Deuteronomium 5:23-33
I. Mozes herinnert hen hier aan de overeenkomst tussen de beide partijen, die nu met elkaar onderhandelden door bemiddeling van Mozes.
1. Hier is de ontsteltenis, waarin het volk gebracht werd door het grote gezag waarmee de wet was gegeven. Zij erkenden niet in staat te zijn het langer aan te horen. "Dit grote vuur zal ons verteren, deze ontzaglijke stem zal ons noodlottig wezen, wij zullen gewis sterven, als wij haar nog langer horen", vers 25. Het verwonderde hen dat zij er niet reeds door gedood waren, en zij beschouwden het als een buitengewoon voorbeeld van de Goddelijke macht en goedheid, niet alleen dat aldus tot hen werd gesproken, maar dat zij in staat waren om het te dragen. Want wie is er van alle vlees, die de stem van de levende God gehoord heeft gelijk wij, en levend is gebleven? Gods verschijningen zijn sedert de zondeval altijd ontzagwekkend geweest voor de mens, maar Christus, de zonde weggenomen hebbende, nodigt ons om met vrijmoedigheid tot de troon van de genade te komen.
2. Hun ernstig verzoek, dat God voortaan tot hen zou spreken door Mozes, met de belofte dat zij, wat hij zei zouden horen als van God zelf, en het zouden doen, vers 27. Hieruit schijnt het:
a. Dat zij verwachtten nog meer geboden van God te zullen ontvangen, en bereid waren meer van Hem te horen.
b. Dat zij Mozes in staat achtten om deze ontdekkingen van de Goddelijke heerlijkheid te dragen, die zij, vanwege schuld, zich bewust waren niet in staat te zijn, te kunnen dragen. Zij geloofden hem een gunstgenoot van de hemel te zijn, en dat hij hen getrouw zou zijn, en toch hebben zij op andere tijden tegen hem gemopperd, en nog slechts kort tevoren waren zij bereid hem te stenigen, Exodus 17:4. Zie hoe de overtuigingen van de mensen hun hartstochten bestraffen.
c. Dat zij nu in een goede gemoedsstemming waren, onder de krachtige overtuiging van het woord, dat zij hoorden. Van menigeen wordt door de wet het geweten opgeschrikt, zonder er door gereinigd te worden, er worden hen schone beloften uitgewrongen, maar geen goede beginselen ingeplant.
3. Gods goedkeuring van hun verzoek.
a. Hij prijst wat zij gezegd hebben, vers 28. Zij spraken het tot Mozes, maar God nam er nota van, want er is geen woord op onze tong, of Hij weet het. Hij erkent dat het allemaal goed is wat zij gesproken hebben. Hun erkennen van de noodzakelijkheid van een middelaar om tussen hen en God te handelen, was goed gesproken. Hun begeerte om verdere bevelen van God te ontvangen door Mozes, en hun beloften om die bevelen te zullen nakomen, was goed gesproken. En wat goed gesproken is, zal zijn lof van God hebben, en behoort die ook van ons te hebben. Wat goed is, zover het dan gaat, moet geprezen worden.
b. Hij wenst dat zij er slechts oprecht in waren, vers 29. Och, dat zij zo'n hart hadden. Zulk een hart als zij moesten hebben, een hart om God te vrezen en steeds Zijn geboden te houden. De God van de hemel begeert oprecht en ernstig het welzijn en de zaligheid van arme zondaren, daarvan heeft Hij overvloedige bewijzen gegeven, Hij geeft ons tijd om ons te bekeren, door Zijn goedertierenheden nodigt Hij ons tot bekering, en wacht om ons genadig te zijn. Hij heeft Zijn Zoon gezonden om ons te verlossen, Hij heeft een algemene aanbieding bekend gemaakt van vergeving en leven, Hij heeft Zijn Geest beloofd aan hen, die om Hem bidden en heeft gezegd en gezworen dat Hij geen lust heeft in de dood van de zondaren.
c. Zulk een hart als zij nu hadden, of, dat zij naar men zou denken, hadden. Het zou voor velen goed zijn, indien zij altijd zo'n hart hadden, als zij soms schijnen te hebben wanneer zij onder overtuiging zijn van zonde of onder de bestraffing van Gods voorzienigheid, of als zij er toe komen om de dood in het aangezicht te zien, hoe begenadigd zullen zij zijn als hen die smarten zullen treffen! Och, dat zij altijd zo'n hart hadden!
d. Hij stelt Mozes aan om Zijn boodschapper bij hen te zijn, om de wet uit Zijn mond te ontvangen, en haar hen mee te delen, vers 31. Hier werd nu de zaak vastgesteld met toestemming van beide partijen, dat God voortaan tot ons zal spreken door mensen, gelijk wijzelf zijn, door Mozes en de profeten, door de apostelen en evangelisten, en zo wij deze niet geloven, zo zullen wij ook niet geloven of bewogen worden, al zou God van de hemel tot ons spreken, zoals Hij bij de berg Sinai tot Israël gesproken heeft, of boden zou zenden uit de hemel of uit de hel.
II. Hieruit leidt Hij de last voor hen af om al wat God hen geboden had waar te nemen en te doen, vers 32,33. Daar God zich jegens hen zo teder had betoond, en zo bereid om gedachtig te zijn dat zij stof zijn, en in te willigen wat zij begeerden, en daarbij zo bereid om hen wèl te doen, daar zij zelf begeerd hadden Mozes tot hun leraar te hebben, die hen dan nu ook onderwees, en daar zij zo plechtig en onder de invloed van zoveel goede zaken en overwegingen hadden beloofd, dat zij zullen horen en doen, beveelt hij hun te gaan in al de weg, die de Heere, hun God, hen gebood, hen verzekerende, dat dit zeer tot hun voordeel en welzijn zou zijn. De enige weg om gelukkig te zijn is om heilig te zijn. Zegt de rechtvaardigen dat het hen wel zal gaan.