Richteren 7:1-8
I. Gideon legt er zich met alle macht op toe om een goed krijgsoverste te zijn, en het leger van Israël tegen de Midianieten aan te voeren. Hij stond vroeg op, vers 1, als een wiens hart in zijn werk was, en vreesde tijd te verliezen. Nu hij er zeker van is, dat God met hem is, is hij afkerig van uitstel. Hij legerde zich bij een vermaarde fontein, opdat zijn leger geen gebrek zou hebben aan water, en hij nam het hoger terrein in, dat mogelijk een voordeel voor hem was, want de Midianieten waren beneden in het dal. Geloof in Gods beloften moet ons niet verslappen, maar juist aanvuren in onze pogingen. Als wij er zeker van zijn, dat God voor ons aangezicht heengaat, dan moeten wij ons best doen, alle krachten inspannen, 2 Samuël 5:24.
II. God voorziet er in dat de lof voor de te behalen overwinning volstrekt en uitsluitend aan Hem toegebracht zal worden, door te bepalen dat slechts drie honderd man voor deze dienst gebruikt zullen worden. Het leger bestond uit twee en dertig duizend man-een klein leger in vergelijking van het aantal krijgers, dat Israël voor zo'n gewichtige zaak op de been had kunnen brengen, en een zeer klein leger in vergelijking met het leger, dat nu door de Midianieten te velde was gebracht. Gideon was geneigd zijn aantal krijgslieden te gering te vinden, maar God komt tot hem en zegt hem, dat er te veel volk is, vers 2, niet dat zij niet wel gedaan hebben met zich vrijwillig aan te bieden voor deze veldtocht, maar God achtte het goed om niet van allen, die kwamen, gebruik te maken. Wij bevinden dikwijls dat God door weinig handen grote dingen tot stand brengt, maar dit was de enige keer, dat Hij de weinigen opzettelijk nog minder maakte. Had Debora onlangs hen gelaakt die niet gekomen zijn tot de hulp des Heeren en moeten dan toch bij de volgende grote krijgsverrichting weggezonden worden, die wel gekomen zijn? Ja.
1. God wilde hiermede tonen dat Hij, als Hij werktuigen gebruikt in Zijn dienst, hen toch niet nodig heeft, maar Zijn werk ook zonder hen afkan, zodat Hij hun niet verplicht is voor hun dienst, maar zij aan Hem, dat Hij hen wil gebruiken.
2. Hiermede wilde Hij hen beschamen, wegens hun lafhartigheid, die zich gedwee aan de Midianieten hadden onderworpen, en hen niet durfden weerstaan vanwege het onevenredige van hun aantal. Thans zagen zij dat, zo zij zich slechts van de gunst Gods hadden verzekerd, één van hen duizend verjaagd zou hebben.
3. Hiermede wilde Hij alle roemen tot zwijgen brengen en uitsluiten, dat is de reden hier gegeven door Hem, die de hoogmoed kent van het menselijk hart, opdat zich Israël niet tegen Mij beroeme. Terecht wordt hun de eer onthouden van de dienst, die aan God de eer niet wilden geven van het welslagen. Mijn hand heeft mij verlost is een woord, dat nooit uit de mond moet komen van hen, die verlost zullen worden. Die roemt, roeme in de Heere, en alle vlees moet zwijgen voor Zijn aangezicht.
Op tweeërlei wijze heeft God hun aantal verminderd.
A. Hij gaf bevel dat allen, die zichzelf als vreesachtig en week van hart zouden bekennen ontslagen zouden worden, vers 3. Gideon was nu gelegerd op een berg, dicht bij de vijand, genaamd het gebergte Gileads, naar de stamvader van deze geslachten van Manasse die aan deze zijde van de Jordaan gevestigd waren, Numeri 26:30. En vandaar konden zij wellicht de talrijke scharen zien van de vijand aan diegenen dus, aan wie op dat gezicht de moed ontzonk, werd vrijheid gegeven om terug te gaan, indien zij dit wilden. Er was een wet om zulk een afkondiging te doen, Deuteronomium 20:8. Maar Gideon heeft misschien gedacht, dat deze wet slechts betrekking had op die oorlogen, welke ter uitbreiding van hun landgrenzen ondernomen werden, niet voor zulke als dezen, die ter noodzakelijke verdediging gevoerd werd tegen een aanvaller, daarom zou Gideon deze afkondiging niet gedaan hebben, indien God het hem niet had bevolen, die wist hoe zijn krijgsmacht hierdoor zou verminderd worden. Lafaards zouden na de overwinning even zeker als wie ook, de eer er van aan God ontnemen, en daarom wilde God hun de eer niet aandoen van er hen voor te gebruiken. Men zou gedacht hebben dat er nauwelijks een Israëliet zou gevonden worden, die zich tegenover zo'n vijand als de Midianieten en onder zo'n legerhoofd als Gideon, vreesachtig zou bekend hebben, toch hebben meer dan twee derden van het leger zich de proclamatie ten nutte gemaakt om af te marcheren toen zij de sterkte van de vijand en hun eigen zwakheid zagen, geen acht slaande op de verzekeringen van de Goddelijke tegenwoordigheid die hun generaal van de Heere had ontvangen en hun waarschijnlijk had meegedeeld. Sommigen denken dat de verdrukking, waaronder zij zo lang gebukt gingen, hun moed had ternedergeslagen, anderen, en met meer waarschijnlijkheid, dat de bewustheid van hun schuld aan allen de moed had ontnomen. De zonde staarde hen aan, en daarom durfden zij de dood niet onder de ogen zien. Mensen die vreesachtig en week van hart zijn, zijn niet geschikt voor de dienst van God en onder hen, die onder de banier van Christus staan ingeschreven, zijn er meer van de zodanigen dan wij denken.
B. Hij gebood dat ook al de overigen, op drie honderd man na afgedankt zouden worden, en Hij deed het door een teken. Nog is er te veel volk om door Mij gebruikt te worden, vers 4. Zie hoezeer Gods gedachten en wegen hoger zijn dan de onze. Gideon zelf heeft waarschijnlijk gedacht, dat zij met te weinigen waren, hoewel er toen toch nog zovelen waren als waarmee Barak Sisera slag heeft geleverd, Hoofdstuk 4:14, en indien hij zich niet door het geloof een weg had gebaand door deze ontmoediging heen, dan zou hij zelf teruggedeinsd zijn voor het gevaarvolle van de onderneming, en zo goed hij kon de terugtocht hebben aanvaard. Maar God zei: Er is te veel volk, en toen zij tot op een derde verminderd waren, was er nog te veel volk hetgeen ons kan helpen om die leidingen van Gods voorzienigheid te begrijpen, die soms de kerk en haar belangen schijnen te verzwakken, haar vrienden zijn te velen, te talrijk, te machtig, te wijs, dan dat God verlossing door hen werkt. God neemt maatregelen om hen te verminderen, opdat Hij verhoogd worde in Zijn sterkte.
Gideon krijgt bevel om zijn soldaten te doen afgaan naar het water, waarschijnlijk naar de fontein van Harod, vers 1, en de rivier, die er uit ontsprong. Hij, of iemand door hem daartoe aangesteld, moest opmerken hoe zij dronken. Wij moeten veronderstellen, dat zij allen dorst hadden en geneigd waren om te drinken. Waarschijnlijk zei hij hun, dat zij zich moesten bereiden om slag te leveren, en dat wel terstond, daarom moeten zij zich verkwikken en verfrissen, niet verwachtende dat zij daarna iets anders te drinken zouden krijgen dan het bloed van hun vijanden.
a. Sommigen ongetwijfeld wel de meesten, zullen nu op hun knieën nederknielen om te drinken, hun mond in het water steken, zoals de paarden, om aldus volle teugen te hebben.
b. Anderen zullen er niet zoveel omslag mee maken maar zoals een hond het water oplikt met zijn tong, zullen zij een weinig water in de holte van hun hand nemen, en er hun mond mee verkoelen, en dan heengaan. Van deze laatsten waren er niet meer dan drie honderd, die zo in van de haast dronken, en God zegt aan Gideon, dat hij door deze de Midianieten zal verslaan, vers 7. Door de eerste schifting bleven er alleen kloeke mannen over, die besloten hadden het uiterste te doen om Israëls vrijheid te herkrijgen, maar door deze nadere schifting werd er in voorzien, dat geen anderer gebruikt zouden worden dan:
Ten eerste. Mannen, die gehard waren, die langdurige vermoeienissen konden doorstaan, zonder te klagen over dorst en vermoeidheid, in wie noch traagheid noch weelde huisde.
Ten tweede. Mannen die spoed maakten, aan wie de tijd lang viel eer zij slaags raakten met de vijand, de dienst van God en hun land verkiezende boven hun nodige verkwikking of verfrissing. God verkiest gebruik te maken van de zodanigen, die niet slechts goed gezind, maar ijverig zijn voor een goede zaak. Ook omdat deze de minsten in aantal waren, en dus het minst in staat waren om het werk te doen, waartoe zij bestemd waren, wilde God door hen Israël verlossen. Het was een grote beproeving van het geloof en de moed van Gideon, dat God hem gebood om al de overigen van het volk, behalve deze drie honderd man, een ieder naar zijn plaats te laten gaan, dat is: te gaan waarheen zij wilden buiten zijn bereik en van onder zijn bevel. Toch kunnen wij veronderstellen dat dezen, die van harte de zaak waren toegedaan, hoewel zij nu op zij gezet werden, niet ver buiten zijn gehoor zullen gegaan zijn, maar bereid waren de slag op te volgen, nadat de drie honderd hun aanval hadden gedaan, ofschoon dit niet vermeld is.
Zo verwonderlijk was Gideons leger gezuiverd en geformeerd en verminderd, inplaats van versterkt en aangevuld te zijn, zoals het, naar men zou denken, voor zo groot een krijgsbedrijf nodig was. Laat ons nu zien, hoe dit kleine, onaanzienlijke regiment, waarop al de zwaarte van de strijd zou neerkomen, gewapend en toegerust was. Indien deze driehonderd mannen vergezeld waren geweest van wapendragers en dienaren, en gewapend waren geweest met zwaard en spies, wij zouden gedacht hebben dat zij mogelijk wel iets uitgericht konden hebben. Maar, inplaats van hen dienstiger te maken door hun toerusting, worden zij minder dienstig gemaakt. Want:
1. Iedere krijgsknecht wordt zoetelaar, zij namen de teerkost in hun hand, vers 8, lieten hun bagage achter, ieder man belastte zich met zijn eigen mondbehoeften, hetgeen een beproeving was van hun geloof, of zij op God konden vertrouwen als zij niet meer mondbehoeften hadden dan zij mee konden dragen en een op-de-proefstelling van hun vlijt en naarstigheid of zij zoveel wilden meedragen als zij nodig hadden. Dit was nu in waarheid een leven van de hand in de tand.
2. Ieder krijgsknecht wordt trompetter. De afgedankte regimenten hadden hun bazuinen achtergelaten ten gebruike van de drie honderd mannen, die, inplaats van met krijgswapenen, daarmee voorzien werden, alsof zij veeleer op een spel dan op een strijd uitgingen.