Jeremia 17:12-18
Wij vinden hier, gelijk meermalen tevoren de profeet zich terugtrekkende in persoonlijke overdenking, "alleen met God." Predikers des Evangelies, die hun werk met zegen willen verrichten, moeten dat dikwijls doen. In zijn omgang met God en zijn eigen hart neemt hij de vrijheid, zoals vrome zielen wel meer in hun alleenspraak, van het een op het ander over te springen, zonder zich strikt aan wetten van methode en logica te binden.
I. Hij erkent de grote gunst van God jegens Zijn volk, door hun een geopenbaarde godsdienst te schenken en hen met goddelijke instellingen te begiftigen, vers 12 :Een troon van de heerlijkheid, een hoogheid van het eerste aan, is de plaats van ons Heiligdom. De tempel te Jeruzalem, waar God Zijn bijzondere tegenwoordigheid wilde openbaren, waar zijn orakels werden gegeven, waar het volk zijn Koning tegemoet trad, en waar het in ellende heenvluchtte, was de plaats van hun Heiligdom. Dat was een troon van de heerlijkheid. Het was een troon van de heiligheid, die het waarlijk heerlijk maakte. Jeruzalem heette de stad van de grote Koning, niet alleen van Israëls Koning, maar van de Koning van de gehele aarde, zodat Jeruzalem terecht mocht genoemd worden de hoofdstad, de metropolis, de koninklijke stad van de gehele wereld. "Het was zo van het eerste aan, van de eerste bouwplannen van David en de bouw zelf door Salomo aan," 2 Kronieken 2:9. Het was Israëls ere, dat God zo'n troon van de heerlijkheid onder hen had opgericht. "Een heerlijke en hoge troon (dit is de hemel) is de plaats van ons Heiligdoms," zo lezen sommigen die woorden. Zie, alle goeden stellen op hoge prijs en vereren de ordeningen Gods en achten de plaats des heiligdoms een troon van de heerlijkheid en van de hoogheid. Jeremia vermeldt zulks of als een pleiten bij God om genade voor zijn land, ter ere van de "troon van Zijn heerlijkheid," Hoofdstuk 14:21, of als een verzwaring van de zonde zijns volks, als het God verliet, of schoon Zijn troon in hun midden was en dus Zijn troon en de plaats Zijns Heiligdoms ontheiligde.
II. Hij erkent Gods rechtvaardigheid, wanneer Hij het verderf brengt over degenen, die Hem hebben verlaten en hun verbond met Hem verbroken, vers 13. Hij spreekt voor de Heere uit, dat hij zowel de onvermijdelijkheid als de rechtmatigheid van Gods oordelen bijvalt: "o Heere, Israëls verwachting, van hen namelijk die, U aanhangen, allen, die u verlaten, zullen beschaamd worden." Dat kan niet anders, want zij verlaten u voor leugenachtige ijdelheid, die hen zal bedriegen en beschamen. Zij zullen terecht beschaamd worden, want zij hebben Hem verlaten, die alleen hen kon steunen wanneer zij in druk kwamen. "Laat hen beschaamd worden (zo lezen sommigen), en dan is het een rechtvaardig inroepen van goddelijke wraak of een smeken om genade, omdat ze zich berouwvol schamen". "Die van Mij afwijken, van Gods Woord, dat ik hun heb gepredikt", wijken inderdaad van God af, gelijk zij, die tot God terugkeren, gezegd worden tot de profeet terug te keren, Hoofdstuk 15:19. "Die van U afwijken, (zo leest men ook wel) zullen in de aarde geschreven worden". Zij worden weldra uitgewist als hetgeen in het stof geschreven staat. Zij worden vertreden en van de verachting prijsgegeven. Zij behoren tot de aarde en worden onder de aardse lieden geteld, die hun schat op aarde hebben en wier namen niet "geschreven zijn in de hemelen". Zij verdienen dus met de dwazen in Israël gerekend te worden, opdat hun dwaasheid openbaar worde, omdat zij "de Heere, de springader des levenden waters, verlaten hebben." Bronwater verlaten voor gebroken bakken. Zie, voor allen, die de Zijnen zijn, is God "de springader des levenden waters." Er is in Hem een volheid van troost een overvloeiende, een altijd vloeiende volheid, als van een fontein, immer fris, en herder en zuiver als bronwater, terwijl de vermaken van de zonde morsige plassen zijn. Iedereen mag er gebruik van maken, het is geen verzegelde fontein. Zij verdienen derhalve hun oordeel, gelijk Adam, rode aarde, waaraan zij door de verdorvenheid hunner natuur verwant zijn, omdat zij "de hof des Heeren verlaten hebben, die zo welbesproeid is. Zij, die God verlaten, zijn in de aarde geschreven."
III. Hij bidt God om genezende, reddende barmhartigheid voor zichzelf. Indien het er voor hen, die God verlaten, zo slecht bij staat, laat mij dan nabij U wezen, Psalm 73:27, 28 en daarom: "genees mij, vers 14. Heel mijn afdwalingen, mijn geneigdheid om af te dwalen, bewaar mij dat ik niet met de stroom meegesleept worde om u te verzaken." Hij was om menigerlei oorzaak in zijn gemoed diep gewond. Heere, genees mij met Uw heil en geef mij rust. Onophoudelijk was de profeet blootgesteld aan de boosheid van de onredelijke mensen. Heere, "behoud mij en laat mij niet in hun goddeloze handen vallen". "Genees mij, dat is: heilig mij door Uwe genade, behoud mij, dat is: voer mij in Uw heerlijkheid". Wie hiernamaals behouden wordt, wordt hier geheiligd, als niet zijn ziel gereinigd wordt van de ziekte van de zonde, kan hij niet leven. Om deze bede aan te dringen, pleit hij,
1. Met zijn vaste geloof op Gods macht: "Genees mij, zo zal ik genezen worden, " als Gij mijne genezing onderneemt, zal ze gewis slagen, het zal geen half werk, maar volkomen genezing zijn. Zij, die tot God komen om genezen te worden, moeten een onbepaald vertrouwen stellen op de onbegrensde wetenschap en macht van de groten Medicijnmeester. "Behoud mij, zo zal ik behouden worden", hoe dreigend gevaren en vijanden mij ook aanvallen. Indien God ons ondersteunt, zullen wij leven, als Hij ons beschermt, zijn wij veilig.
2. Met zijn oprechte begeerte naar Gods verheerlijking: "Want Gij zijt mijn lof, en daarom wens ik genezen en behouden te worden. Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven," Psalm 119:175. Gij zijt het, die ik prijs, en de lof, die U toekomt, geef ik geen ander. Gij zijt het, in Wien ik mij beroem, want op U verlaat ik mij. Gij zijt het, die mij voortdurend reden geeft, U te loven, en ik heb U geloofd voor alle gunsten, die Gij mij hebt geschonken. "Gij zult mijn lof zijn," zoals sommigen lezen, genees mij, behoud mij, en Gij zult daardoor verheerlijkt worden. "Mijn lof is bestendiglijk van U", Psalm 71:6, 79:13.
IV. Hij beklaagt zich over de trouweloosheid en de onbeschaamde goddeloosheid des volks, tot hetwelk Hij predikt. Dat verontrust hem grotelijks, en hij klaagt Gode die nood, als een dienaar, die blaam inoogst van de gasten die hij moest gaan uitnodigen, terugkomt en zijn heer al die dingen toont. Hij had hun getrouwelijk Gods boodschap overgebracht, en welk antwoord moest hij wederbrengen? Zie, zij zeggen tot mij: Waar is het woord des Heeren? Laat het nu komen, vers 15, Jesaja 5:19. Zij spotten met de profeet en schertsen met wat hij in grote ernst hun verkondigt.
1. Zij ontkennen de waarheid van zijn boodschap: "Indien gij het woord des Heeren hebt gesproken, waar is het dan?" Waarom gaat het niet in vervulling? Zo wordt Gods geduld nog onbeschaamd misbruikt om zijn waarachtigheid in twijfel te trekken.
2. Zij lachen om de schrik van wat Hij zegt. Laat God de Almachtige het ergste doen, laat alles gebeuren wat Hij gezegd heeft, het zal ons nog wel gaan, de leeuw is niet zo boos als gedreigd wordt, Amos 5:18. Heere, waartoe dient het, tot mensen te spreken, die noch geloven noch vrezen?
V. Hij beroept zich op God aangaande zijn trouwe plichtsvervulling, vers 16. Het volk deed alles wat het kon om hem zijn werk verdrietig te maken, om hem tot een uiterste te drijven, zijn rust weg te nemen en hem te verleiden van ontrouw aan zijn boodschap uit vrees van zijn broeders te behagen. Heere, zegt hij, Gij weet, dat ik hun niet toegegeven heb.
1. Hij bleef in zijn arbeid volharden. Zijn dienst, in plaats van hem ere en bescherming te bezorgen, stelde hem integendeel aan verwijt, verachting en belediging bloot. "Toch, zegt hij, als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, " ik heb mijn arbeid niet verlaten, noch gesmeekt ervan ontheven te worden. Profeten waren herders voor het volk, om ze met het goede woord Gods te voeden, maar zij waren herders naar Gods hart, en dat moeten alle predikers zijn, Hoofdstuk 3:15, Hem volgen en de aanwijzingen en voorschriften, die Hij geeft. Zulk een herder was Jeremia, en al ontmoette hij zoveel moeilijkheden en ontmoediging als iemand anders, toch ontvluchtte hij de Heere niet gelijk Jona, noch bad hij, van verdere dienst vrijgesteld te worden. Zie, wie door God gebruikt worden, moeten, al beantwoordt de uitslag niet aan hun verwachtingen, daarom hun taak niet laten varen, maar voortgaan God te volgen, al slaat de storm hen ook in `t gelaat.
2. Hij behield zijn genegenheid voor het volk. Of schoon zij hem miskenden, bleef hij medelijden jegens hen koesteren: "ik heb naar de dag van de smarten niet verlangd." De dag, waarop zijn profetie zou vervuld worden, zou voor Jeruzalem inderdaad een dag van weedom zijn, en daarom betreurde hij die en wenste, dat die nimmer komen mocht, of schoon het voor hem zelf de wraak zou zijn over zijn vervolgers en het bewijs, dat hij een waar profeet geweest was, (wat zij betwijfeld hebben, vers 15). Om die redenen kon hij naar die dag verlangd hebben. Zie, God begeert niet, en dus mogen Zijn dienaren ook niet begeren, de dood van de zondaars, maar dat zij zich bekeren en leven. Ofschoon wij waarschuwen tegen de dag van de vergelding, mogen wij daarnaar niet wensen, maar moeten er liever over treuren, gelijk Jeremia heeft gedaan.
3. Hij hield zich nauwgezet aan Gods bevelen. Of schoon hij gunst bij het volk mocht verdiend of althans hun ongenoegen vermeden hebben, door zijn verwijten minder scherp en zijn bedreigingen minder ernstig te maken, toch bracht hij zijn boodschap getrouw over, en dat was hem een grote troost. "Heer, Gij weet het. Wat uit mijn lippen gegaan is, is voor Uw aangezicht geweest, het stemde nauwkeurig overeen met wat ik van U had gehoord, en daarom wanneer zij met mij twisten, gaat dat U aan." Let hierop: indien wat wij zeggen en doen recht is voor God, dan kunnen wij beschuldigingen en verwijten van mensen licht dragen. Het is weinig, door hun oordeel geoordeeld te worden.
Vl. Hij bidt nederig van God, dat die hem handhaaft en beschermt, en hem bekwaamt om blijmoedig voort te gaan in het werk, waartoe God hem zo duidelijk had geroepen en waaraan hij zich zo oprechtelijk had gewijd. Twee dingen begeert hij hier:
1. Dat hij troost moge hebben in de dienst van God die hem heeft gezonden, vers 17. Wees Gij mij niet tot een verschrikking. Zeker is hier meer bedoeld dan gezegd. "Wees Gij mijn troost en laat Uw gunst mijn hart verheugen en mij bemoedigen, wanneer mijn vijanden alles doen om mij te verschrikken en mij van mijn arbeid af te trekken of mij die moeilijk te maken." Zie, ook de besten zijn onvolmaakt, zodat God terecht een verschrikking voor hen kan zijn, zoals Hij soms voor Job is geweest, Hoofdstuk 6:4, voor Asaf, Psalm 77:4, voor Heman, Psalm 88:15. "En dit is wat rechtvaardigen, wetende de schrik des Heeren, meer de iets anders vrezen en zoeken te ontgaan, ja welke vreselijke omstandigheden hen ook overvallen en hoe geducht hun vijanden hen aangrijpen, zij behouden goeden moed, zolang God geen verschrikking voor hen is. Hij pleit: Gij zijt mijne Toevlucht, en dan vrees ik niets anders, ten dage des kwaads, wanneer het kwaad mij prest of benauwt. Mijn vertrouwen zijt Gij, daarom wees geen verschrikking voor mij." Zie, zij, die door het geloof op God hun vertrouwen stellen, zullen Hem tot hun troost hebben in de allerslechtste tijd, als het niet hun eigen schuld is, als wij in Hem ons betrouwen hebben zullen wij Hem geen verschrikking vinden.
2. Dat hij moed mocht hebben, als hij tot het volk gezonden werd, vers 18. Wie hem moesten onderhouden en bemoedigd hebben, vervolgden hem. "Heere, zegt hij, laat hen verschrikt worden (laat hen overwonnen worden door de overtuigende kracht van Uw woord en beschaamd over hun hardnekkigheid, of anders, laat de aangekondigde oordelen eindelijk vervuld worden), maar laat mij niet verschrikt worden, laat mij niet bevreesd worden door hun dreigementen, zodat ik Uw vertrouwen zou beschamen." Zie, Gods dienaren hebben een taak te volbrengen, waarover zij noch beschaamd noch bevreesd behoeven te zijn, maar zij hebben nodig, door goddelijke genade gesterkt te worden om zonder vrees of schaamte voort te gaan. Jeremia had de dag van de ellende voor zijn vaderland niet gewenst, maar wat zijn vervolgers aangaat, in een rechtvaardige en heilige verontwaardiging bidt hij: "Breng over hen de dag des kwaads." In de hoop, dat hun oordeel het oordeel over het gehele land mocht ophouden, indien zij weggenomen werden, mocht het land misschien bewaard blijven, daarom "verbreek ze met een dubbele verbreking, laat ze geheel en al verbroken worden, met wortel en tak, en laat het vooruitzicht dier verbreking hen nu reeds ontzetten." Dit bidt de profeet, volstrekt niet om zelf gewroken te worden, noch om rust te vinden, maar opdat de Heere bekend moge worden door de oordelen, die Hij over hen brengt.