Exodus 21:1-11
Het eerste vers is de algemene titel, of opschrift, van de wetten, die in dit en de volgende twee hoofdstukken vervat zijn, sommige ervan hebben betrekking op de Godsverering, maar de meeste raken de verhouding tussen mens en mens. Daar hun regering zuiver theocratisch was, is hetgeen in andere staten door de menselijke wijsheid wordt bepaald, onder hen door Goddelijke verordening vastgesteld, zodat de inrichting hunner regering bijzonder geschikt was om hen gelukkig te maken. Deze wetten worden rechten genoemd, omdat zij door oneindige wijsheid en in billijkheid samengesteld zijn, en omdat hun rechters daarnaar recht moesten spreken. God heeft ze aan Mozes overgegeven, en hij moest ze overgeven aan het volk. In de twijfelachtige gevallen, die tot nu toe waren voorgekomen, heeft Mozes er God in het bijzonder naar gevraagd zoals blijkt in Hoofdstuk 18:15, maar nu heeft God hem algemene inzettingen of landswetten gegeven om naar deze in bijzondere gevallen uitspraak te doen, en die uitspraak ook toe te passen op gelijksoortige gevallen, die kunnen voorkomen en dezelfde reden hebbende, ook onder dezelfde regel komen.
Hij begint met de wetten betreffende dienstknechten, en gebiedt hun barmhartigheid en gematigdheid jegens hen. De Israëlieten waren kort tevoren nog zelf slaven geweest, en opdat zij, nu zij niet slechts hun eigen heren en meesters zijn geworden, maar ook meesters van dienstknechten, hun dienstknechten niet zullen gaan mishandelen, zoals zij zelf door de Egyptische aandrijvers mishandeld en met hardheid geregeerd werden, zijn er door deze wetten voorzieningen gemaakt voor een zachte, vriendelijke behandeling van dienstknechten of slaven. Als zij, die macht over ons hadden, beledigend of hard voor ons waren, dan zal ons dit volstrekt niet verontschuldigen, als wij evenzo beledigend en hard zijn voor hen, over wie wij macht hebben, integendeel onze misdaad wordt er door verzwaard, omdat wij in zo'n geval lichter onze ziel in de plaats van hun ziel kunnen stellen, dat is kunnen komen in hun gevoel. Hier is
1. Een wet betreffende dienstknechten, verkocht, hetzij door henzelf, of door hun ouders uit armoede, of door de rechters als straf voor hun misdaden, zelfs deze mochten-als zij Hebreeën waren-op zijn langst slechts zeven jaren in slavernij zijn, want men nam aan dat zij gedurende die tijd genoeg voor hun dwaasheid of misdaad geboet hadden. Aan het einde van zeven jaren moest de knecht of vrij uitgaan, vers 2, 3, of zijn dienstbaarheid zou van nu voortaan zijn eigen keus zijn, vers 5, 6. Indien hem door zijn meester een vrouw was gegeven en hij bij deze kinderen had, dan mocht hij ze of verlaten en zelf vrij uitgaan, of, indien hij vrouw en kinderen zo liefhad, dat hij liever met hen in dienstbaarheid wilde blijven dan zonder hen in vrijheid te komen, dan moest hij zijn oor aan de deurpost laten doorboren, en dienen tot aan de dood zijns meesters of tot aan het jubeljaar. Door deze wet heeft God aan de Hebreeuwse dienstknechten geleerd een edele liefde te hebben voor vrijheid, want zij zijn de vrijgelatenen des Heeren, er moest een schandmerk geplaatst worden op hem, die de vrijheid weigert als hij haar kan verkrijgen, al is het ook, dat zijn weigering voortkomt uit overwegingen, die anderszins loffelijk zijn. Zo moeten Christenen, duur gekocht zijnde en geroepen tot vrijheid, geen dienstknechten worden van de mensen, noch van de lusten van de mensen 1 Corinthiërs 7:23. Er is een vrije en vorstelijke geest, die ten zeerste helpt om een Christen te ondersteunen, Psalm 51:14. Evenzo heeft Hij aan de Hebreeuwse meesters geleerd hun arme dienstknechten niet te vertreden, wetende dat zij niet slechts door hun geboorte hun gelijken waren, maar dit binnen weinige jaren weer zouden worden. Zo moeten Christenmeesters hun gelovige dienstknechten met achting beschouwen, Filemon : 16. Deze wet zal ons voorts ook nuttig zijn om het recht in het licht te stellen, dat God heeft op de kinderen van gelovige ouders, als zodanig, en de plaats, die zij hebben in Zijn kerk. Door de doop zijn zij ingeschreven onder Zijn dienstknechten, omdat zij ingeborenen zijn van Zijn huis, zijn zij Hem geboren, Ezechiël 16:20. David erkent zich als Gods dienstknecht, daar hij de zoon was van Zijn dienstmaagd, Psalm 116:16, en daarom aanspraak hebbende op bescherming, Psalm 86:16. Deze wet verklaart ook de verplichting, die de grote Verlosser op zich genomen heeft om het werk van onze verlossing te volbrengen, want Hij zegt: "Gij hebt mij de oren doorboord," Psalm 40:7, hetgeen een toespeling is op deze wet. Hij had Zijn Vader lief, en Zijn gevangen bruid en de kinderen, die Hem waren gegeven, en Hij wilde niet vrij uitgaan van het verlossingswerk, dat Hij op zich had genomen, maar verbond zich om voor eeuwig te dienen, Jesaja 42:1, 4.
Veel meer reden nog hebben wij om ons aldus eeuwig tot Gods dienst te verbinden, wij hebben alle reden om onze Meester en Zijn werk lief te hebben, onze oren aan Zijn deurposten te laten doorboren, als degenen, die niet begeren vrij uit te gaan uit Zijn dienst maar er al meer en meer vrij voor en in gevonden te worden, Psalm 84:11.
2. Betreffende dienstmaagden, die haar ouders uit grote armoede, verkocht hadden toen zij nog zeer jong waren, aan de zodanigen, die haar, naar zij hoopten, zouden huwen als zij opgegroeid waren. Indien zij dit niet deden, dan mochten zij haar niet aan vreemdelingen verkopen, maar er zich veeleer op toeleggen om haar de teleurstelling te vergoeden, indien zij het wèl deden, dan moesten zij haar behoorlijk onderhouden, vers 7-11 Aldus heeft God voorzien voor het welzijn en de goede naam van de dochters Israëls, en aan de mannen geleerd aan hun vrouwen, als het zwakste vat, eer te geven, al waren zij ook van nog zo geringe afkomst, 1 Petrus 3:7.