Genesis 30:14-24
Hier is:
I. Lea wederom vruchtbaar, nadat zij voor een tijd opgehouden had te baren. Jakob schijnt zich meer bij Rachel dan bij Lea gevoegd te hebben. De wet van Mozes onderstelt het als iets gewoons, dat wanneer een man twee vrouwen heeft, de een bemind en de andere gehaat zal zijn, Deuteronomium 21:15. Maar eindelijk hebben Rachels sterke hartstochten haar tot een overeenkomst gebracht met Lea, dat Jakob tot haar vertrek zou terugkeren. Ruben, een knaapje van vijf of zes jaar, speelde in het veld, en vond dudaim. Het is onzeker wat die waren, de critici zijn het er oneens over, wij geloven dat het iets zeldzaams moet geweest zijn, hetzij bloemen of vruchten, die een zeer aangename geur hadden, Hooglied 7:13. De God der natuur heeft niet slechts in het nodige voor ons voorzien, maar ook in hetgeen ons aangenaam en lieflijk is. Er zijn voortbrengselen van de aarde in het open veld zowel als in de beplante, beschutte hof, die zeer kostbaar en nuttig zijn. Hoe overvloedig is het huis der natuur voorzien en haar dis gespreid. Haar kostelijke vruchten laten zich door de handen van kleine kinderen plukken. Het is een loffelijke gewoonte van de vrome Joden om, als zij genot vinden, bijvoorbeeld in het eten van een appel, hun hart op te heffen tot God, zeggende: "Gezegend zij Hij, die deze vrucht aangenaam gemaakt heeft!" Of bij het ruiken van een bloem: "Gezegend zij Hij, die deze bloem lieflijk gemaakt heeft." Sommigen denken, dat deze dudaim jasmijnen waren. Maar wat zij nu ook geweest zijn: Rachel kon ze niet in Lea's handen zien, waarin het kind ze gebracht had, zij moest ze voor zich begeren. Zij kan het niet verdragen die fraaie bloemen niet te hebben, en dus wil zij ze kopen, tot elke prijs. Er kan grote zonde en dwaasheid zijn in het bovenmatig begeren van iets zeer gerings. Lea doet er haar voordeel mee (zoals Jakob zijn voordeel gedaan had met Ezau's sterke begeerte naar zijn rode kooksel) om datgene te verkrijgen wat haar rechtmatig toekwam, maar waarin Rachel anders niet bewilligd zou hebben. Sterke hartstochten werken elkaar soms tegen, en zij, die er door beheerst worden, kunnen niet anders dan in voortdurende onrust zijn. Lea is op het toppunt van vreugde, omdat zij het gezelschap van haar man weer zal hebben en haar gezin nog verder gebouwd zal worden, hetgeen de zegen is, die zij begeert en waarom zij vroom bidt, zoals aangeduid wordt in vers 17, waar gezegd wordt: God verhoorde Lea. De geleerde bisschop Patrick maakt hier de onderstelling waarvoor zeer veel grond is, dat de ware reden van die strijd tussen Jakob's vrouwen om zijn bijzijn, en van haar geven aan hem van haar dienstmaagden, de vurige begeerte was om de belofte te vervullen, gedaan aan Abraham (en nu onlangs hernieuwd aan Jakob) dat zijn zaad zou wezen als de sterren des hemels in menigte, en dat in een Zaad, een van zijn nakomelingen, alle geslachten der aarde gezegend zullen worden. En hij denkt dat het beneden de waardigheid zou zijn van deze gewijde geschiedenis, om zo bijzonder nota te nemen van deze dingen, indien er niet een zodanige reden voor was. Lea werd nu gezegend met twee zonen, de eerste noemde zij Issaschar, een loon, vers 18, zich wel beloond achtende voor haar dudaim, ja (en dat is een vreemde uitlegging van Gods voorzienigheid!) beloond voor haar geven van haar dienstmaagd aan Jakob. Wij maken misbruik van Gods zegeningen, als wij veronderstellen dat Zijn gunsten onze dwaasheden ondersteunen of belonen. De tweede noemde zij Zebulon, Woning, vers 20. Jakob had haar geen huwelijksgift gegeven toen hij haar trouwde, en hij bezat ook niets om dit te kunnen, maar zij acht een gezin van kinderen geen bezwaar of last, maar een kostelijk huwelijksgoed, Psalm 113:9. Zij vleit zich nu meer van het gezelschap van haar echtgenoot te zullen hebben, nu zij hem zes zonen gebaard heeft en dat hij, om wille van zijn kinderen tenminste, haar dikwijls in haar woning zou bezoeken. In vers 21 wordt melding gemaakt van de geboorte van een dochter, Dina, vanwege de geschiedenis over haar in Hoofdstuk 34. Het is mogelijk dat Jakob meer dochters heeft gehad, hoewel zij niet in de geschiedenis staan aangetekend.
II. Rachel is ten laatste vruchtbaar, vers 22. God dacht ook aan Rachel, die Hij vergeten scheen te hebben, en God verhoorde haar, wier gebeden gedurende zo lange tijd onverhoord waren gebleven, en toen baarde zij een zoon. Gelijk God rechtvaardig de zegeningen onthoudt, die wij al te onstuimig begeren, zo zal Hij ons soms in Zijn genade ten laatste datgene schenken, waarnaar wij zo lang hebben uitgezien. Hij bestraft onze dwaasheid, maar gedenkt toch wat maaksel wij zijn, en zal niet altijd met ons twisten. Rachel noemde haar zoon Jozef, welke naam in het Hebreeuws verwant is aan twee woorden van een tegenovergestelde betekenis, Asaf, abstulit, Hij heeft mijn smaadheid weggenomen, alsof de grootste zegen, die zij in deze zoon had, hierin bestond dat haar eer gered was, en Jasaph addidif, de Heere voege mij een andere zoon daartoe, hetgeen beschouwd kan worden, hetzij als de taal van haar buitensporige begeerte (zij weet nauwelijks dankbaar te zijn voor een zoon, als zij er niet zeker van is er nog een te zullen hebben) of van haar geloof: zij ontvangt die zegen als een onderpand van nog meerdere zegeningen. "Heeft God mij Zijn genade geschonken? Ik mag haar Jozef noemen, en zeggen: Hij zal nog meer genade er aan toevoegen. Heeft Hij mij Zijn blijdschap geschonken? Ik mag haar Jozef noemen en zeggen: Hij zal meer blijdschap geven. Heeft Hij begonnen, en zal Hij niet voleinden?"