23. Maar het land, dat beangstigd was (
Vers 21), zal niet gans verduisterd worden; gelijk als Hij het in den eersten tijd 1) verachtelijk gemaakt heeft, naar het land van Zebulon aan, en naar het land van Nafthali aan, alzo heeft Hij het in het laatste heerlijk gemaakt, naar den weg zeewaarts aan, gelegen over den Jordaan, aan Galilea der heidenen 2) het noordelijk gedeelte van het rijk der tien stammen.
1) De Profeet heeft het oog op den zwaren nood, veroorzaakt door de koningen Pul, Tiglath-Pilezer en Salmanasser, 2 Koningen 15:19 v. 29; 17:3, over de noordelijke stammen door verdrukking van hun land en kudde. 2) Dit vers heeft betrekking op het slot van Vers 20, waarin over een na de duisternis van den naderenden tijd der bezoeking aanbrekenden dageraad gesproken wordt, en beschrijft dien dageraad als wel het eerst over dat deel des Joodsen lands aanbrekende, dat te voren het diepst vernederd en het meest duister was. Deze opvatting, bij welke met dit vers een nieuw hoofdstuk begint, en de inleiding vormt van den inhoud der volgende verzen, wordt als de alleen ware door de aanhaling van deze plaats, Mattheus 4:12, en de vervulling in Christus Jezus, die Zijne openbare prediking in Galilea aanving en daar het meest geleerd heeft, bekrachtigd. Volgens deze moet dit vers worden vertaald, gelijk wij het boven aan Hoofdstuk 9 geven.
In het gemeen wordt de heerlijkheid weer tweezins voorgesteld en als langs een tweeërlei trap. De eerste trap daartoe zou zijn, dat hun beangst land nog niet gans zou verduisterd worden. De tweede, dat het in plaats van verachtelijk, heerlijk gemaakt zou worden. Het eerste ziet op hun verlossing uit de Babylonische gevangenis na zeventig jaren, zonder het welk het laatste niet gebeuren zou. Het laatste op de komst van Jezus in het vlees onder hen in Kanaän, daar het zo heerlijk doorgemaakt zou worden. Er zou eens een tijd komen, waarin het Licht der wereld, de Zon der gerechtigheid, alsdan eens luisterrijk zou opgaan en in vollen glans zijne heerlijke stralen vertonen.