Jesaja 4:1
Er was gedreigd, Hoofdstuk 3:25, dat de helden zullen vallen door het zwaard in de strijd, en het was gedreigd als een straf over de vrouwen, die van fraaie klederen hielden en loszinnig van wandel waren. Nu hebben wij hier de uitwerking en het gevolg van die grote mensenslachting.
1. Hoewel de Voorzienigheid het wijselijk zo geregeld heeft dat in een zeker aantal jaren gemiddeld evenveel personen van het mannelijk als van het vrouwelijk geslacht geboren worden, zal er toch door de verwoestingen van de oorlog nauwelijks één man op zeven vrouwen wezen. Gelijk er sterfte is bij het baren van kinderen, eigen aan de vrouw, die de eerste is geweest in de overtreding, zo is er sterfte, inzonderheid eigen aan mannen, die op de hoogten van het veld door het zwaard worden gedood, en waarschijnlijk overtreft deze sterfte in aantal die van het kraambed. Hier nu wordt voorzegd dat een zo groot aantal mannen afgesneden zal worden, dat er op zeven vrouwen slechts één man zal zijn.
2. Dat hoewel het huwelijk in stand werd gehouden ten einde recruten te verwekken en ter bewaring van het menselijk geslacht op aarde, de gewone methode ervan vanwege de schaarsheid van de mannen geheel omgekeerd zal zijn. Terwijl gewoonlijk mannen het hof maken aan vrouwen, zullen nu de vrouwen de mannen aangrijpen, dwaselijk vrezende (zoals de dochters van Lot, toen zij de verwoesting van Sodom zagen, en misschien dachten, dat die verwoesting verder reikte dan het geval was) dat na een poosje niemand meer overgebleven zal zijn, Genesis 19:31, en dat, terwijl vrouwen er natuurlijkerwijs afkerig van zijn om met anderen te delen, er nu zeven overeenkomen om de vrouwen te worden van één man, en dat, terwijl volgens de wet de man verplicht is om zijn vrouw van voedsel en kleding te voorzien, Exodus 21:10, hetgeen voor velen het krachtigste argument is tegen het vermenigvuldigen van vrouwen, willen deze vrouwen zich verbinden om zichzelf te onderhouden, zij zullen het brood eten, dat zij zelf verdiend hebben, en kleren dragen, die zij zelf gemaakt hebben, en de man, die zij aanzoeken om haar te huwen, zal zich geen onkosten voor haar behoeven te getroosten, zij begeren slechts zijn vrouwen genoemd te worden, opdat de smaad van de ongehuwde staat van haar worden weggenomen. Zij willen gehuwd zijn tot elke prijs, op iedere voorwaarde, al is die nog zo onredelijk, en dit te meer misschien, omdat het in deze tijden van benauwdheid een vriendelijkheid voor haar zijn zou om een echtgenoot tot haar beschermer te hebben. Paulus daarentegen acht dat in tijden van benauwdheid de ongehuwde staat te verkiezen is, 1 Corinthiers 7:26. Het ware te wensen dat dit hier niet te pas werd gebracht ten dele als een afkeurende aanmerking op de dochters van Zion, die, in weerwil van de verootmoedigende beschikkingen van Gods voorzienigheid over haar, Hoofdstuk 3:18, toch niet verootmoedigd waren, en in plaats van zich te bekeren van haar hoogmoed en haar ijdelheid toen God daarom met haar twistte, aan niets anders dachten dan aan een man, een echtgenoot te krijgen, de zedigheid, die de grootste schoonheid is van de vrouw, was vergeten, voor haar was de smaadheid van de ondeugd van geen betekenis, in vergelijking met de smaadheid van de ongehuwden staat, een treurig teken van haar onbekeerlijkheid.