Jesaja 52:1-6
I. Hier wordt Gods volk opgewekt om krachtig en begerig zich te tonen voor zijn eigen verlossing vers 1 en 2. Zij hadden begeerd dat God zou opwaken en zijn sterkte aandoen, Hoofdstuk 51:9. Hier roept Hij hen op om te ontwaken en hun sterkte aan te doen, zich krachtig te maken, op te staan uit hun ingezonkenheid, hun geest op te wekken, zichzelf en anderen te bemoedigen met de hoop dat voortaan alles wel zal zijn en niet langer neer te liggen en te verzinken onder hun last. Zij moeten opwaken uit hun wantrouwen, naar boven zien, om zich heen zien, op de beloften zien, op de voorzienigheid Gods zien, die nu voor hen werkt en zich dan opwekken om grote dingen van God te verwachten. Zij moeten opwaken uit hun dofheid, en luiheid, en onaantrekkelijkheid zij moeten hun vermogens opscherpen, niet om enige onwettige maatregelen tot hun bevrijding te nemen, die strijden tegen de regelen voor gevangen volken, maar om alle behoorlijke middelen in `t werk te stellen om de gunst van hun overwinnaars te verkrijgen en hun belangstelling op te wekken.
Dan verzekert God hun:
1. Dat zij zullen bekeerd worden door hun gevangenschap. In u zal voortaan geen onbesnedene of onreine meer komen, hun afgodische gewoonten zullen niet meer toegelaten, in elk geval niet meer aangekweekt worden, want toen ten tijde van Ezra en Nehemia door het huwelijk met vreemde vrouwen de onreinheid weer binnensloop, werd deze spoedig door de waakzaamheid en de ijver van de overheid uitgeworpen, en werden er maatregelen genomen om te zorgen dat Jeruzalem een heilige stad bleef. Zo is het Jeruzalem des Evangelies door het bloed van Christus en de genade van God gereinigd en inderdaad tot een heilige stad gemaakt.
2. Zij zullen opgeheven en uit hun gevangenschap bevrijd worden. de banden zullen van hun halzen losgemaakt worden, zij zullen niet langer verdrukt worden, ja, zij zullen geen invallen meer te vrezen hebben, want (zo kan men het ook lezen) geen onbesnedene of onreine zal meer tegen u opkomen. De heidenen zullen niet weer Gods heiligdom binnentreden en de tempel verontreinigen, Psalm 79:1 Dit moet natuurlijk voorwaardelijk opgevat worden', indien zij zich dicht bij God houden en met Hem verenigd blijven, zal God de vijand buiten houden. Maar indien zij zichzelf bederven, zal Antiochus hun tempel ontheiligen en zullen de Romeinen die verwoesten. Evenwel zullen zij gedurende enige tijd vrede hebben. En thans worden zij opgeroepen om zich voor deze gelukkige verandering voor te bereiden.
a. Zij moeten zich voor de vreugde gereedmaken. Trek uw sierlijke kleren aan vers 1, verschijn niet langer in rouwgewaad en weduwenkleed. Toon een vrolijk gelaat, een glimlach op het aangezicht, want een nieuwe en aangename toestand begint te komen. Toen de harpen aan de wilgen gehangen werden, werden de sierlijke klederen opgeborgen, maar nu is daar geen reden meer voor, nu moesten beide weer te voorschijn gebracht worden. Trek uw sterkte aan, en dus ook uw sierlijke klederen, ten teken van zegepraal en verheuging. "De blijdschap des Heeren zal uw sterkte zijn" Nehemia 8:10, en onze sierlijke klederen zijn een proefhoudende wapening tegen de pijlen van verzoeking en leed. En merk op: Jeruzalem moet dan haar sierlijke kleding aantrekken als zij een heilige stad geworden is, want de schoonheid van de heiligheid is de beminnelijkste schoonheid, hoe heiliger wij zijn, des te meer reden hebben wij om ons te verblijden.
b. Zij moeten zich voorbereiden voor hun vrijheid. Schud u uit het stof, waarin gij neerligt en waarin uw trotse onderdrukkers u vertreden hebben, Hoofdstuk 51:23, of waarin gij in uw diepste droefheid uzelf geworpen hebt. Maak u op en zit neer, o Jeruzalem, maak alle toebereidselen om u te reinigen van de tekenen van de dienstbaarheid die gij gedegen hebt. Maak u los van de banden van uw hals, word bezield door edele beginselen en besluiten om uw vrijheid te herkrijgen. Het Evangelie verkondigt vrijheid aan allen die met vrees gebonden waren, en maakt het hun plicht om hun vrijheid te aanvaarden. Zij die neergeslagen en zwaar beladen waren met de last hunner zonden, en redding in Christus vinden, moeten het stof van hun zonden en vrezen van zich schudden, de banden daarvan losmaken, want indien de Zoon hen vrij gemaakt heeft, zullen zij waarlijk vrij zijn.
II. God wekt zichzelf op om ijverig te verschijnen ter verlossing van Zijn volk. Hij bepleit hier hun zaak voor zichzelf en wekt zich op om te komen en hen te redden, want de redenen voor Zijn barmhartigheid gaan van Hemzelf uit. Verscheidene dingen beschouwt Hij hier:
1. Dat de Chaldeën, die hen verdrukten God moet erkend hebben in de macht, die Hij hun over zijn volk gegeven heeft, niet meer dan Sanherib deed, die het zo niet bedoelde, toen God hem gebruikte als een werktuig voor de kastijding en hervorming van zijn volk, Jesaja 10:6, vers 3. Gijlieden zijt om niet verkocht, gij hebt er niets bij gewonnen, en Ik evenmin God aanmerkt hier dat, toen zij zich door hun zonden verkochten. Hij zelf die het voornaamsten ia, het enige recht op hen had, "hun prijs niet verhoogd had," Psalm 44:13. Zij betaalden daardoor niet hun schuld aan Hem, de Babyloniërs dankten er Hem niet voor, maar lasterden veel eer zijn naam door deze gebeurtenis. En daarom, aangezien zij u zolang bezeten hebben om niet, zal Ik u nu ook om niet verlossen. Gij zult ook zonder prijs gelost worden, gelijk beloofd was, Hoofdstuk 45:13. Zij, die niets geven, moeten niet verwachten iets te ontvangen. God is niemands schuldenaar.
2. Dat zij vroeger dikwijls in dergelijke ellende geweest zijn en meermalen gedurende enige tijd onder de tirannie van hun meesters gezucht hadden, en daarom zou het jammer zijn indien zij nu voor altijd in handen van deze onderdrukkers gelaten werden, vers 4. Mijn volk trok af in Egypte, om daar op vriendelijke wijze zich te vestigen, doch zij werden daar tot slaven gemaakt en met hardheid overheerst. En daaruit werden zij verlost niettegenstaande de hoogmoed, de macht, en de maatregelen van Farao. En waarom zou men menen dat God Zijn volk nu niet verlossen zou? In latere tijd onderdrukten de Assyriërs hen zonder reden, eerst toen de tien stammen gevankelijk weggevoerd werden door een koning van Assyrië, en spoedig daarna toen Sanherib een latere koning van Assyrië, hen met een vernielend leger verdrukte en zich meester maakte van alle versterkte steden in Juda. De Babyloniërs konden in zekere zin Assyriërs genoemd worden, daar hun monarchie een tak van de Assyrische was, en zij Israël nu zonder oorzaak verdrukten. Ofschoon God rechtvaardig was toen Hij Israël in hun handen overleverde, waren zij onrechtvaardig toen zij die macht gebruikten zoals zij deden. Zij konden niet beweren dat zij over de Israëlieten als hun onderdanen recht van regering hadden, evenmin als Farao toen Israël in Gosen, een deel van zijn koninkrijk gevestigd was. Indien wij lijden onder de handen van goddeloze en onredelijke mensen, is er enige vertroosting in te kunnen zeggen, dat dit hunnerzijds zonder reden is en dat wij daartoe geen aanleiding gegeven hebben, Psalm 7:4, 5 enz.
3. Dat Gods heerlijkheid geleden had onder de onrechtvaardigheden, zijn volk aangedaan, vers 5. Wat heb Ik hier te doen? spreekt de Heere, dewijl Mijn volk om niet weggenomen is. God werd er niet aangebeden gelijk men in Jeruzalem gewoon was, Zijn altaar was vernietigd, Zijn tempel verwoest. Indien Hij echter in plaats daarvan weer en beter vereerd was in Babel, hetzij door de gevangenen, hetzij door de inboorlingen, zou de zaak anders gestaan hebben, en zou Gods eer in zeker opzicht er bij gewonnen hebben, maar zo was het, helaas, niet.
a. De gevangenen waren zo ontzenuwd dat zij Hem niet konden prijzen, inplaats daarvan waren zij gestadig wenende, hetgeen hem hindert en zijn medelijden ontvonkt. "Diegenen, die over hen heersen, doen hen jammeren," gelijk de Egyptenaren vroeger hen deden zuchten, Exodus 2:23. Zo behandelden nu de Babyloniërs hen zoveel harder, getergd door hun luide klachten, en deden hen jammeren. Dit geeft ons geen aangenaam denkbeeld van de stemming, waarin de gevangenen verkeerden, hun klachten waren niet zo redelijk en vroom als zij behoorden geweest te zijn meer veeleer oproerig, zij jammerden, Hosea 7:14. Maar God hoorde het en kwam om hen te verlossen evenals Hij in Egypte gedane had, Exodus 3:7.
b. De inboorlingen waren zo onbetamelijk dat zij hen niet wilden prijzen, maar in plaats daarvan hen voortdurend lasterden, hetgeen God beledigt en Zijn toorn opwekt. Zij pochten dat zij God te sterk waren, omdat Zij Zijn volk te sterk waren, en daagden Hem uit als onmachtig om hen te verlossen, en daardoor werd Zijn naam de gehele dag onder hen gelasterd. Wanneer zij hun eigen afgoden prezen, verhieven zij zich tegen de Heere des hemels, Daniël 5:23 Welnu, zegt God, dat kan niet geduld worden, Ik ga heen om hen te bevrijden, want welke eer, welke schatting, welke lof heb Ik van de wereld, wanneer Mijn volk, dat Mij tot een prijs en een lof moet zijn, Mij ten verwijt strekt, want hun onderdrukkers willen zelf God niet verheerlijken, en niet toelaten dat zij het doen. De apostel haalt deze tekst aan met toepassing op het goddeloze leven van de Joden, door wie Gods naam onder de heidenen onteerd werd, evenzeer als hij dat nu door hun lijden gedaan werd, Romeinen 2:23, 24.
4. Dat Zijn heerlijkheid grotelijks geopenbaard zou worden door hun verlossing, vers 6. Daarom omdat Mijn naam zo gelasterd is, daarom zal Ik opstaan en Mijn volk zal te die dage Mijn naam kennen, Mijn naam, Jahweh, waaronder Ik Mij geopenbaard heb toen Ik hen uit Egypte verloste, Exodus 6:3. God zal iets doen om Zijn eer te wreken, iets voor Zijn grote naam doen, en de Zijnen, die de kennis van die naam bijna verloren hebben, zullen Hem kennen tot hun vertroosting en bevinden dat Hij een sterke toren is. Zij zullen weten dat Gods voorzienigheid de wereld regeert en al haar zaken, dat Hij het is die door Zijn machtwoord verlossing spreekt voor hen dat Hij alleen het is, die spreekt en het is er. Zij zullen weten dat het woord Gods waarmee Israël gezegend was boven alle andere volken zonder enig gebrek op zijn tijd zal vervuld worden, dat Hij het is die door Zijn profeten spreekt, en dat deze alleen door Hem en niet uit zichzelf spreken, want geen tittel of jota van hetgeen ze zeggen, zal ter aarde vallen.