noch als iets twijfelachtigs, noch als iets dat nog verre is, (want dan zouden zij den gewensten indruk niet op hen teweegbrengen) maar als iets dat zeker en zeer nabij is. Het verderf der Joodse natie:
1. Was nabij, vers 32. Dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, totdat alles zal geschied zijn. Er leefden toen sommigen, die het zouden zien, sommigen, die er nu de voorzegging van hoorden.
2. Het was zeker, het vonnis was onherroepelijk, het was een bepaalde, vast-besloten voleinding, het raadsbesluit was uitgegaan, vers 33 :De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, veeleer dan dat een woord van Mij zal voorbijgaan: ja, zij zullen zeker voorbijgaan, maar Mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan, hetzij men ze aanneemt of niet aanneemt, kracht van uitwerking zullen zij hebben, en niet een er van zal ter aarde vallen, 1 Samuël 3:19.
III. Hij waarschuwt hen tegen vleselijke gerustheid en zinnelijkheid, waardoor zij zich ongeschikt zouden maken voor de tijden van beproeving, die aanstaande waren, en die hen dan plotseling zouden overvallen en met schrik en ontzetting vervullen, vers 34, 35: Wacht uzelven. Dat is het woord van bevel aan alle discipelen van Christus. "Wacht uzelven, dat gij niet overmeesterd wordt door verzoekingen, noch er aan overgeleverd wordt door uw eigen bederf". Wij kunnen niet veilig zijn, als wij ons aan vleselijke gerustheid overgeven. Het is ten allen tijde, maar inzonderheid in sommige tijden, zeer nodig om zeer voorzichtig te zijn. Zie hier:
1. Wat ons gevaar is: dat de dag des doods en des oordeels ons onverhoeds zal overvallen, als wij hem niet verwachten en er niet voor bereid zijn, -opdat, als wij geroepen worden om onzen Heere te ontmoeten, datgene niet het verst van onze gedachten zal zijn, hetwelk ten allen tijde ons het naast aan het hart moest wezen, en hij ons niet als een strik zal overkomen, want aldus zal hij de meeste mensen overkomen, die op den gansen aardbodem gezeten zijn, en slechts de dingen der aarde bedenken, en geen gemeenschap hebben met den hemel, over hen zal hij komen als een strik, Prediker 9:12. Hij zal hun ene verschrikking en verwoesting zijn, hij zal hen in onuitsprekelijken angst brengen en hen tot nog schrikkelijker oordeel vasthouden.
2. Wat onze plicht is-uit aanmerking van dat gevaar: wij moeten ons wachten, dat onze harten niet te eniger tijd bezwaard worden, overladen worden door allerlei lasten, waardoor wij ongeschikt en onbekwaam worden om te doen hetgeen wij moeten doen, om ons voor den dood en het oordeel te bereiden. Er zijn twee dingen, tegen welke wij op onze hoede moeten zijn, om er onze harten niet door te laten bezwaren:
a. Het toegeven aan de lusten des lichaams: Wacht uzelven, dat uwe harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap, het onmatig gebruik van spijs en drank, die het hart bezwaren, niet slechts met de schuld, die men er zich door oplaadt, maar met de kwade gevolgen, die zulke wanordelijkheden teweegbrengen op de ziel, zij maken den mens stompzinnig en zonder leven voor zijn plicht, dood en lusteloos in zijn plicht, zij verdoven de consciëntie, en maken dat de geest onaandoenlijk blijft voor de dingen, die het aandoenlijkst zijn.
b. Het bovenmate najagen van de goederen dezer wereld. Het hart wordt overladen, bezwaard met de zorgvuldigheden dezes levens. Het eerste is de strik, waarin diegenen vallen, die zich overgeven aan zingenot, het laatste is de strik, waarin de mannen van zaken verward raken, die rijk willen worden. Het is ons nodig om voor beiden op onze hoede te zijn, niet slechts opdat niet, als de tijd van onzen dood komt, maar opdat niet te eniger tijd, onze harten aldus bezwaard worden. Ons waken tegen de zonde en onze zorg over onze ziel moeten voortdurend zijn, wij moeten er nooit van aflaten.
IV. Hij raadt hun zich te bereiden voor dien groten dag, vers 36. Zie hier:
1. Wat ons doel moet wezen: dat wij waardig geacht mogen worden te ontvlieden al deze dingen, opdat wij, als Gods oordelen zijn uitgegaan, voor het kwade bewaard mogen blijven, en of niet door de algemene rampen getroffen zullen worden, of dat die rampen voor ons niet zullen wezen wat zij voor anderen zijn, dat wij ten dage des doods aan den prikkel er van mogen ontkomen, welke is de toorn Gods en de verdoemenis der hel. Maar het moet ons streven zijn, niet slechts om daaraan te ontkomen, maar ook om te staan voor den Zoon des mensen, niet slechts als vrijgesproken door onzen Rechter, Psalm 1:5, vrijmoedigheid te hebben in den dag van Christus (dat wordt verondersteld in ons ontkomen of ontvlieden van al deze dingen) maar om te staan voor Zijn aangezicht, Hem dienende op te wachten als onzen Meester, voortdurend te staan voor Zijn troon, en Hem dag en nacht te dienen in Zijn tempel, Openbaring 7:15, altijd, evenals de engelen, Zijn aangezicht te zien, Mattheus 18:10. Evenals vroeger, Hoofdstuk 20:35, wordt hier van de heiligen gezegd, dat zij waardig geacht zijn. Door het goede werk Zijner genade in hen maakt God hen geschikt voor deze zaligheid, en door de welwillendheld en liefde Zijner genade jegens hen, acht Hij hen er voor waardig, maar, zoals Hugo de Groot hier zegt, een groot deel van onze waardigheid ligt in de erkenning van onze onwaardigheid.
2. Wat wij bij het najagen van dat doel hebben te doen: Waakt dan te aller tijd, biddende. Waakzaamheid en gebed moeten samengaan, Nehemia 4:9. Zij, die den toekomenden toorn willen ontvlieden, en zich van de toekomende gelukzaligheid willen verzekeren, moeten waken en bidden, en moeten dat altijd doen, het tot het voortdurend werk huns levens maken. a. Om over zich zelven te waken. "Waakt tegen de zonde, waakt voor iedere plicht, waakt om gebruik te maken van iedere gelegenheid om goed te doen. Waakt, en blijft wakker in de verwachting van de komst uws Heeren, opdat gij in de rechte gezindheid moogt zijn om Hem te ontvangen en welkom te heten."
b. Om gemeenschap te blijven oefenen met God: weest dan te allen tijde biddende, weest immer in de gezindheid hiertoe, houdt er geregelde tijden voor aan, weest er overvloedig in, bidt bij alle gelegenheden. Diegenen zullen waardig geacht worden een leven van lof te leiden in de andere wereld, die in deze wereld een leven leiden van gebed.
V. In de laatste twee verzen hebben wij een bericht, hoe Christus de drie of vier dagen heeft doorgebracht tussen Zijn intocht in Jeruzalem en den nacht, in welken Hij werd verraden.
1. Des daags was Hij lerende in den tempel. Christus predikte op werkdagen zowel als op sabbatdagen. Hij was een onvermoeid prediker, Hij predikte in weerwil van tegenstand, en in het midden dergenen, die, naar Hij wist, gelegenheid tegen Hem zochten.
2. Des nachts ging Hij uit, om in het huis van een vriend op den Olijfberg te vernachten, ongeveer twintig minuten buiten de stad. Waarschijnlijk had Hij ook vrienden in de stad, die Hem gaarne geherbergd zouden hebben, maar des avonds trok Hij zich gaarne terug uit het gewoel en gedruis der stad, ten einde meer tijd te hebben voor stille afzondering tot gebed, nu Zijne ure nabij kwam.
3. Vroeg in den morgen was Hij wederom in den tempel, waar Hij een rede hield voor hen, die Hem wilden horen, en het volk was ijverig om naar iemand te horen, die ijverig was om voor hen te prediken, vers 38. Al het volk kwam des morgens vroeg, heen stromende naar den tempel om Hem te horen, hoewel de overpriesters en schriftgeleerden alles deden wat zij konden, om het volk tegen Hem in te nemen. Soms moet de smaak, dien ernstige, eerlijke en eenvoudige mensen aan den dag leggen voor een goede prediking, meer gewaardeerd worden dan die van de vernuftigen en geleerden, die met aanzien en macht bekleed zijn.