Johannes 16:7-15
Gelijk het de gewoonte was der Oud Testamentische profeten om de kerk onder hare rampen te vertroosten met de belofte van den Messias, Jesaja 9:6, Micha 5:5, Zacheria 3:8, zo was, na de komst van den Messias, de belofte des Geestes de grote hartsterking, en zij is dit nog heden. Wij hebben hier drie dingen betreffende de komst van den Trooster.
I. Dat voor de komst des Troosters het heengaan van Christus volstrekt noodzakelijk was, vers 7. De discipelen waren zo ongenegen dit te geloven, dat Christus er reden toe zag om het met meer dan gewone plechtigheid te verzekeren: Ik zeg u de waarheid. Wij kunnen verzekerd wezen van de waarheid van alles wat Christus ons gezegd heeft, Hij heeft de bedoeling niet ons te misleiden. Om hen nu gerust te stellen, zegt Hij hun:
1. In het algemeen, dat het hun nut was, dat Hij heen zou gaan. Dat was een vreemde leer, maar indien zij waar was, dan was zij ook troostrijk, en toonde hun hoe ongerijmd hun droefheid was. Het is nuttig, niet alleen voor Mij, maar ook voor u, dat Ik heenga, hoewel zij dit nu niet inzien, en ongenegen zijn het te geloven, is het niettemin toch waar. Die dingen schijnen ons dikwijls smartelijk, die ons in werkelijkheid nuttig zijn, inzonderheid ons heengaan, als wij onzen loop voleindigd hebben, Onze Heere Jezus is immer voor hetgeen ons het nuttigst is, of wij dit al of niet denken. Hij handelt niet met ons naar de dwaasheid onzer eigen keuze, maar bestuurt haar naar Zijne genade, en geeft ons de medicijn, waarvan wij afkerig zijn, omdat Hij weet dat zij goed voor ons is.
2. Het was hun nut, omdat het was ten einde den Geest te zenden. Merk nu op:
a. Dat het heengaan van Christus nodig was voor de komst van den Trooster. Dit wordt ontkennender wijze uitgedrukt: Indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen. Waarom niet? Ten eerste. Omdat het aldus in den raad Gods was vastgesteld. Hij, die vrijwillig geeft, kan de ene gave herroepen eer hij de andere schenkt, maar wij zouden ze wel gaarne allen willen houden. Ten tweede. Het is zeer voegzaam, dat de buitengewone gezant teruggeroepen wordt, eer de gezant komt, die blijven moet als resident. Ten derde. Het zenden van den Geest was de vrucht van de verlossing door Christus aangebracht, welke verlossing aangebracht werd door Zijn dood, en dat was Zijn heengaan. Ten vierde. Het moest het antwoord wezen op Zijne voorbede binnen den voorhang, zie Hoofdstuk 14:16. Aldus moest voor deze gave zowel betaald als gebeden worden door onzen Heere Jezus, opdat wij haar des te meer op prijs zouden stellen. Ten vijfde. Het grote argument, dat de Geest zal aanwenden ter overtuiging van de wereld, moet de hemelvaart van Christus wezen en Zijne verwelkoming aldaar, zie vers 10, en Hoofdstuk 7:39. Eindelijk. De discipelen moesten aan Zijn lichamelijke tegenwoordigheid gespeend worden, waaraan zij al te zeer gehecht waren, eer zij behoorlijk toebereid konden worden om de geestelijke hulp en vertroosting ener nieuwe bedeling te ontvangen. Het wordt uitgedrukt in stelligen, bevestigenden zin: Indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden", alsof Hij gezegd had: "Hebt vertrouwen in Mij, dat Ik er volkomen in voorzien zal, dat gij door Mijn heengaan niets verliest". De verheerlijkte Verlosser vergeet Zijne kerk op aarde niet, en nooit zal Hij haar zonder den nodigen steun laten. Hij gaat wel heen, maar Hij zendt den Trooster, ja Hij gaat heen ten einde Hem te zenden. Zo ook heden: het ene geslacht van leraren en Christenen gaat wel heen, maar een ander geslacht wordt verwekt in zijne plaats, want Christus zal Zijne zaak in stand houden. b. Dat de tegenwoordigheid van den Geest van Christus zo veel beter en begerenswaardiger is dan Zijn lichamelijke tegenwoordigheid, dat het ons werkelijk nut was, dat Hij zou heengaan om den Trooster te zenden. Zijn lichamelijke tegenwoordigheid kon slechts aan ene plaats en op een tijd wezen, maar Zijn Geest is overal, aan alle plaatsen, in alle tijden, overal waar twee of drie in Zijn naam vergaderd zijn. Christus' lichamelijke tegenwoordigheid trekt der mensen ogen, Zijn Geest trekt hun harten, deze was de letter die doodt, Zijn Geest maakt levend.
II. Dat de komst des Geestes volstrekt noodzakelijk was om Christus' belangen op aarde te bevorderen, vers 8:En die gekomen zijnde, elthoon ekeinos. Hij, die gezonden is, is zelf gewillig om te komen, en bij Zijn eerste komst zal Hij dit doen: Hij zal de wereld overtuigen, door uwe bediening, van zonde, en van gerechtigheid en van oordeel.
1. Zie hier wat het ambt des Geestes is, en op welke boodschap Hij is uitgezonden.
a. Om te bestraffen . Door het woord en door de consciëntie is de Geest een bestraffer, leraren zijn door hun ambt bestraffers, en door hen bestraft de Geest.
b. Om te overtuigen. Dat is een rechtsterm, en duidt op het ambt van den rechter, als hij ene opsomming geeft van de bewijzen, en ene zaak die lang in onderzoek is geweest en waarover lang gediscuteerd werd, in een waar en helder licht stelt. Hij zal overtuigen, dat is: "Hij zal de tegenstanders van Christus en van Zijne zaak tot zwijgen brengen, door het valse en leugenachtige te ontdekken en aan te tonen van hetgeen zij hebben aangevoerd, en de waarheid en zekerheid van hetgeen zij hebben tegengestaan." Het werk van overtuiging is het werk des Geestes, Hij kan het krachtdadig, afdoend, en niemand dan Hij, de mens kan wel de zaak openen of blootleggen, maar alleen de Geest kan het hart openen. De Geest wordt de Trooster genoemd, vers 7, en hier wordt gezegd: Hij zal overtuigen. Men zou denken, dat dit een schrale troost is, maar het is de methode, door den Geest aangewend, om eerst te overtuigen, en dan te vertroosten, eerst de wond bloot te leggen, en dan de genezende medicijn aan te wenden. Of, overtuiging in meer algemenen zin nemende voor aanwijzing van hetgeen recht is, geeft het te kennen, dat de vertroostingen des Geestes degelijk zijn en op waarheid gegrond.
2. Zie, wie het zijn, die Hij zal bestraffen en overtuigen: De wereld, zowel de Joodse als de heidense.
a. Hij zal aan de wereld de krachtigste middelen ter overtuiging geven, want de apostelen zullen heengaan in de gehele wereld, ondersteund door den Geest, om het Evangelie te prediken, dat ten volle bewezen is.
b. Hij zal genoegzaam voorzien voor het wegnemen en tot zwijgen brengen van de tegenwerpingen en vooroordelen der wereld tegen het Evangelie. Menig ongelovige werd van allen overtuigd en van allen geoordeeld, 1 Corinthiërs 14:24.
c. Hij zal velen in de wereld krachtiglijk en zaligmakend overtuigen, sommigen in iedere eeuw, aan elke plaats, ter hunner bekering tot het geloof van Christus. Dit nu was ene bemoediging voor de discipelen met betrekking tot de moeilijkheden, die zij op hun weg zullen ontmoeten: Dat zij zullen zien, dat er goed gedaan wordt. Satans rijk zal als een bliksem uit den hemel vallen, hetgeen hun vreugde zal zijn, zoals het de Zijne was. Zelfs op deze boosaardige wereld zal de Geest werking doen, en de overtuiging van zondaren is de troost van getrouwe leraren. Dat dit de vrucht zal zijn van hun dienst en van hun lijden, welke zeer veel tot dit goede werk zullen bijdragen.
3. Zie, waarvan de Geest de wereld zal overtuigen.
a. Van zonde, vers 9, omdat zij in Mij niet geloven. De Geest is gezonden om de zondaren te overtuigen van zonde, niet bloot om er hun van te spreken: in overtuiging is meer dan dat opgesloten, het is haar voor hen te bewijzen, hen te noodzaken haar te bekennen, zoals zij, Hoofdstuk 8:9, die van hun geweten overtuigd waren. De Geest overtuigt van het feit der zonde, dat wij zo en zo gedaan hebben, van de schuld der zonde, dat wij, door dit te doen, kwaad gedaan hebben, van de dwaasheid der zonde, dat wij tegen rede en verstand hebben gehandeld en tegen ons waar belang, van de onreinheid der zonde, dat wij er afzichtelijk door zijn geworden in Gods oog, van de bron der zonde: de verdorven natuur, en eindelijk: van de vrucht der zonde, dat het einde er van de dood is. De Geest toont de verdorvenheid en de ontaarding aan van de gehele wereld, Hij toont dat de gehele wereld schuldig is voor God. In Zijn overtuigen legt de Geest voornamelijk het zwaartepunt op de zonde van ongeloof, van hun niet geloofd hebben in Christus. Ten eerste. Als de grote heersende zonde. Er was, en is, ene wereld van mensen, die niet in Jezus Christus geloven, en zij zijn er zich niet van bewust, dat dit hun zonde is. Het natuurlijk geweten zegt hun, dat moord en diefstal zonde zijn, maar het is een bovennatuurlijk werk des Geestes om hen er van te overtuigen, dat het zonde is dat zij hun geloof aan het Evangelie opschorten en de zaligheid verwerpen, die het Evangelie aanbiedt. Nadat de natuurlijke Godsdienst ons zijn beste ontdekkingen en aanwijzingen heeft gegeven, legt hij ons en laat hij ons onder de verdere verplichting, dat wij alle Goddelijke openbaringen, die ons te eniger tijd gedaan worden, met genoegzame bewijzen dat zij Goddelijk zijn, zullen aannemen, en er ons aan zullen onderwerpen. Deze wet wordt door diegenen overtreden, die, als God tot ons spreekt door Zijn Zoon, Hem, die spreekt, verwerpen, en daarom is het zonde.
Ten tweede. Als de grote verderf-aanbrengende zonde. Elke zonde is dit in haren aard, gene zonde is dit voor hen, die in Christus geloven, zodat het het ongeloof is, dat de zondaren veroordeelt. Het is daarom, dat zij niet kunnen ingaan tot de ruste, dat zij den toorn Gods niet kunnen ontvlieden, het is ene zonde tegen het geneesmiddel. Ten derde. Als hetgeen op den bodem is van alle zonde, aldus wordt het door Calvijn opgevat. De Geest zal de wereld overtuigen, dat de ware reden, waarom de zonde over hen heerst, is, dat zij niet door het geloof met Christus zijn verenigd. "Laat ons niet denken, dat er, zonder Christus, een greintje rechtheid in ons is", zegt Calvijn.
b. Van gerechtigheid, omdat Ik tot Mijn Vader heenga, en gij zult Mij niet meer zien, vers 10. Wij kunnen dit verstaan: Van Christus' persoonlijke gerechtigheid. Hij zal de wereld overtuigen, dat Jezus van Nazareth Christus de Rechtvaardige was, 1 Johannes 2:1, gelijk de hoofdman over honderd erkend heeft, Lukas 23:47:Waarlijk, deze mens was rechtvaardig. Zijne vijanden hebben Hem onder de zwartste kleuren geschilderd, Hem de slechtste hoedanigheden toegeschreven, en grote menigten hadden geen andere overtuiging, of wilden geen andere overtuiging hebben, dan dat Hij een slecht mens was, hetgeen hen stijfde in hun vooroordeel tegen Zijne leer, maar Hij is gerechtvaardigd door den Geest, 1 Timotheus 4:16. Hij is bewezen een rechtvaardige te zijn, en niet een bedrieger, en hiermede is het pleit gewonnen, want Hij is of de grote Verlosser, of een grote bedrieger, maar wij zijn er zeker van dat Hij geen bedrieger is. Door welk middel of argument nu zal de Geest de mensen van de oprechtheid van den Heere Jezus overtuigen? Ten eerste. Hun niet meer zien van Hem zal iets bijdragen tot het wegnemen van hun vooroordelen: zij zullen Hem niet meer zien in de gelijkheid des zondigen vlezes, in de gestaltenis van een dienstknecht, waardoor zij Hem hebben geminacht. Mozes werd meer geëerbiedigd na zijn heengaan dan tevoren. Maar, ten tweede. Zijn heengaan tot den Vader zal er een volkomen overtuiging van zijn. De komst des Geestes, overeenkomstig de belofte, was een bewijs van Christus' verhoging aan de rechterhand Gods, Handelingen 2:33, en dit was een in het licht stellen van Zijne gerechtigheid, want de heilige God zou nooit een bedrieger aan Zijne rechterhand doen zitten. Van Christus' gerechtigheid, meegedeeld aan ons ter onzer rechtvaardigmaking en zaligheid, welke de Messias zou aanbrengen, Daniël 9:27. Nu zal: Ten eerste. De Geest de mensen overtuigen van deze gerechtigheid. Daar Hij hun, door de overtuiging van zonde, hun behoefte aan gerechtigheid heeft aangetoond, zal Hij, opdat zij niet tot wanhoop zouden vervallen, hun nu aantonen, waar die gerechtigheid te verkrijgen is, en hoe zij op hun geloof vrijgesproken kunnen worden van schuld, en aangenomen kunnen worden als rechtvaardig in Gods oog. Het was moeilijk om diegenen van deze gerechtigheid te overtuigen, die hun eigen gerechtigheid zochten op te richten, Romeinen 10:3, maar de Geest zal het doen.
Ten tweede. Christus' hemelvaart is het grote argument, geschikt om de mensen van deze ongerechtigheid te overtuigen, omdat Ik tot Mijn Vader heenga, en, als bewijs van Mijn welkom bij Hem, zult gij Mij niet meer zien. Indien Christus enig deel van Zijn werk onafgedaan had gelaten, Hij zou teruggezonden zijn, maar nu wij er zeker van zijn, dat Hij aan de rechterhand Gods is, zijn wij er ook zeker van, dat wij door Hem gerechtvaardigd zijn.
c. Van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is, vers 11. Merk hier op: De duivel, de overste dezer wereld, was geoordeeld, was ontdekt als een groot bedrieger en verderver, en als zodanig had hij zijn oordeel of vonnis reeds ten dele moeten ondergaan. Hij was buiten geworpen uit de heidense wereld, toen zijne orakelen tot zwijgen werden gebracht en zijne altaren verlaten werden, hij was in den naam van Christus uitgeworpen uit het lichaam van velen, en deze wondermacht bleef nog lang aanhouden in de kerk. Hij was door de genade Gods, medewerkende met het Evangelie van Christus, uitgeworpen uit de zielen der mensen, hij is als een bliksem uit den hemel gevallen. b. Dat is een goed argument, waarmee de Geest de wereld overtuigt van oordeel, dat is: Ten eerste. Van een aanklevende heiligheid of heiligmaking, Mattheus 12:18. Uit het oordeel van den overste dezer wereld blijkt, dat Christus sterker is dan Satan, hem kan ontwapenen en uit de bezitting verdrijven, en Zijn troon kan oprichten op de bouwvallen van den zijne. Ten tweede. Van een nieuwe en betere bedeling. Hij zal aantonen, dat Christus' werk in deze wereld bestond in er de dingen terecht te zetten, tijden van hervorming en wedergeboorte in te leiden, en Hij bewijst dit hiermede, dat de overste dezer wereld, de grote meester van wanorde en wanbestuur, geoordeeld en uitgeworpen is. Alles zal wel zijn, wanneer zijne macht verbroken is, die al het kwaad heeft teweeggebracht.
Ten derde. Van de macht en heerschappij van den Heere Jezus. Hij zal de wereld overtuigen, dat Hem al het oordeel is overgegeven, en dat Hij de Heere is van allen, hetgeen hieruit blijkt, dat Hij den overste dezer wereld geoordeeld heeft, den kop der slang heeft vermorzeld, tenietgedaan heeft degene, die het geweld des doods had, en de overheden en machten heeft uitgetogen. Indien Satan aldus door Christus is ten onder gebracht, dan kunnen wij er zeker van wezen, dat geen andere macht voor Hem bestand is. Ten vierde. Van den laatsten dag des oordeels, met al de hardnekkige vijanden van Christus, Evangelie en koninkrijk zal ten laatste voorzeker afgerekend worden, want de duivel, hun aanvoerder, is geoordeeld. III. Dat de komst des Geestes voor de discipelen zelven een onuitsprekelijk groot voordeel zal wezen. De Geest heeft werk te doen, niet alleen aan de vijanden van Christus, om hen te overtuigen en te verootmoedigen, maar aan Zijne dienstknechten en agenten, om hen te onderwijzen en te vertroosten, en daarom "was het hun nut, dat Hij zou weggaan".
1. Hij doet hen gevoelen welk een teder besef Hij had van hun tegenwoordige zwakheid, vers 12, Nog vele dingen heb Ik u te zeggen (niet, die gezegd hadden moeten worden, maar die Hij zou hebben kunnen en willen zeggen), doch gij kunt die nu niet dragen. Zie welk een Leraar Christus is.
a. Er is niemand als Hij, ten opzichte van overvloedigheid, als Hij reeds veel gezegd heeft, heeft Hij nog zeer veel meer te zeggen, schatten van wijsheid en kennis zijn in Hem verborgen, wij zijn niet nauw in Hem, als wij slechts niet nauw zijn in ons zelven.
b. Niemand is Hem gelijk in mededogen: Hij zou hun meer gezegd hebben van de dingen, die bij God te doen waren, inzonderheid omtrent de verwerping der Joden en de roeping der heidenen, maar zij konden het niet dragen, het zou hen in verwarring en verlegenheid hebben gebracht veeleer, dan hun enigerlei voldoening hebben gegeven. Toen zij, na Zijne opstanding, Hem spraken van het koninkrijk aan Israël op te richten, verwees Hij hen naar de komst des Heiligen Geestes, waardoor zij de kracht zouden erlangen om de ontdekkingen te dragen, die zo strijdig waren met hun opgevatte denkbeelden, dat zij ze nu niet konden dragen.
2. Hij verzekert hun van genoegzame hulp bij de uitstorting des Heiligen Geestes. Zij waren zich nu wel bewust van grote stompzinnigheid en velerlei vergissingen, en wat zullen zij dan doen, als hun Meester hen verlaat? Maar wanneer die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, dan zult gij gerust wezen, en alles zal wel zijn. Ja waarlijk wèl, want Hij zal het ondernemen de apostelen te leiden, en Christus te verheerlijken.
a. De apostelen te leiden. Hij zal zorg dragen dat zij niet afdwalen van den weg. Hij zal u leiden: gelijk het leger Israël's door de woestijn geleid werd door de wolk- en vuurkolom. De Geest bestuurde hun pen in het schrijven, ten einde hen voor fouten en vergissingen te behoeden. De Geest is ons tot Leidsman gegeven, Romeinen 8:14, niet slechts om ons den weg te wijzen, maar om ons te geleiden door Zijn voortdurende hulp en invloed. Hij zal hen in alle waarheid leiden, zoals de bekwame loods het schip in de haven leidt. Om geleid te worden in ene waarheid is meer dan haar alleen maar te kennen, het is om er innig mede vertrouwd en uit ervaring er mede bekend te zijn, om er Godvruchtig en krachtig door te worden bewogen, niet slechts om er het begrip van te hebben in ons hoofd, maar er den geur, den smaak en de kracht van te hebben in ons hart, het duidt een trapsgewijze ontdekking aan van de waarheid, die al meer en meer schijnt en licht. Hij zal u door de waarheden, die eenvoudig en duidelijk zijn, leiden tot die, welke moeilijker te verstaan zijn. Maar hoe in alle waarheid? De bedoeling is: Ten eerste. In de gehele waarheid betreffende hun zending, in al wat hun nodig of nuttig was te weten ter behoorlijke waarneming van hun ambt, zullen zij ten volle onderwezen worden, alle waarheden, die zij aan anderen hadden te leren, zal de Geest hen leren, Hij zal er hun het rechte begrip van, en inzicht in, geven, en hen bekwaam maken om ze te verklaren en te verdedigen.
Ten tweede. In niets dan de waarheid. Alles, waar Hij u in zal leiden, zal de waarheid zijn, 1 Johannes 2:27. De zalving is waarachtig. In de volgende woorden bewijst Hij dit: 1. De Geest zal niets dan waarheid leren, want Hij zal van zich zelven niet spreken, Hij zal generlei leer leren, onderscheiden van de Mijne, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, en weet de bedoeling des Vaders te zijn, dat, en dat alleen, zal Hij spreken. Dit duidt aan,
a. Dat het getuigenis des Geestes in het woord en door de apostelen is hetgeen, waarop wij kunnen steunen. De Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods, en de apostelen hebben dien Geest ontvangen, 1 Corinthiërs 2:10, 11, zodat wij op het woord des Geestes onze zielen kunnen wagen.
b. Dat het getuigenis van den Geest altijd samenstemt met het woord van Christus, want Hij spreekt van zich zelven niet, Hij heeft geen afzonderlijk belang of bedoeling, maar, gelijk in Zijn wezen, zo is Hij ook in de getuigenis een met den Vader en den Zoon, 1 Johannes 5:7. De mensen komen in woord en geest dikwijls niet overeen met elkaar, maar het eeuwige Woord en de eeuwige Geest verschillen nooit.
2. Hij zal u alle waarheid leren, en niets achterhouden, dat u nuttig is, want Hij zal u de toekomende dingen verkondigen. De Geest is in de apostelen een Geest der profetie geweest, het was voorzegd, dat Hij dit zijn zou, Joël 2:28, en Hij was het. De Geest verkondigde hun de toekomende dingen, zoals Handelingen 11:28, 20:23, 21:11. De Geest sprak van den afval in de laatste tijden, 1 Timotheus 4:1. Toen Johannes in den Geest was, werden hem in een gezicht de toekomende dingen getoond. Dit nu was een grote voldoening voor hun eigen gemoed, nuttig voor hen voor hun gedragslijn, alsmede een grote bevestiging van hun zending. Jansenius heeft hier een goede en Godvruchtige aantekening op: "Wij moeten niet morren, omdat de Geest ons thans niet, gelijk aan de apostelen, de toekomende dingen toont in deze wereld, het zij ons genoeg, dat de Geest ons in het Woord de toekomende dingen in de andere wereld getoond heeft, en daar hebben wij het meeste belang bij."
b. De Geest heeft ondernomen Christus te verheerlijken, vers 14, 15. a. Zelfs het zenden van den Geest was de verheerlijking van Christus. God de Vader heeft Hem verheerlijkt in den hemel, en de Geest heeft Hem verheerlijkt op de aarde. Het was de eer des Verlossers, dat de Geest gezonden werd in Zijn naam en op Zijne boodschap ten einde Zijne onderneming voort te zetten en te voltooien. Al de gaven en genade des Geestes, al de prediking en alle de geschriften der apostelen, de talen, de wonderen, het was alles ter verheerlijking van Christus. b. De Geest verheerlijkte Christus door Zijne volgelingen te leiden in de waarheid, gelijk zij in Jezus is, Efeze 4:21. Hij verzekert hun, ten eerste. Dat de Geest hun de dingen van Christus zal bekendmaken, Hij zal het uit het Mijne nemen, en zal het u verkondigen. Gelijk Hij in wezen uitgaat van den Zoon, zo ontleent Hij ook Zijn invloed en werking van Hem. Hij zal ek tou emou, nemen uit hetgeen het Mijne is. Al wat de Geest ons verkondigt, dat is: op ons toepast, ter onzer lering en vertroosting, al wat Hij ons geeft tot kracht en levendmaking, al wat Hij ons verzekert en aan ons verzegelt, het behoorde alles aan Christus en is van Hem ontvangen. Alles was het Zijne, want Hij heeft het gekocht en duur betaald, en daarom had Hij reden om het het Zijne te noemen, het Zijne, want Hij heeft het het eerst ontvangen, het is Hem gegeven als Hoofd der gemeente, om door Hem aan de leden te worden meegedeeld. De Geest is niet gekomen om een nieuw koninkrijk op te richten, maar om het koninkrijk te bevorderen en te bevestigen, dat Christus had opgericht, om dezelfde belangen in stand te houden en hetzelfde doel te bevorderen, diegenen dus, die voorgeven den Geest te hebben, maar Christus smaden, logenstraffen zich zelven, want Hij is gekomen om Christus te verheerlijken. Ten tweede. Dat ons hierin de dingen Gods meegedeeld zullen worden. Opdat niemand zou denken, dat het ontvangen hiervan hem niet verrijkt, voegt Hij er bij: Al wat de Vader heeft is het Mijne. Als God heeft Hij al het eigen licht en al de zelfgenoegzame zaligheid, die de Vader heeft, als Middelaar zijn Hem "alle dingen van Zijn Vader overgegeven", Mattheus 11:27, al de genade en waarheid, die God bedoelde ons te betonen, heeft Hij in de handen van den Heere Jezus gelegd, Colossenzen 1:19. Geestelijke zegeningen in hemelse zaken zijn door den Vader voor ons aan den Zoon gegeven, en de Zoon vertrouwt ze den Geest om ze tot ons te brengen. Sommigen passen dit toe op hetgeen onmiddellijk voorafgaat: Hij zal u de toekomende dingen verkondigen, en aldus is het verklaard in Openbaring 1:1. God gaf het aan Christus, en Hij gaf het te kennen aan Johannes, en deze heeft hetgeen de Geest zei geschreven, Openbaring 1:1.