Jesaja 47:1-6
In deze verzen zendt God Zijn profeet als boodschapper naar Babylon, evenals Jona naar Nineve. De tijd van de verwoesting van Babel is aanstaande, hier wordt haar dus een edelmoedige waarschuwing gegeven, opdat zij haar ondergang moge afwenden door berouw, en er verlenging van haar rust moge zijn.
Wij kunnen hier opmerken:
I. Gods twist met Babel, wij zullen daarmee beginnen, want daar beginnen alle onheilen. Zij heeft God tot haar vijand gemaakt, wie kan dan haar vriend zijn? Zij moet weten dat de rechtvaardige Rechter, wie de wraak toekomt, gezegd heeft, vers 3 Ik zal wraak nemen. Zij heeft God getergd en daarvoor zal met haar afgerekend worden, zodra de maat van haar ongerechtigheden vol is. Wee dengene tot wie God komt om wraak te nemen, want wie kent de sterkte Zijns toorns, en hoe vreeslijk het is om in Zijn handen te vallen? Ware het een mens gelijk wij, die zich aan ons wilde wreken, dan konden we nog hopen hem te kunnen staan, hetzij om hem te ontsnappen of om met hem tot een vergelijk te komen. Maar hij zegt: Ik zal u ontmoeten, niet gelijk een mens met menselijke hartstochten, maar ik zal u tegenkomen als een leeuw, "gelijk een jonge leeuw," Hosea 5:14. Of liever: niet met de kracht van een mens, die gemakkelijk te weerstaan is, maar met de macht van een God, die niemand tegenstaan kan. Niet met de rechtvaardigheid van een mens, die omgekocht en afgekocht worden kan of door dwaas medelijden verduisterd, maar met de gerechtigheid van een God, die streng en stipt is en waaraan geen ontkomen is. Zowel in het vergeven van de berouwhebbende als in het straffen van de onboetvaardige is Hij God en geen mens, Hosea 11:9.
II. De bijzondere reden van deze twist, er is een oorzaak voor, en wel een rechtvaardige oorzaak. Het is de "twist van des Heeren tempel," Jeremia 50:28, het "is om het geweld Zion aangedaan," Jeremia 51:35, God bepleit de zaak van Zijn volk tegen Babel. Er wordt toegestemd, vers 6, dat God in toorn zijn volk overgeleverd heeft in de handen van de Babyloniërs, deze gebruikt heeft om zijn kinderen te kastijden, door hen zich heiligdom ontheiligd heeft, zijn eigen volk overgegeven heeft om evenals alle andere volken te lijden, toegestaan heeft dat de heidenen, die op een af stand moesten gehouden worden, in zijn "heiligdom kwamen en de tempel verontreinigden," Psalm 79:1. Hierin was God rechtvaardig, maar de Babyloniërs hadden er hun moedwil in gedreven, toen ze Israël in handen hadden en zegevierden bij het gezicht van een volk, dat zo beroemd was om wijsheid, heiligheid en eer, en dat nu zo omlaag gebracht was, hadden gemeen en laaghartig hen vertrapt, hun geen barmhartigheden bewezen, zelfs niet de gewone bewijzen van menselijkheid, waarop de ellendigen door hun ongeluk bij ieder aanspraak hebben. Zij handelden jegens hen barbaars, verachtelijk, ja zij verblijdden zich in hun ellende. De Israëlieten werden onder het juk gebracht, en "Alsof dat nog niet genoeg ware, het juk werd zeer verzwaard, droefheid werd tot hun droefheid toegedaan. Zij legden het juk op de ouden van dagen, op de oudsten, die geen arbeid meer konden verrichten en ineenzakten onder een last, die jongeren van jaren nog konden dragen. De oudsten in de poorten, die hun rechters en overheden geweest waren, personen van de hoogste rang, werden tot de zwaarste en geringste arbeid gedwongen, Jeremia klaagt dat "de aangezichten van de ouden niet geëerd werden," Klaagliederen 5:12. Niets brengt zekerder en zwaarder verwoesting over een volk dan wreedheid voornamelijk zo die bedreven wordt tegen het Israël Gods. III. Het verschrikkelijke van deze twist. Babel heeft reden om te beven als haar meegedeeld wordt wat de aanleiding tot deze twist is vers 4. De naam van onze Verlosser is de Heere van de heirscharen, de Heilige Israëls. Hij is onze Goël, die als onze bloedwreker het behandelen van onze zaak op zich neemt. Hij heeft twee namen die tot ons spreken van vertroosting, maar tot onze tegenpartijders van verschrikking.
1. Hij is de Heere van de heirscharen, alle schepselen staan onder Zijn bevel en daarom heeft Hij alle macht in hemel en op aarde. Wee hem die de Heere tot vijand heeft, want de gehele schepping is met hem op voet van oorlog.
2. Hij is de Heilige Israëls, onze Verbondsgod, Zijn woning was in ons midden, Hij zal al Zijn beloften getrouw vervullen. Gods macht en heiligheid zijn beide tegen Babylon en voor Zion in de wapenen. Dit kan men toepassen op Christus, onze grote Verlosser, Hij is de Heere van de heirscharen en de Heilige Israëls.
IV. De gevolgen daarvan voor Babel. Zij wordt een maagd (de dochter) genoemd, daarvoor hield zij zichzelve, ofschoon zij de moeder van de hoererijen was, Zij was schoon als een maagd en allen maakten haar het hof. Zij werd de tedere en wellustige genoemd, vers 1, de koningin van de koninkrijken, vers 5, maar nu is haar toestand veranderd.
1. Haar eer is weggegaan en ze moet al haar waardigheden vaarwel zeggen, zij die bovenaan zat op de aarde, daar zat in heerlijkheid en macht, moet nu afdalen en in het stof zitten, als een zeer geringe en diep bedroefde leeddraagster, zij moet op de grond zitten, want zij zal zo verarmd en uitgeledigd worden dat haar zelfs geen zetel gelaten wordt om zich op neer te zetten.
2. Haar macht is voorbij en zij moet al haar bezittingen verlaten, zij zal niet meer gelijk vroeger regeren of aan haar naburen de wet stellen. Er is geen troon voor u, o dochter van de Chaldeen! Zij, die hun eer en macht misbruiken, dagen uit om hen daarvan te beroven, en hen in het stof te doen nederzitten.
3. Haar gemak en vermaak zijn verdwenen. Zij zal niet meer de tedere en wellustige genoemd worden gelijk vroeger, want zij zal niet alleen beroofd worden van al die dingen, waarmee zij zich vroeger versierde, maar zij zal tot hardere arbeid gedwongen worden, zij zal gebrek lijden en smart gevoelen, hetgeen dubbel zwaar vallen zal aan haar, die het vroeger "nooit gewaagd heeft haar voetzool op de grond te zetten omdat zij zich teder en wellustig hield," Deuteronomium 28:56. Het is onze wijsheid onszelf niet voor teder en wellustig te houden, omdat wij niet weten welke zware diensten anderen voor onze dood nog van ons vergen zullen en hoe diep wij nog vernederd zullen worden.
4. Haar vrijheid is verdwenen, zij is gebracht tot een staat van dienstbaarheid en tot even zware slavernij als zij ten tijde van haar voorspoed anderen oplegde. Zelfs de aanzienlijken van Babel moeten nu van hun overwinnaars dezelfde wetten ontvangen, die zijn hun overwonnenen opdrongen, Neem de molen en maal meel, vers 2. Zij wordt aan zwaar, ruw werk gezet, zodat zij al haar hoofdsierselen moet afleggen en haar vlechten ontdekken, om even adem te scheppen. Toen zij van de ene plaats naar de andere voortgedreven werden, volgens de luimen en grillen van haar meesters, werden zij gedwongen tot aan het midden door de wateren te waden, zodat zij de enkelen ontbloten en de schenkelen ontdekken moesten, om de rivieren over te trekken, hetgeen een zware vernedering is voor haar, die gewoon waren in staatsie te rijden. Maar zij mogen zich niet beklagen, want vroeger hebben zij hun gevangenen evenzo behandeld, en met de maat waarmee zij gemeten hebben wordt hun nu wedergemeten. Zij, die nu de macht hebben, mogen die wel gematigd en redelijk gebruiken, want de onderste spaak kan eens bovenkomen!
5. Al haar heerlijkheid en verheerlijking zijn vergaan. In plaats van heerlijkheid heeft zij nu schande, vers 3. Uw schaamte zal ontdekt worden, ook zal uw schande gezien worden. Zo was de laaghartige en barbaarse gewoonte van die tijden, waarmee gevangenen meestal behandeld werden. Uit hebzucht liet men hen niets dan enkele lompen om hun naaktheid te bedekken, zover was men van de eerbaarheid en van het medegevoel, dat men aan de menselijke natuur verschuldigd is. Inplaats van te pralen, zit zij stilzwijgend en gaat in de duisternis, vers 5, zij schaamt zich haar gelaat te tonen want zij heeft alle achting verloren en zal niet meer genoemd worden koningin van de koninkrijken. God kan maken dat zij zwijgend nederzitten, die het grootste gedruis in de wereld maakten, en hen in het duister zenden, die in het licht pronkten. Die zich beroemt, beroeme zich dus in God, die niet verandert, en niet in enig werelds vermaak of eerbewijs, dat aan verandering onderhevig is.