Jesaja 59:9-15
De bedoeling van deze verzen is dezelfde als die van de voorgaande, en wel om aan te tonen dat de zonde de grote bedriegster is die altijd onheil brengt, dat zij het goede van ons weert en het kwade over ons haalt. Maar gelijk daar door de profeet tot het volk gesproken wordt in Gods naam, om het tot overtuiging en verootmoediging te brengen, opdat God gerechtvaardigd worde als Hij spreekt en oordeelt, zo wordt hier, naar het schijnt tot God gesproken door het volk, als een erkenning van hetgeen hun gezegd was, en als uitdrukking van hun nederige onderwerping aan en erkenning van de gerechtigheid en heiligheid Gods in Zijn handelingen met hen hun onbesneden harten zijn hier, naar het schijnt min of meer verootmoedigd en zij worden tot belijdenis gebracht, de erkenning wordt eindelijk hun ontperst dat God rechtvaardig met hen in tegenheid gewandeld heeft, omdat zij in tegenheid wandelden met Hem.
I. Zij erkennen dat God met hen getwist en in tegenheid gewandeld heeft. Hun toestand was zeer bedroevend, vers 9, 10,11.
1. Zij waren in droefenis, vertrapt en verdrukt door hun vijanden, onrechtvaardig behandeld, met hardheid geregeerd, en God verscheen niet om hun rechtvaardige en verongelijkte zaak te handhaven. Daarom is het recht verre van ons en de gerechtigheid achterhaalt ons niet. Ofschoon wij tegenover onze vervolgers er zeker van zijn dat wij het recht aan onze zijde hebben en dat zij kwaaddoeners zijn, worden wij niet verlicht en gerechtvaardigd. Wij hebben jegens elkaar geen recht gedaan en daarom duldt God dat onze vijanden ons nu onrechtvaardig behandelen, en zijn wij er zo ver als ooit van verwijderd dat wij in ons recht hersteld en in ons eigendom herplaatst zijn. Verdrukking is nabij en het recht ver van ons, onze vijanden weigeren onze toestand behoorlijk in overweging te nemen, maar benauwen ons voortdurend met het geweld van hun onderdrukking, en de gerechtigheid achterhaalt ons niet om ons uit hun handen te verlossen.
2. Hierdoor werden hun verwachtingen treurig teleurgesteld, waardoor hun toestand zoveel erger werd. Wij wachten op het licht, gelijk wachters op de morgen, maar zie, er is duisternis, wij kunnen niet het geringste teken onderscheiden dat de dag van onze verlossing zal aanbreken. Wij wachten naar recht, maar daar is geen vers 11. Zomin God als een mens verschijnt tot onze hulp. Wij zien uit naar redding, omdat God die beloofd heeft, en wij hebben er met vasten om gebeden, wij zien er naar uit als naar de dageraad, maar zij is verre van ons, zover dat wij er niets van kunnen onderscheiden, en wij wandelen nog in de duisternis. Hoe hoger onze verwachtingen waren, zoveel pijnlijker is onze teleurstelling.
3. Zij waren ten einde raad om zichzelf te helpen, vers 10, Wij tasten naar de wand gelijk de blinden, wij zien geen weg ter ontkoming open, en weten die niet te vinden. Indien wij de ogen sluiten voor het licht van de goddelijke waarheid, is het rechtvaardig van God dat Hij de dingen die tot onze vrede dienen voor onze ogen verbergt, en wanneer wij onze ogen niet gebruiken zoals het behoort, ons te doen zijn alsof wij geen ogen hadden. Die hun plicht niet zien willen, zullen ook hun belang niet zien. Zij, die God rechtvaardig met zo'n blindheid straft, worden vreemdsoortig beïnvloed, zij stoten zich op de middag als in de schemering, zij zien zomin de gevaren als de voordelen waarvan zij omringd zijn. Die de duisternis liever hebben dan het licht, zullen er mee gestraft worden. 4. Zij verzonken in wanhoop en werden door het leed overmand, ieder droeg daarvan de tekenen in zijn uiterlijk, zij werden er neerslachtig onder, vermeden gezelschap, verlangden naar de eenzaamheid. Wij zijn in de woeste plaatsen, gelijk de doden. De toestand van de Joden in de Babylonische gevangenschap werd voorgesteld door "droge en dorre beenderen", Ezechiël 37:1, die plaats verklaart deze uitdrukking vers 11. Onze hoop is vergaan en onze verwachting is afgesneden. In deze wanhopige toestand was het gedrag van de een luidruchtig en onrustig, "zij bromden gelijk de beren," en van de ander stil, droevig en ingetrokken "zij kirden gelijk de duiven." Gelijk de duiven van de valleien beweenden zij hun ongerechtigheden, Ezechiël 7:16, en hun ongeluk. Aldus erkenden zij dat de hand des Heeren tegen hen uitgestrekt was.
II. Zij erkenden dat zij God getergd hadden door aldus met Hem te twisten, dat Hij recht gedaan had omdat zij goddeloos gehandeld hadden, verzen 12-15.
1. Zij belijden dat zij gezondigd hebben, en dat zij tot op deze dag in grote overtredingen waren, gelijk Ezra zegt, Hoofdstuk 10:7. Onze overtredingen zijn bij ons, de schuld daarvan rust op ons, wij zijn nog niet bekeerd, wij hebben nog van onze zonden geen afstand gedaan, ofschoon zij ons zoveel leed berokkend hebben, ja onze overtredingen zijn vermenigvuldigd, zij zijn talrijker en afschuwelijker de vroeger. Waarheen wij ons ook werden, overal zien wij ze, alle plaatsen en alle rangen van mensen zijn er mee beignet. Het gevoel van onze overtredingen is bij ons, gelijk David zei: Mijn zonden zijn steeds voor mij. Zij zijn te duidelijk en te openbaar om ontkend of verborgen te worden, te slecht om verontschuldigd of vergoelijkt te worden, God is een getuige er tegen, zij zijn voor Hem, in Zijn gezicht, onder Zijn oog vermenigvuldigd. Wij zijn getuigen tegen onszelf, wij kennen onze ongerechtigheden, ofschoon wij zo menigmaal dwaselijk getracht hebben ze te bedekken. Zij zelf zijn getuigen tegen ons, zij staren ons in het gelaat en klagen ons aan, zo veelvuldig en zo bezwarend zijn zij.
2. Zij erkennen het grote kwaad en de boosaardigheid, die er in de zonden, in hun zonden zijn. Het is overtreden en liegen tegen de Heere, vers 13. De zonden van hen, die belijden dat zij Gods volk zijn en Zijn naam dragen, zijn daarom erger dan die van anderen-in hun overtreden liegen zij tegen de Heere, dat is: zij beschuldigen Hem valselijk, zij vertegenwoordigen Hem verkeerd en beliegen Hem, alsof Hij hen hard en onredelijk behandeld had. Of verraderlijk breken zij het verbond met Hem en vervalsen hun heiligste en plechtigste verbintenissen met Hem. Dat is liegen tegen God en achterwaarts wijken van Hem, aan Wien wij verplicht zijn, en Dien wij met ons gehele hart moeten aanhangen. Van Hem hebben wij ons gescheiden als oproerige onderdanen van hun wettigen vorst, en gelijk de overspelige vrouw van de leidsman harer jeugd en het verbond van haar God.
3. Zij erkennen dat er een algemeen verval van de gewone eerlijkheid is, en dat is niet vreemd, want zij, die vals zijn jegens hun God, zullen niet eerlijk zijn jegens elkaar. Zij spreken van onderdrukking en verklaren zich rondweg daarvoor, ofschoon dat opstand tegen God en opstand tegen de waarheid is door wier heilige verplichtingen wij ons altijd gebonden moeten achten. Zij bedachten en spraken woorden van valsheid, menig slecht woord wordt in het hart gedacht, maar daar zorgvuldig opgesloten, zonder dat men het verder wil laten gaan, maar deze zondaars waren zo onbeschaamd en roekeloos, dat zij alle kwaad, hetwelk zij bedachten, ook uitspraken, en er niet tegen opzagen het in het openbaar te zeggen. Een slecht ding denken is erg, maar het uitspreken is veel erger. Menig vals woord is in haast bij gebrek aan overleg uitgesproken, maar deze woorden werden overdacht en gezegd, met boosaardigheid en kwade bedoeling uitgesproken. Het waren woorden van valsheid en toch worden ze gezegd door het hart geuit te zijn, omdat zij zozeer verschilden van de ware gevoelens des harten en daarom zo vals waren, want zij kwamen overeen met de boosaardigheid en slechtheid van het hart en waren zijn natuurlijke taal, zij waren dubbelhartig, Psalm 12:3. Zij die door de genade Gods zich vrijgehouden hadden van deze zware misdaden, sluiten zichzelf toch in bij deze belijdenis van zonden, omdat zij leden waren van het volk, dat zo algemeen bedorven was.
4. Zij erkennen dat niet gedaan was hetgeen had moeten gedaan worden tot hervorming van het land en om terecht te brengen hetgeen verkeerd was, vers 14. Het recht, dat behoorde voorwaarts te gaan en alle tegenstand neer te werpen, dat gelijk een rivier, gelijk een machtige stroom behoorde te vloeien, is achterwaarts gekeerd, dus de tegenovergestelde weg op, het recht is in zijn bediening de bescherming van het grootste onrecht geworden, het recht dat de vooruitgang van bedrog en geweld moest stuiten, is teruggedreven en de zonde gaat overwinnend voort. De gerechtigheid staat van verre, zelfs in de gerechtshoven, die zo vervuld zijn met verdedigers van het onrecht en verdrukking dat het recht niet kan naderen, geen toegang tot het hof heeft, niet gehoord worden kan, en op generlei wijze beschermd wordt. De gerechtigheid heeft geen plaats in hun onrechtvaardige uitspraken, Hoofdstuk 10:1. De waarheid struikelt op de straten en blijft daar liggen om door elke trotse voet vertrapt te worden en zij kan nergens een vriend vinden, die haar de hand reiken wil om haar overeind te helpen. Ja, de waarheid ontbreekt in de gewone omgang en in de handel tussen de man en zijn naasten, zodat niemand weet wat hij geloven mag en op wie hij vertrouwen kan.
5. Zij belijden dat in aller hart vijandschap tegen de godvrezenden de boventoon veerde. Hij die het kwade doet, blijft ongestraft, maar wie van het kwade wijkt, stelt zich tot een roof voor deze roofdieren, die vroeger beschreven werden. De man die niet doet gelijk zij doen maakt zich daardoor schuldig en zij behandelen hem als een vijand omdat hij aan hun misdaden niet deelnemen wil. Hij die niet met hen meedoet wordt voor krankzinnig aangezien, zo lezen sommigen het, eenvoudige zonderlingheid wordt als krankzinnigheid beschouwd, en die tegen de stroom in roeit, ziet men voor een gek aan.
6. Zij erkennen dat dit God in de hemel ten sterkste moest mishagen. Het kwaad was voor Zijn aangezicht bedreven, zij wisten het zeer goed, ofschoon zij niet genegen waren te erkennen dat de Heere het zag. Ofschoon het zeer in het geheim bedreven en met allerlei mooie voorwendsels bedekt werd, kon het niet verborgen zijn voor Zijn alziende ogen. Alle goddeloosheid, die in de wereld is, ligt naakt en geopend voor de ogen van de alziende God. En evenals Hij te helder ziet om het kwaad niet te ontdekken, zo is Hij te rein van ogen om het te zien met de minste goedkeuring of vergunning. Hij zag het en het mishaagde Hem, Hij ontzette Zich, want Hij zag het bij Zijn eigen belijdend volk. Het was kwaad in Zijn ogen dat er geen recht was, Hij zag de zondigheid van al die zonden, en het ergste was dat er geen recht was en geen hervorming. Had Hij daarvan enig teken gezien, dan zou Hij, hoewel die zonden Hem zeer mishaagden, spoedig met de zondaren verzoend zijn geworden hij hun terugkeer van hun boze weg. De zonden van een volk worden nationaal en brengen algemene oordelen indien zij niet door publieke gerechtigheid betoomd worden.