Mattheus 4:12-17
Wij hebben hier het bericht van Christus' prediken in de synagogen van Galilea, want Hij is in de wereld gekomen om een Prediker te zijn. De grote zaligheid, die Hij gewrocht heeft, is Hij zelf begonnen te verkondigen. Hebreeën 2:3, om aan te tonen, hoe zeer Zijn hart daarin was, en het onze er in behoort te zijn. Verscheidene passages in de andere Evangeliën, inzonderheid in dat van Johannes, in de volgorde der geschiedenis van Christus' leven, worden verondersteld te zijn voorgevallen tussen Zijne verzoeking en Zijne prediking in Galilea. De eerste maal dat Hij verscheen na Zijne verzoeking, was toen Johannes de Doper Hem aanwees, zeggende: Zie het lam Gods, Johannes 1:29. Daarna is Hij opgegaan naar Jeruzalem voor het Pascha, Johannes 2, had Hij Zijn gesprek met Nicodemus, Johannes 3, met de Samaritaanse vrouw, Johannes 4 en toen keerde Hij terug naar Galilea, en predikte aldaar. Doch Mattheus, die zijne woonplaats had in Galilea, begint zijn verhaal van Christus' openbare bediening met Zijne prediking aldaar, waarvan wij hier het bericht hebben. Merk op:
I. Den tijd, Als nu Jezus gehoord had, dat Johannes overgeleverd was, toen is Hij wedergekeerd naar Galilea, vers 12. Het geroep van het lijden der heiligen komt tot de oren van den Heere Jezus. Als Johannes in de gevangenis is geworpen, hoort Jezus het, neemt er kennis van, en richt er Zijne handelingen naar. Hij gedenkt der gevangenen, en de beproevingen, die Zijn volk wachten. Merk nu op:
1. Christus ging niet naar het land voordat Hij hoorde van de gevangenneming van Johannes, want er moet hem tijd gegeven worden om den weg des Heeren te bereiden, voordat de Heere zelf verschijnt. De voorzienigheid heeft wijselijk verordineerd, dat het licht van Johannes verduisterd werd eer Christus in Zijn volle licht ging schijnen, want anders zou het hart der mensen tussen hen verdeeld zijn geraakt, de een zou gezegd hebben: Ik ben van Johannes, en een ander: Ik ben van Jezus. Johannes moet Christus' voorloper, niet Zijn mededinger zijn. Maan en sterren verdwijnen, als de zon opkomt. Johannes had zijn werk gedaan door den doop der bekering, en toen werd hij ter zijde gelegd. De getuigen werden gedood, nadat zij hun getuigenis geëindigd hadden, niet eerder, Openbaring 11:7.
2. Dat Hij terstond naar het land ging, zodra Hij van Johannes' gevangenneming hoorde, niet slechts ter Zijner eigene veiligheid, wetende, dat de Farizeeën in Judea evenzeer vijanden waren van Hem, als Herodes het was van Johannes, maar ook om te voorzien in de ledige plaats van Johannes, en om te bouwen op het goede fundament, dat hij gelegd had. God zal zich niet zonder getuigen laten blijven, en Zijne kerk niet zonder leidslieden, als Hij het ene nuttige werktuig wegneemt, dan kan Hij een ander oprichten, want hij heeft des Geestes overig, en Hij zal het doen, indien Hij werk te doen heeft. Mozes, Mijn knecht, is gestorven, Johannes is in de gevangenis geworpen, daarom nu, Jozua, sta op, Jezus, verhef U.
II. De plaats waar Hij predikte: in Galilea een afgelegen deel des lands, dat het verst verwijderd was van Jeruzalem, en dáár met minachting werd beschouwd, als ruw en onbeschaafd. De inwoners dier streek werden kloekmoedige mensen geacht, geschikt om krijgslieden te zijn, maar het waren gene beschaafde, wellevende mensen, gene geleerden. Daarheen ging Christus, dáár richtte Hij de banier op van Zijn Evangelie, en hierin, evenals in andere dingen, heeft Hij zich zelven vernederd. Merk op: 1. De bijzondere stad, die Hij zich ter woonplaats koos. Niet Nazareth, waar Hij opgevoed was, neen, Hij verliet Nazareth. Daar wordt bijzonder melding van gemaakt, vers 13. En om goede redenen heeft Hij Nazareth verlaten, want de mannen dier stad wierpen Hem uit, Lukas 4:29. Hij heeft hun het eerst Zijn dienst aangeboden, maar zij hebben Hem en Zijne leer verworpen, en waren vervuld van toorn tegen Hem en tegen Zijne leer, en daarom verliet Hij Nazareth, en schudde het stof van Zijne voeten tot een getuigenis tegen hen, die niet wilden, dat Hij hen zou onderwijzen. Nazareth was de eerste plaats, die Christus afwees, on die daarom afgewezen werd door Hem. Het is rechtvaardig in God om de middelen der genade te ontnemen, aan hen, die ze minachten en verwerpen. Christus zal niet lang blijven, waar Hij niet welkom is. Ongelukkig Nazareth! Indien gij had bekend in dezen uwen dag wat tot uwen vrede dient, hoe wèl zou het met u geweest zijn! Maar nu is het verborgen voor uwe ogen. Maar Hij is komen wonen te Kapernaum, ene stad in Galilea op slechts weinige mijlen afstand van Nazareth, ene grote en veel bezochte stad. Hier wordt gezegd, dat zij aan de zee was gelegen, niet aan de Grote Zee, maar aan de zee van Tiberias, een binnenlands water, ook wel het meer van Gennesareth geheten. Dicht bij de plaats, waar de Jordaan zich in deze zee stort, stond Kapernaum, in den stam van Nafthali, maar op de grens van Zebulon, dáár kwam Christus, en dáár woonde Hij. Sommigen denken, dat Zijn pleegvader Jozef er ene woning had, anderen dat Hij er een huis, of ten minste ene woning, huurde, en sommigen achten het meer waarschijnlijk, dat Hij er woonde in het huis van Simon Petrus. Hij hield er echter gene vaste verblijfplaats, want Hij ging het land door, goeddoende: maar gedurende enigen tijd had Hij er Zijn hoofdkwartier gevestigd. Het weinigje rust, dat Hij genoot, was hier, hier had Hij ene plaats, schoon het niet zijn eigene plaats was, om Zijn hoofd neer te leggen. En te Kapernaum scheen Hij welkom, en vond er een beter onthaal dan te Nazareth. Indien sommigen Christus verwerpen, anderen zullen Hem aannemen en welkom heten. Kapernaum is blijde met hetgeen Nazareth verwerpt. Indien Christus' eigene landslieden niet vergaderd worden, zal Hij toch worden verheerlijkt. "En gij, Kapernaum! dat tot den hemel toe verhoogd zijt, wees wijs, en beken den tijd uwer bezoeking."
2. De profetie, die hierin vervuld werd, vers 14-16. Zij is aangehaald uit Jesaja 9:1, 2, maar met ene wijziging. In die plaats voorzegt de profeet ene groter duisternis van beproeving, die over de versmaders van EMMANUEL komen zou, dan gekomen is over de landen, aldaar vermeld, hetzij in hun eerste gevangenschap onder Benhadad, die slechts licht was, 1 Koningen 15:20, of in hun tweede gevangenschap onder den Assyriër, die veel zwaarder was, 2 Koningen 15:29. De straf over de Joodse natie wegens hare verwerping van het Evangelie, zal zwaarder zijn, dan die beide, zie Jesaja 8:21, 22, want deze veroverde plaatsen ontvingen nog enige verlevendiging in hare gevangenschap en hebben wederom een groot licht aanschouwd, Hoofdstuk 9.
3. Dit is Jesaja's zin en betekenis, maar de Schrift heeft velerlei vervulling, en de evangelist neemt hier slechts de laatste zinsnede, welke spreekt van het wederkeren van het licht, van vrijheid en voorspoed tot die landen, die in de duisternis der gemeenschap waren gehuld, en hij past het toe op de verschijning van het Evangelie onder hen. De plaatsen, waarvan gesproken wordt, vers 15.
Het land Zebulon wordt terecht gezegd gelegen te zijn aan de zee, want Zebulon was ene haven der schepen, en zal zich verheugen over zijn uittocht, Genesis 49:13, Deuteronomium 33:18. Van Nafthali was gezegd, dat hij schone woorden geeft, Genesis 49:21, en verzadigd zal zijn van goedgunstigheid, Deuteronomium 33:23, want van hem begon het Evangelie, schone woorden voorwaar! en zulke, die Gods verzadigende gunst brengen tot de ziel. Ook wordt het land over de Jordaan vermeld, want daar vinden wij somwijlen Christus predikende, en Galilea der Heidenen, opper Galilea, waar de Heidenen heengingen voor handel en verkeer, en waar zij met de Joden vermengd raakten, hetgeen aanduidt, dat er voor de arme Heidenen goedertierenheid is weggelegd. Toen Christus te Kapernaum kwam, kwam het Evangelie tot al die omliggende plaatsen, zulk een verspreidende invloed ging er uit van de Zon der Gerechtigheid. Ten opzichte nu van de inwoners dezer plaatsen, merk op:
a. Hun toestand, waarin zij waren, eer het Evangelie onder hen kwam, zij waren allen in duisternis. Zij die zonder Christus zijn, zijn in duisternis, ja zij zijn de duisternis zelf, gelijk de duisternis, die op den afgrond was. Zij zaten in het land en schaduw des doods, dat niet slechts grote duisternis te kennen geeft, zoals het graf een land van duisternis is, maar ook groot gevaar. Een mens, die zeer ziek is, en waarschijnlijk niet herstellen zal, is in het dal van de schaduw des doods, hoewel hij nog niet dood is, zo waren die arme mensen aan den rand des verderfs, hoewel nog niet in het verderf- dood naar de wet. En wat nog het ergste is, zij zaten in dien toestand. Zitten is ene houding die voortdurend aanduidt, waar wij zitten, zijn wij voornemens te blijven, zij waren in duisternis, en zullen dit waarschijnlijk blijven, daar zij er aan wanhopen een weg te vinden om er uit te komen. En het is ene houding van tevredenheid, zij waren in duisternis, en zij hadden de duisternis lief, zij hadden haar liever dan het licht, zij wilden onwetend zijn. Hun toestand was treurig, het is nog heden de toestand van vele grote en machtige volken, aan welke gedacht moet worden met medelijden, en voor welke gebeden moet worden. Maar hun toestand is treuriger, die te midden van het Evangelie-licht in duisternis zijn gezeten. Wie in duisternis is, omdat het nacht is, kan er zeker van zijn, dat de zon weldra zal opkomen, maar wie in duisternis is, omdat hij blind is, zal niet zo spoedig geopende ogen hebben. Wij hebben het licht, maar wat zal het ons baten, indien wij geen licht zijn in den Heere?
b. Het voorrecht, hun geschonken, toen Christus en Zijn Evangelie in hun midden kwam. Het was ene herleving zo groot, als ooit licht was voor een reiziger, die door den dacht is overvallen. Als het Evangelie komt, dan komt licht, als het tot enigerlei plaats, of tot enigerlei ziel komt, dan maakt het dáár dag, Johannes 3:19, Lukas 1:78, 79. Licht is ontdekkend, licht is leidend, en dat is het Evangelie ook. Het is een groot licht, de helderheid en de klaarblijkelijkheid aantonende van de Evangelieopenbaringen, niet als het licht ener kaars, maar als het licht der zon, als zij uitgaat in hare kracht. Groot in vergelijking met het licht der wet, waarvan de schaduwen nu wegvielen. Het is een groot licht, want het ontdekt grote dingen, die van het alleruiterste belang zijn, het zal lang duren en zich ver verspreiden. En het is een toenemend licht, hetwelk te kennen wordt gegeven door het woord opgegaan. Het was voor hen slechts het aanbreken van den dag, nu is de dag aangebroken, die later zal wezen voortgaande en lichtende. Evenals een mostaardzaadje, of als het morgenlicht, was het Evangelie-koninkrijk klein in zijn aanvang, gradueel in zijne toeneming, maar groot in zijne volkomenheid. Merk op, dat het licht hun is opgegaan, zij zijn niet uitgegaan om het te zoeken, de zegeningen dezer goedheid zijn hun voorgekomen. Het kwam tot hen, eer zij er zich van bewust waren, ter bestemder tijd, door de beschikking van Hem, die den morgenstond gebiedt, den dageraad zijne plaats aanwijst, opdat hij de einden der aarde zou vatten, Job 38:12, 13.
III. De tekst, waarover Hij predikte, vers 17.
Van toen aan, dat is: van Zijne komst in Galilea, in het land van Zebulon en Nafthali, van toen aan begon hij te prediken. Te voren had Hij in Judea gepredikt, en had vele discipelen gemaakt en gedoopt, Johannes 4:1, maar Zijne prediking geschiedde niet zo in het openbaar, en was niet zo aanhoudend, als zij nu begon te wezen. Het werk der Evangeliebediening is zo groot en zo ontzaglijk, dat het goed en gepast is om er trapsgewijze mede voort te gaan. Het onderwerp, waarover Christus thans in Zijne prediking handelde, (en dat ook de hoofdsom en inhoud uitmaakte van geheel Zijne prediking) was hetzelfde, waarover Johannes ge- predikt had, Hoofdstuk 3:2. Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen, want in zijn wezen, en onder de verschillende bedelingen is het Evangelie gelijk, de geboden zijn gelijk, en de redenen, om er kracht aan bij te zetten, zijn gelijk. Een engel uit den hemel waagt het niet een ander Evangelie te prediken, Galaten 1:8, en zal dit prediken, want het is het eeuwig Evangelie. Vreest God, en geeft Hem, door berouw en bekering, heerlijkheid, Openbaring 14:6, 7. Christus heeft de prediking van Johannes zeer geëerd, door over hetzelfde onderwerp te prediken, waarover Johannes te voren gepredikt had. Hierdoor toonde Hij, dat Johannes Zijn bode, Zijn gezant was, want toen Hij zelf de boodschap bracht, was het dezelfde, die Hij door hem had gezonden. Aldus heeft God het woord van Zijn bode bevestigd, Jesaja 44:26. De Zoon kwam met dezelfde boodschap, waarmee de dienstknechten gekomen waren, Hoofdstuk 21:37, om vruchten te zoeken, vruchten der bekering waardig. Christus was in den schoot des Vaders, en zou verhevene denkbeelden hebben kunnen prediken over Goddelijke en hemelse dingen, die de geleerde wereld verschrikt en in spanning zouden gehouden hebben, maar Hij kiest dezen ouden, eenvoudigen tekst: Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Daarover predikte Hij het eerst, Hij begon er mede. De bedienaren van het Evangelie moeten de eerzucht niet koesteren om nieuwe denkbeelden te berde te brengen, nieuwe plannen op touw te zetten, of nieuwe uitdrukkingen te verzinnen, zij moeten tevreden zijn met eenvoudige, praktische zaken, met het woord, dat nabij ons is, in onzen mond, in ons hart. Wij behoeven niet op te klimmen in den hemel, of neer te dalen in den afgrond, om de stof, of de taal te vinden voor onze prediking. Gelijk Johannes den weg van Christus bereidde, zo heeft Christus zich zelf den weg bereid, en een' weg gebaand voor de verdere ontdekkingen, die Hij voornemens was met de leer der bekering. Zo iemand dit deel van Zijn wil wil doen, die zal meer weten, of bekennen, van Zijne leer, Johannes 7:17. Hierover predikte Hij dikwijls wáár Hij ook ging. Dit was Zijn onderwerp, en noch Hij, noch Zijne volgelingen hebben het ooit versleten geacht, gelijk zij, die ketelachtig zijn van gehoor, en die meer houden van nieuwheid en afwisseling, dan van hetgeen waarlijk stichtelijk is. Datgene wat reeds te voren gepredikt en gehoord is, kan met grote nuttigheid nog eens gepredikt en gehoord worden, maar dan moet het beter gepredikt en beter gehoord worden, en met nieuwe aandoening des harten. Wat Paulus te voren gezegd had, zegt hij wederom wenende, Filippenzen 3:1, 18. Dit predikte Hij als Evangelie: "Bekeert u, herziet uwen weg, keert weer." De leer der bekering is ware Evangelie-leer. Niet slechts de strenge Doper, die men als een stuurs, zwartgallig man beschouwde, maar de liefdevolle zachtmoedige Jezus, van wiens lippen honing druppelde, predikte bekering, want het is een onuitsprekelijk voorrecht, dat er nog plaats is voor berouw. De reden is nog dezelfde: Het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen, want het werd nog niet geacht geheel en al te zijn gekomen, voordat na Christus, hemelvaart de Geest was uitgestort. Meer dan een jaar te voren had Johannes gepredikt en gezegd, dat het koninkrijk der hemelen nabij was gekomen, thans was het nog veel meer nabij, het argument was des te sterker, de zaligheid is ons nu nader, Romeinen 13:11. Thans behoren wij zo veel te meer opgewekt te zijn om onzen plicht te doen, als wij zien, dat de dag nadert, Hebreeën 10:25.