1 Timotheus 3:1-7
De beide brieven aan Timotheus en die aan Titus bevatten een schriftuurlijk plan van kerkregering en bevelen voor de dienaren. Timotheus was, naar wij onderstellen, een evangelist, die te Efeze achtergelaten werd om te zorgen voor hen, die daar door den Heiligen Geest bisschoppen gemaakt waren, dat is ouderlingen, zoals blijkt uit Handelingen 20:38, waar de zorg voor de gemeente aan de bisschoppen bevolen wordt en zij ouderlingen genoemd worden. Het blijkt dat het hun zeer leed deed van Paulus te moeten afscheid nemen, vooral omdat hij hun zei dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden, Handelingen 20:38, want deze gemeente was pas kort geleden gesticht, zij gevoelden de zorg voor haar als een te zware taak en daarvoor liet Paulus Timotheus achter om hun leiding te geven. En hier zien wij het kenmerk van een dienaar des Evangelies, wiens plicht het is als bisschop voor te gaan in een bijzondere samenkomst van Christenen: Zo iemand tot een opzienersambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk.
I. De bediening is een werk. Ofschoon de dienst van een bisschop thans beschouwd wordt een grote bevoorrechting te zijn, toen werd hij een treffelijk werk geacht.
1. De dienst van een opziener naar de Schrift is een dienst van goddelijke instelling, en niet van menselijke uitvinding. De bediening is geen schepping van den staat, en het is jammerlijk indien de dienaar te eniger tijd de speelbal van den Staat wordt. De dienst der opzieners bestond in de kerk alvorens de overheid Christelijk werd, want die dienst is een van de grote gaven, welke Christus aan Zijne gemeente heeft geschonken, Efeze 4:8-11.
2. De dienst van een Christelijk opziener is een werk, dat ijver en toewijding vereist, de apostel noemt het hier een werk, niet van grote eer en groot voordeel, want de dienaren moeten altijd meer oog hebben voor hun werk dan voor de eer of het voordeel, die het hun geeft.
3. Het is een goed werk, een werk van het hoogste belang en verricht voor het hoogste goed, de bediening beoogt niets minder dan het leven en de gelukzaligheid van onsterfelijke zielen, het is een goed werk, want het bedoelt de goddelijke volmaaktheden in `t licht te stellen door vele kinderen tot de heerlijkheid te leiden, de bediening is ingesteld om de ogen der mensen te openen, en hen van de duisternis tot het licht te keren, en van de macht des Satans tot God, Handelingen 26:18.
4. Daar moet een ernstige begeerte naar die bediening zijn in hen, die er in gesteld worden, wanneer iemand het begeert moet hij het begeren met het oog op het vooruitzicht om Gode meer heerlijkheid te kunnen geven en de zielen der mensen het meeste goed te doen door dit middel. En daarom wordt bij de bevestiging ook deze vraag gesteld: "Gevoelt gij in uw hart dat gij wettelijk van Gods gemeente en mitsdien van God zelven tot dezen heiligen dienst geroepen zijt?"
II. Teneinde deze bediening waar te nemen en dit werk te verrichten, moet de arbeider wettig aangesteld zijn en wettig bevoegd.
1. Een dienaar moet onberispelijk zijn, er moet geen blaam op hem rusten, hij moet zo min mogelijk aanleiding tot afkeuring geven, omdat dit een vooroordeel tegen zijne bediening zou wekken en zijn werk zou doen afstuiten. 2. Hij moet de echtgenoot zijn van niet meer dan ene vrouw, hij mag niet van ene gescheiden zijn en een andere genomen hebben, en hij mag niet meer dan ene tegelijkertijd hebben, zoals toen maar al te veel de gewoonte was onder Joden en heidenen, vooral onder de heidenen.
3. Hij moet zijn ijverig en waakzaam tegen Satan, dien listigen vijand, hij moet waakzaam zijn over zich zelven en de zielen, die aan zijne zorg toevertrouwd zijn, over welke hij het opzicht heeft, hij moet alle gelegenheden gebruiken om die goed te doen. Een dienaar moet waakzaam zijn, omdat de duivel, onze tegenpartij, omgaat als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden, 1 Petrus 5:8.
4. Hij moet zijn wakker en matig, matig in al zijn handelingen, matig in het gebruik van al het aardse goed. Matigheid en waakzaamheid worden in de Schrift gewoonlijk samen genoemd, omdat ze met elkaar in nauw verband staan. Wees matig, wees ijverig.
5. Hij moet eerbaar zijn, degelijk, zich zelven beheersen, niet lichtzinnig, ijdel en beuzelachtig.
6. Hij moet gaarne herbergende zijn, een open hand voor vreemdelingen hebben, gereed zijn om hen naar zijn vermogen te steunen, als iemand die zijn hart niet op de goederen dezer wereld gesteld heeft, maar vol liefde voor de broederen is.
7. Bekwaam om te leren. Paulus beschrijft hier dus den lerenden ouderling, een die beide bekwaam en gewillig is om aan anderen mede te delen de kennis, die God hem gegeven heeft, een die geschikt is om te onderwijzen en geneigd om alle gelegenheden voor het verstrekken van onderricht te gebruiken, die zelf wel onderwezen is in de dingen van het koninkrijk der hemelen en hetgeen hij weet aan anderen kan meedelen.
8. Niet genegen tot den wijn. Geen dronkaard. De priesters mochten geen wijn drinken wanneer zij ingingen om het altaar te bedienen, Leviticus 10.. 8, 9, opdat zij niet in dronkenschap de wet zouden overtreden.
9. Geen smijter, niet twistziek: niet genegen om tegen iemand geweld te gebruiken, maar alles met zachtheid, liefde en vriendelijkheid doende. Een dienstknecht des Heeren moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens allen, 2 Timotheus 2:24.
10. Geen vuil-gewinzoeker, iemand, die zijn bediening niet gebruikt om eigenbelang en voordeel te bevorderen, die geen lage, gemene, kromme middelen gebruikt om geld te verkrijgen, die dood is voor de weelde der wereld, daar boven verheven is, en dat in zijn leven toont.
11. Hij moet bescheiden zijn, geen vechter, maar van een zachte gemoedsgesteldheid. Christus, de grote Herder en Opziener der zielen, is dat. Hij moet niet toornig en twistziek zijn, niet met de handen slaan maar ook niet met de tong steken, want hoe zal iemand, die zelf niet al wat in zijn vermogen is aanwendt om zijn tong te betomen, anderen leren op hun woorden te passen?
12. Niet geldgierig. Gierigheid is slecht in ieder, maar het slechtst in een dienaar, wiens roeping hem er toe leidt om zoveel met de andere wereld in aanraking te komen. 13. Hij moet iemand zijn, die zijn gezin in goede orde houdt. Die zijn eigen huis wel regeert, opdat hij een goed voorbeeld moge geven aan andere hoofden van gezinnen en opdat hij daarin het bewijs geve van zijn geschiktheid om voor de gemeente Gods te zorgen. Want zo iemand zijn eigen huis niet weet te regeren, hoe zal hij voor de gemeente Gods zorg dragen? De gezinnen van de dienaren moeten goede voorbeelden zijn voor al de andere gezinnen. De dienaren moeten hun kinderen in onderdanigheid houden, want het is de plicht van de kinderen der dienaren om zich te onderwerpen aan de hun gegeven leringen en bevelen. Met alle stemmigheid. De beste weg om ondergeschikten in onderdanigheid te houden, is stemmig met hen om te gaan. Hij moet zijn kinderen in onderdanigheid houden niet met alle gestrengheid, maar met alle stemmigheid.
14. Hij moet geen nieuweling zijn, niet iemand die pas tot het Christelijk geloof gebracht is, of iemand die er slechts oppervlakkig in onderwezen is, die van den godsdienst niet meer weet dan de beginselen, want zo iemand loopt gevaar door hoogmoed opgeblazen te worden, de onwetendste mensen zijn meermalen de hoogmoedigste. Opdat hij niet opgeblazen worde en in het oordeel des duivels valle. De duivel viel door hoogmoed, een goede les voor ons om te waken tegen den hoogmoed, de zonde die engelen in duivelen veranderde.
15. Hij moet ook een goede getuigenis hebben van degenen, die buiten zijn. Zijn vroegere levenswandel moet zonder verwijt zijn, want de duivel zou daar gebruik van maken om anderen te verstrikken, en in hen afkeer te wekken van een Christus, verkondigd door hen, van wie geen goed gerucht uitgaat.
III. Nadat wij zo in bijzonderheden de eigenschappen hebben nagegaan, die in een bedienaar des Evangelies vereist worden, mogen wij wel vragen:
1. Hebben wij geen grote reden om met Paulus uit te roepen: Wie is tot al deze dingen bekwaam? 2 Corinthiërs 2:16. Dit is waarlijk een werk! Hoeveel toewijding, hoeveel voorzichtigheid, hoeveel ijver, hoeveel moed, hoeveel getrouwheid, hoeveel waakzaamheid over ons zelven, onze lusten, begeerlijkheden en hartstochten en over hen, die aan onze zorgen zijn toevertrouwd, hoeveel heilige waakzaamheid, zijn nodig voor dit werk!
2. Hebben niet juist de geschiktste en getrouwste dienaren reden om zich te beklagen, dat er zoveel bekwaamheid nodig is en zoveel werk moet verricht worden? En helaas, hoeveel komen zij tekort in hetgeen zij zijn en doen moesten!
3. Laat evenwel hen God zegenen en dankbaar zijn, die de Heere bekwaamd en waardig geacht heeft, om hen in de bediening te stellen, laat hen God prijzen en verheerlijken indien Hij hen tot zekere hoogte geschikt en getrouw maakt.
4. Tot aanmoediging van alle getrouwe dienaren, hebben wij Christus' genadige belofte: Ziet, Ik ben met u alle de dagen tot aan de voleinding der wereld, Mattheus 28:20. En indien Hij met ons is, zal Hij ons voor ons werk tot zekere mate bekwamen, ons troostvol door Zijn moeilijkheden heenleiden, genadig onze tekortkomingen vergeven, en eens onze getrouwheid belonen met een onverderflijke kroon van heerlijkheid, 1 Petrus 5:4.