Jesaja 46:5-13
Hier wordt verder de aandacht gevestigd op de verlossing van Israël door de verwoesting van Babel, (die het algemene onderwerp is van al deze hoofdstukken) en de belofte daarvan herhaald, tot overtuiging van de afgodendienaars, die mededingers van God oprichtten, en van de onderdrukkers, die vijanden van Gods volk waren.
I. Tot overtuiging van hen, die afgoden maakten en aanbaden, voornamelijk van de Israëlieten, die dat deden, die afbeeldingen van hun God wilden hebben, evenals de Babyloniërs.
1. Hij daagt hen uit een beeld te maken, dat enige gelijkenis met Hem zou kunnen hebben, of er een op te richten, dat enigszins tegenover Hem in aanmerking kwam, vers 5 Wien zoudt gijlieden mij nabeelden en evengelijk maken? Het is ongerijmd te denken dat een oneindige en eeuwige Geest zou kunnen voorgesteld worden door de beeltenis van enig schepsel hoegenaamd, het is de waarheid Gods veranderen in de leugen het is Zijn heerlijkheid te schande maken. Niemand heeft ooit Zijn gedaante gezien, niemand zou Zijn aangezicht kunnen zien en leven. "Met wie zult gij God vergelijken?" Jesaja 40:18, 25. Het is evenzo ongerijmd enig schepsel gelijk aan de Schepper te denken of te willen maken, Hij is oneindig boven het voortreffelijkste schepsel verheven. Ja men kan geen enkele vergelijking maken tussen het schepsel en de Schepper, er is geen verhouding tussen het eindige en het oneindige.
2. Hij toont de dwaasheid aan van hen, die afgoden maken en die daarna aanbidden, vers 6, 7.
A. Zij besteedden zeer veel moeite aan hun afgoden, zij spaarden voor dat doel geen kosten, zij verkwisten het goed uit de beurs, met weinig gaat het niet goed en het hindert hen niet hoeveel het kost, ofschoon zij daardoor hun gezinnen benadelen en hun bezittingen er aan opofferen. Hoe beschaamt de offervaardigheid van afgodendienaars de vrekkigheid van velen, die zich Gods dienstknechten noemen, maar een godsdienst willen hebben, die hun niets kost. Sommigen verkwisten het goud uit de beurs, om een afgod te maken, die in hun huis is, anderen hopen het goud op in de beurs, om daarvan een afgod op te richten in hun hart, want de gierigheid is afgodendienst, even gevaarlijk als de gewone afgoderij, ofschoon zij voor niet zo schandelijk gehouden wordt. Zij wegen het zilver met de waag, om er de werkman mee te betalen of om er hun afgod van te maken. Want ook de meest verdwaasden hadden gevoel genoeg om te beseffen dat zij hun God moesten dienen met het beste dat zij hadden, het beste dat zij hem met mogelijkheid aanbieden konden, zij die hem de gedaante van een kalf toedichtten maakten dat van goud. Gewoonlijk is de dienst van de zonde zeer kostbaar.
B. Zij droegen veel zorg voor hun afgoden en gaven zich veel moeite er voor, vers 7. Zij nemen hem op de schouder, hun eigen schouder, daar huren zij geen dragers voor, zij dragen hem en zetten hem aan zijn plaats, meer als een dood ding dan als een levenden god. Zij zetten hem op een voetstuk, daar staat hij, zij besteden er veel moeite aan om hem vast te zetten, en hij wijkt niet van zijn plaats, zij kunnen dus goed onthouden waar hij te vinden is, of schoon hij daardoor ook juist geen hand kan uitsteken en geen voet verzetten om hun enigen dienst te bewijzen.
C. Met dat alles bewijzen zij grote eerbied aan hun afgoden, ofschoon zij niets anders zijn dan het werk van hun eigen handen en de voortbrengselen van hun eigen verbeelding. Zodra de goudsmid het ding gemaakt heeft, dat zij hun god noemen, knielen zij er voor neer en buigen zich er voor. Zij hebben zichzelf veel te hoog geschat door voor te wenden dat zij een god maken konden, en nu, als om daar boete voor te doen, verlagen zij zich zozeer dat zij neerknielen voor een god, waarvan niemand beter dan zij weten waar hij vandaan komt. En gelijk zij zichzelf bedriegen door de gewoonte van hun land om dergelijke goden te maken, bedriegen zij zich niet minder wanneer zij hen om hulp aanroepen, ofschoon zij weten dat ze niet antwoorden kunnen, niet verstaan kunnen wat tot hen gezegd wordt, geen ja of neen kunnen zeggen, veel minder iemand verlossen uit zijn benauwdheid. En zal dan iemand, die enige kennis heeft van de ware en levende God, zich tot zulke dwaasheden verlagen?
3. Hij laat het aan henzelf en aan hun verstand over om in deze te beslissen, vers 8. Gedenkt hieraan, het is u menigmaal gezegd welke hulpeloze en niet helpende dingen de afgoden zijn, en houdt u kloekelijk, toont dat gij mensen en geen stomme dieren zijt, mannen en geen zuigelingen. Handelt met verstard, handelt met beslistheid, handelt in uw eigen belang. Doet een wijs ding, een moedig ding, en gaat niet tegen uw eigen verstand in gelijk gij doet wanneer gij afgoden vereert. Zondaren zouden heiligen worden wanneer zij zich als mensen gedragen wilden, wanneer zij letten wilden op de adel van hun natuur, en de vermogens en bekwaamheden van hun ziel op de rechte wijze gebruiken wilden. Vele dingen hebt gij u herinnerd, brengt dit weer in uw hart, roept het terug in uw geheugen en handelt daarnaar. O gij overtreders aanmerkt uw wegen, gedenkt aan hetgeen, waarvan gij uitgevallen zijt, en hebt berouw. En dan. bekeert u.
4. Hij brengt opnieuw onweerlegbare bewijzen bij dat Hij God is, Hij en Hij alleen, vers 9. Gedenkt dat Ik God ben, en daar is geen God meer, en daar is niemand gelijk Ik. Dat is het wat wij ons telkens en telkens weer moeten herinneren, en als bewijs voert hij hier aan:
A. Uit de gewijde geschiedenis. Gedenkt aan de dingen vanouds, wat de God van Israël in de beginne voor zijn volk deed, waarom Hij voor hen deed wat Hij voor geen ander volk zou doen en hetgeen de valse goden voor hun aanbidders niet konden doen. Gedenkt al deze dingen en gij zult erkennen dat Ik God ben en niemand meer. Er is goede reden waarom wij Hem alleen zullen verheerlijken en aan geen ander de eer geven, die wij aan Hem alleen verschuldigd zijn, Exodus 15:11.
B. Uit de heilige profetie. Hij alleen is God, die van de beginne het einde verkondigt, en dat doet Hij alleen, vers 10. Van de aanvang van de tijd af heeft Hij het einde verkondigd, het einde van alle dingen, reeds door de profetie van Henoch: Zie, de Heere komt. Van het begin van een volk verkondigt Hij wat er het einde van zijn zal. Hij maakte Israël bekend wat hun zou overkomen in het laatste van de dagen en wat hun einde zou zijn, en verlangde dat zij zo wijs zouden zijn van dat ter harte te nemen, Deuteronomium 32:20, 29. Van het begin van een gebeurtenis af verkondigt Hij wat er het eind van zijn zal. Gode zijn al zijn werken bekend, en wanneer het Hem behaagt, maakt Hij ze bekend. Verder dan de profetie ons leidt is het voor ons onmogelijk uit "te vinden het werk, dat God gemaakt heeft, van het begin tot het einde toe." Prediker 3:11. Hij verkondigt van ouds de dingen, die nog niet geschied zin. Er zijn verscheidene profetieën in de Schrift, die lang geleden zijn uitgesproken, maar nog niet vervuld werden, doch de vervulling in die tussentijd van andere is een waarborg dat ook de overige op haar tijd vervuld zullen worden. Uit dit alles blijkt dat Hij God is en niemand meer, Hij is het en niemand anders, die iets zeggen kan en Zijn woord ook gestand doen. Mijn raad zal bestaan en alle machten van aarde en hel kunnen er niets aan veranderen of hem vernietigen, al hun raadslagen kunnen hem niet dwarsbomen. Gelijk Gods werken alle overeenkomstig Zijn raad zijn, zo zal Zijn gehele raad in Zijn werken vervuld worden, geen van Zijn maatregelen zal verbroken worden, geen van Zijn voornemens zal mislukken. Hierin is overvloedige vertroosting voor hen, die al hun sterkte in Gods raad zoeken dat zijn raad onwankelbaar zal standhouden. En zodra wij zover gevorderd zijn dat hetgeen God behaagt, ook ons behaagt, kan niets beter tot onze gerustheid bijdragen dan de zekerheid dat "God al zijn welbehagen doet," Psalm 135:6.
De vervulling van deze bijzondere profetie, welke betrekking heeft op de verhoging van Cyrus en zijn werkzaamheid in de bevrijding van Gods volk uit de gevangenschap, wordt hier aangevoerd ter bevestiging van de waarheid, dat de Heere is God en niemand meer. En dit is een zaak, die binnen kort geschieden zal, vers 11. God roept door Zijn raad een roofvogel van het oosten Cyrus, van wie men zegt dat hij een neus had als de snavel van een arend of van een havik, waarop, naar men meent, deze naam zinspeelt. Anderen menen dat de adelaar zich standaard was, evenals later van de Romeinen, waarheen deze profetie een heenwijzing zou zijn. Zie ook Mattheus 24:28. Cyrus kwam op Gods roepstem van het oosten want God is de Heere van de heirscharen en van hen, die heirscharen onder hun bevelen hebben. En als God hem roept, zal Hij hem doen welslagen, hij is de man, die Gods raad moet uitvoeren, ofschoon hij uit verre landen komt en van de zaak niets afwees. Zelfs zij, die Gods geopenbaarde wil niet kennen of er zich niet aan storen, worden gebruikt om zijn verborgen wil te volbrengen, die op zijn eigen tijd zo nauwkeurig mogelijk zal uitgevoerd worden door de hand, die het Hem behaagt daarvoor te kiezen. Hetgeen hierbij gevoegd wordt om deze bijzondere profetie te bevestigen, kan aan de erfgenamen van de belofte overvloedig aantonen de onveranderlijkheid van zijn raad. Ik heb het gesproken, door mijn knechten de profeten, en hetgeen Ik gesproken heb is geheel hetzelfde dat Ik mij voorgenomen heb. Want ofschoon God zich verscheidene dingen voorgenomen heeft, die Hij niet heeft doen voorzeggen, is er in zijn voorzeggingen niets dat Hij zich niet voorgenomen heeft, en Hij zal het doen, want Hij verandert noodt van plan, Hij zal het tot stand brengen, want er is geen schepsel dat Hem zulks beletten kan.
Merk op met welke majesteit Hij dit zegt, als degene die er alle macht toe heeft: Ik heb het gesproken en Ik zal het ook doen komen, Ik heb het geformeerd en Ik zal het ook doen. Niet: Ik zal zorgdragen dat het gebeurt, maar: Ik zal het doen. Eer gaan hemel en aarde voorbij dan dat er een tittel of jota van Gods woord ter aarde valt.
5. Ter overtuiging van hen, die roekeloos de raadslag Gods wilden tegenstaan, wordt hier de verzekering gegeven dat die niet alleen zal vervuld worden, maar dat dit binnen kort geschieden zal, vers 12, 13. Dit wordt gezegd tot de stijven van hart, dat is:
a. Tot de trotse en opstandige Babyloniërs, die verre van de gerechtigheid zich, ver van het doen van recht, ver van het betonen van barmhartigheid aan degenen, die hun onderworpen zijn, die zeggen dat zij nooit de gevangenen vrij zullen laten uitgaan maar hen zullen vasthouden ten splijt van hun smekingen en van Gods voorzeggingen, die aan niets minder denken dan aan medelijden of welwillendheid voor ongelukkigen. Of,
b. Tot de ongebogen Joden, die lang onder de hamer en lang in de smeltkroes geweest zijn, maar nog niet gebroken of gesmolten zijn, die gelijk de ongelovige murmurerende Israëlieten in de woestijn denken dat zij ver zijn van Gods gerechtigheid, dat is van de vervulling van Zijn beloften en van Zijn verschijning om hen te oordelen, die door hun wantrouwen zich al verder en verder van die gerechtigheid verwijderen en alle goeds van zichzelf denken gelijk hun vaderen, die het beloofde land niet konden binnengaan vanwege hun ongeloof. Dit is toepasselijk op het Joodse volk toen het de Messias verwierp, dat de wet van de rechtvaardigheid zocht, maar tot de wet van de rechtvaardigheid niet gekomen is, omdat zij de rechtvaardigheid niet zochten uit het geloof," Romeinen 9:31, 32. Zij gingen verloren ver van de rechtvaardigheid, omdat zij stijf van hart waren, Romeinen 10:3.
Nu, tot hen zegt God dat, wat zij ook denken, de een in aanmatiging en de ander in wanhoop:
a. Dat er voor Gods volk voorzeker verlossing zal gewrocht worden. Indien de mensen hun geen recht willen doen, zal God het doen, en Zijn gerechtigheid zal voor hen uitwerken hetgeen die van de mensen nimmer bereiken kon. Hij zal heil geven te Zion, dat is: Hij zal Jeruzalem maken tot een plaats van veiligheid en verdediging voor allen, die zich daar vestigen willen, daar zal Hij Israël Zijn heerlijkheid schenken. God verheerlijkt zich in Zijn Israël en Hij zal verheerlijkt worden in de redding die Hij voor Israël bewerkt, dat zal Zijn eer zeer vergroten. Deze redding, dit heil zal in Zion zijn, vandaar zal het Evangelie uitgaan Jesaja 2:3, vandaar zal de Verlosser komen Jesaja 59:20, Romeinen 11:26. De Koning Zions is een Heiland, Zacheria 9:9.
b. Het zal binnen kort geschieden, dit wordt bepaald gezegd en verzekerd aan hen, die meenden dat het heil nog verre was. Ik breng mijn gerechtigheid nabij, dichterbij dan gij denkt. Wellicht is zij het dichtst bij als uw tegenspoeden het grootst en uw vijanden het beledigendst zijn, zij zal niet verre zijn wanneer er gelegenheid voor is. Psalm 85:9. Zie, de Rechter staat voor de deur. Mijn redding zal niet langer uitblijven dan totdat zij rijp is en gij er gereed voor zijt, en daarom ofschoon zij vertoeft, verwacht haar, wacht geduldig, want Hij die te komen staat, zal komen, en niet vertoeven.