Ruth 1:1-5
De eerste woorden geven de datum van deze geschiedenis. Het was in de dagen als de richters richtten, vers 1, niet in de onordelijke dagen, toen er geen koning was in Israël. Maar onder welke van de richters deze dingen voorvielen, wordt ons niet meegedeeld, en de gissingen van de geleerden zijn onzeker. Het moet tegen het begin zijn geweest van de tijd van de richters, want Boaz, die Ruth huwde, was geboren uit Rachab, die in Jozua's tijd de verspieders had ontvangen.
Sommigen denken dat het was in de tijd van Ehud, anderen, in allen van Debora, de geleerde bisschop Patrick is geneigd te denken dat het in de tijd van Gideon was, omdat wij in zijn tijd alleen lezen van een hongersnood, veroorzaakt door de invallen van de Midianieten, Richteren 6:3, 4.
Terwijl de richters regeerden, sommigen in de ene stad, en anderen in een andere stad, neemt Gods voorzienigheid bijzonder kennis van Bethlehem, en heeft het oog op een Koning, op de Messias zelf, die van twee moeders uit de heidenen zal afstammen, Rachab en Ruth.
I. Hier is een hongersnood in het land, in het land Kanaän, het land vloeiende van melk en honing Dit was een van de oordelen, die God gedreigd had over hen te zullen brengen vanwege hun zonden, Leviticus 26:19, 20.
Hij heeft veel pijlen in Zijn pijlkoker, in de dagen van de richteren werden zij verdrukt door hun vijanden, en als zij zich door dat oordeel niet wilden verbeteren, dan beproefde Hij dit, want als Hij oordeelt zal Hij overwinnen. Als het land rust had, had het daarom nog geen overvloed, zelfs te Bethlehem, dat broodhuis betekent, was er schaarste. Een vruchtbaar land werd tot zouten grond om de weelderigheid en brooddronkenheid in toom te houden van hen, die daarin wonen.
II. Een bericht van een particulier gezin, dat door de hongersnood zeer veel leed, het is het huisgezin van Elimelech. Zijn naam betekent: mijn God een Koning, in overeenstemming met Israëls staat toen de richters richtten want de Heere was hun Koning, en troostrijk was het voor hem en zijn gezin in hun beproeving, dat God hun God was, en dat Hij eeuwiglijk regeert. Zijn vrouw was Naomi, hetgeen betekent mijn beminnelijke of lieflijke. Maar de namen van zijn zonen waren Machlon en Chiljon, ziekte en tering, omdat zij misschien zwakkelijke kinderen waren, die waarschijnlijk niet lang zouden leven. Aldus zijn de voortbrengselen van onze aangename dingen, zwak en ziek, broos en stervend.
III. Het vertrek van dit gezin van Bethlehem naar het land van Moab, aan de andere kant van de Jordaan, om er, vanwege de honger, een bestaan te zoeken, vers 1, 2. Het schijnt dat er in het land Moabs overvloed was, toen er in het land Israëls schaarste van brood was. De gewone gaven van Gods voorzienigheid worden dikwijls in groter overvloed geschonken aan hen, die vreemdelingen zijn voor God dan aan hen, die Hem kennen en aanbidden. "Moab is van zijn jeugd aan gerust geweest" terwijl Israël "van vat in vat geledigd" Jeremia 48:11, is niet omdat God de Moabieten meer liefheeft, maar omdat zij hun deel hebben in dit leven. Daarheen gaat Elimelech, niet om er zich voor altijd te vestigen, maar om er gedurende enigen tijd als vreemdeling te verkeren, gedurende de hongersnood, zoals Abraham bij een zelfde gelegenheid naar Egypte is gegaan, en Izak naar het land van de Filistijnen. Nu was: 1. Elimelechs zorg om in de behoeften van zijn gezin te voorzien en zijn medenemen van vrouw en kinderen ongetwijfeld prijzenswaardig. "Zo iemand de zijnen, en voornamelijk zijn huisgenoten, niet verzorgt, die heeft het geloof verloochend," 1 Timotheus 5:8.
Toen hij in die verlegenheid was, heeft hij zijn huis niet verlaten om zelf fortuin te gaan zoeken, vrouw en kinderen zo goed of zo kwaad zij konden voor zichzelf latende zorgen, maar zoals het een teder echtgenoot en liefhebbend vader betaamde, heeft hij waar hij ging hen medegenomen, en niet gedaan zoals de struis, Job 39:19.. Maar:
2. Ik zie niet hoe zijn heengaan naar het land Moabs bij deze gelegenheid gerechtvaardigd kan worden. Abraham en Izak waren slechts vreemdelingen en bijwoners in het land Kanaän, en het kwam overeen met hun toestand om te vertrekken. Maar het zaad Israëls was nu gevestigd, en behoorde niet naar het grondgebied van de heidenen te gaan. Welke reden had Elimelech meer dan zijn naburen om weg te gaan?
Indien hij door een slecht beheer zijn vaderlijk erfgoed had verloren en zijn land had verkocht, of verhypothekeerd, (zoals naar Hoofdstuk 4:3, 4 het geval schijnt geweest te zijn) waardoor hij in behoeftiger omstandigheden kwam dan anderen, dan had de wet Gods zijn naburen verplicht hem te hulp te komen, Leviticus 25:35..
Maar dat was het geval niet met hem, want vol is hij weggetogen, vers 21. Door hen, die tehuis bleven, blijkt dat de hongersnood niet zo zwaar was, maar dat er nog genoeg was om lichaam en ziel bij elkaar te houden, en zijn lasten waren niet drukkend, hij had slechts twee zonen.
Indien hij echter niet tevreden kon zijn met het verminderd rantsoen, waarmee zijn naburen zich vergenoegden, en in de dagen des hongers niet verzadigd zou kunnen worden, of hij moet een even overvloedige tafel hebben als hij tevoren gehad heeft, indien hij niet kon leven in de hoop dat er weer jaren van overvloed zullen komen, of niet geduldig die jaren kon verbeiden, dan was dit zijn schuld, en heeft hij er God mee onteerd en het goede land, dat Hij hun had gegeven, de handen van zijn broederen verslapt, met wie hij lotgemeen had moeten wezen en een voorbeeld geven aan anderen.
Indien allen gedaan hadden wat hij deed, dan zou Kanaän ontvolkt zijn. Het is een blijk van een ontevreden, wantrouwenden, onrustiger aard, om de plaats moede te zijn, waar God ons gesteld heeft, en haar maar terstond te willen verlaten, zodra men er enig ongemak of ongerief ondervindt. Het is dwaasheid om te denken aan het kruis te zullen ontkomen dat, op onze weg gelegd zijnde, wij behoren op te nemen.
Het is onze wijsheid om ons voordeel te doen met hetgeen is, want het is maar zelden dat verandering verbetering brengt. Of, zo hij dan wilde heengaan waarom dan juist naar het land van Moab? indien hij een onderzoek had ingesteld, navraag had gedaan, hij zou waarschijnlijk in sommigen van de stammen Israëls nog overvloed gevonden hebben, bijvoorbeeld in die aan de andere kant van de Jordaan, die aan het land van Moab grensden. Indien hij de ijver had gehad voor God en Zijn eredienst, en de genegenheid voor zijn broederen, die een Israëliet betaamden, hij zou het zo gemakkelijk niet van zich hebben kunnen verkrijgen om als vreemdeling onder de Moabieten te gaan verkeren.
IV. Het huwelijk van zijn twee zonen aan twee van de dochteren Moabs na zijn dood vers 4. Allen komen overeen dat dit slecht was. De Chaldeër zegt: Zij overtraden het gebod van het woord des Heeren door vreemde vrouwen te huwen.
Indien zij niet ongehuwd wilden blijven tot aan hun terugkeer naar het land Israëls, dan waren zij toch niet zo ver weg, of zij hadden zich vrouwen van daar kunnen halen. Weinig dacht Elimelech, toen hij heenging om als vreemdeling te verkeren in Moab, dat zijn zonen zich ooit in verwantschap met de Moabieten zouden verbinden.
Maar zij, die jonge lieden in verkeerde kennismaking brengen, en hen van de weg van de openbare inzettingen doen weggaan, weten niet hoewel zij denken goede grondbeginselen te hebben en gewapend te zijn tegen verzoeking wat zij doen, noch wat er het einde van zij zijn.
Het blijkt niet dat de vrouwen, die zij huwden, tot de Joodsen Godsdienst waren overgegaan, want Orpa wordt gezegd tot haar goden te zijn teruggekeerd, vers 15, de goden van Moab waren nog haar goden.
Het is een ongegronde overlevering van de Joden, dat Ruth de dochter was van Eglon, koning van Moab, maar toch heeft de Chaldeeuwse paraphrast haar ingelast, maar deze en hun andere tradities, die hij ook ingelast heeft, kunnen niet in overeenstemming met elkaar gebracht worden, namelijk dat Boaz, die met Ruth trouwde, dezelfde zou zijn als Ebzan, die Israël gericht heeft tweehonderd jaren na de dood van Eglon, Richteren 12.
V. De dood van Elimelech en zijn twee zonen, en de treurige toestand, waarin Naomi hierdoor gekomen is. Haar man stierf, vers 3, en haar twee zonen stierven, vers 5, kort na hun huwelijk. De Chaldeër zegt: "Hun dagen werden verkort" omdat zij de wet overtraden door vreemde vrouwen te huwen. Zie hier:
1. Dat wij, waar wij ook heengaan, de dood niet kunnen ontlopen, wiens noodlottige pijlen overal heenvliegen.
2. Dat wij niet kunnen verwachten voorspoedig te zullen zijn, als wij uit de weg des plichts gaan. Wie zijn leven door slinkse maatregelen zoekt te behouden, zal het verliezen.
3. Dat de dood, als hij een gezin binnentreedt, dikwijls breuk op breuk maakt. De een wordt weggenomen om de ander er op te bereiden hem spoedig te volgen, de een wordt weggenomen, en van die beproeving wordt geen goed gebruik gemaakt, en daarom zendt God nog een dergelijke beproeving.
Toen Naomi haar man had verloren, had zij zoveel temeer behagen in, en stelde zij zoveel temeer vertrouwen op haar zonen, onder de schaduw van hun vertroosting denkt zij onder de heidenen wel te kunnen leven, en uitermate blijde was zij met deze wonderbomen, maar zie, zeer spoedig verdorren zij, groen en groeiende als het gras in de morgenstond, voor de avondstond afgesneden en verdord, begraven spoedig nadat zij getrouwd waren, want geen van beide heeft kinderen nagelaten.
Zo onzeker en voorbijgaand zijn al onze genietingen hier beneden. Daarom is het onze wijsheid om ons te verzekeren van die genietingen, die gewis zullen zijn, en waarvan de dood ons niet kan beroven. Maar hoe treurig was de toestand, en hoe ternedergeslagen het hart van de arme Naomi, toen zij werd overgelaten na haar twee zonen en haar man! Als deze beide dingen haar in een ogenblik overkomen, haar volkomen overkomen, de beroving van kinderen en weduwschap, "door wie zal zij dan vertroost worden?" Jesaja 47:9, 51:19... Het is God alleen, die instaat is deze nedergebogenen te vertroosten.