Psalm 47:1-5
Het hart van de psalmist, vervuld zijnde van grote en goede gedachten van God, poogt hij allen, die hem omringen, op te wekken om met hem God te loven, als iemand, die overtuigd is dat God alle eer en lof waardig is, en die smart gevoelt over zijn eigen en anderer tekortkoming in dit gezegende werk. Merk in deze verzen op:
I. Wie geroepen worden om God te loven" al gij volken, gij gehele volk van Israël," deze waren zijn eigen onderdanen onder zijn zorg en beheer, en daarom zal hij hen opwekken om God te loven, want op hen heeft hij invloed. Wat anderen ook mogen doen, hij en zijn huis, en zijn volk, zullen de Heere loven. Of "al gij volken van de aarde"; en aldus kan het genomen worden als een profetie van de bekering van de heidenen en hun toebrenging tot de kerk. Zie Romeinen 15:11
II. Waartoe zij geroepen worden: klapt in de handen, ten teken van uw blijdschap en voldoening over hetgeen God voor u gedaan heeft van uw goedkeuring, ja van uw bewondering van hetgeen God gedaan heeft in het algemeen en van uw verontwaardiging op al de vijanden van Gods heerlijkheid, Job 27:23 Klapt in de handen, als mensen, die vervoerd zijn van vreugde en zich niet kunnen inhouden; juicht Gode, niet om Hem te doen horen Zijn oor is niet zwaar geworden maar om allen, die u omringen, te doen horen, hen te doen opmerken hoezeer gij getroffen en vervuld zijt van de werken Gods. Juicht van vreugde in Hem en in Zijn macht en goedheid, opdat anderen zich met u verenigen in uw triomf." Zulke uitdrukkingen van Godvruchtige blijdschap en liefde, die aan sommigen onbetamelijk kunnen toeschijnen, moeten niet haastig afgekeurd en veroordeeld worden, en nog veel minder worden bespot, want als zij voortkomen uit een oprecht hart, dan zal God de kracht van de liefde aannemen, en de zwakheid in de wijze van uitdrukking voorbijzien.
III. Wat ons wordt voorgesteld als stof om God te loven.
1. Dat de God met wie wij te doen hebben een God is van ontzaglijke majesteit, vers 3 De Heere, de Allerhoogste, is vreselijk. Hij is oneindig ver boven de edelste schepselen, hoger dan de hoogste. Er zijn volmaaktheden in Hem, die door allen geëerd moeten worden inzonderheid de macht, heiligheid en rechtvaardigheid, die gevreesd moeten worden door allen, die met Hem strijden.
2. Dat Hij een God is van vrijmachtige en algemeens heerschappij; Hij is een Koning, die alleen heerst en met volstrekte macht en gezag, een Koning van de gehele aarde. Al de schepselen, door Hem gemaakt zijnde, zijn Hem onderworpen, en daarom is Hij een groot Koning, de Koning van de koningen.
3. Dat Hij bijzonder zorg draagt voor Zijn volk en hun belangen, dit gedaan heeft en altijd doen zal.
A. Door hun overwinning en voorspoed te geven, vers 4, de volken onder hen brengende en de natten onder hun voeten, zowel die hen in de weg stonden, Psalm 44. 3, als die hen aanvielen. Dit heeft God voor hen gedaan, getuige hun geplant worden in Kanaän en hun blijven aldaar tot op deze dag. Zij twijfelden niet of Hij zou dit nog voor hen doen door Zijn knecht David, die voorspoedig was waar hij ook zijn zegevierende wapenen richtte; Naar dit ziet voorwaarts naar het koninkrijk van de Messias, dat de gehele aarde zal omvatten en niet beperkt zal zijn tot de Joodse natie. Jezus Christus zal de heidenen onderwerpen, Hij zal hen als schapen inbrengen in de stal, dat is de betekenis van het woord, niet ter slachting, maar ter bewaring, ter behoudenis. Hij zal hun genegenheden onderwerpen, en hen tot een gewillig volk maken ten dage van Zijn heirkracht, hun gedachten leiden tot Zijn gehoorzaamheid, en hen, die afgedwaald waren, terugbrengen onder de leiding van "de grote Herder en Opziener van de zielen," 1 Petrus 2:25
B. Door hun rust en een vaste verblijfplaats te schenken vers 5. Hij verkiest voor ons onze erfenis. Hij had het land Kanaän verkozen tot erfdeel voor Israël; het was het land, dat de Heere hun God voor hen uitgespeurd had, zie Deuteronomium 32:8 Dit rechtvaardigde hun bezit van dat land en gaf er hun recht op, en dit maakte hun bezit ervan lieflijk en aangenaam. Zij hadden reden om te denken dat het een gelukkig, goed erfdeel was, en er tevreden en voldaan mee te zijn, daar de oneindige wijsheid het voor hen had verkoren. En de oprichting van Gods heiligdom erin maakte het tot de "heerlijkheid," de eer, van Jakob," en Hij heeft zo goed een erfdeel voor Jakob gekozen, omdat Hij hem liefhad, Deuteronomium 7:8 Pas dit geestelijk toe, en dan spreekt het:
a. Van het voorrecht van de heiligen, dat God zelf hun erfdeel voor hen verkoren heeft, en het een schone erfenis is. Hij heeft het gekozen, die de ziel kent en weet wat dienen kan om haar gelukkig te maken, en Hij heeft zo goed gekozen, dat Hij zelf het ondernomen heeft "het deel hunner erve te zijn" Psalm 16:5, en Hij heeft in de andere wereld een onverderfelijke erfenis voor hen bewaard, 1 Petrus 1:4 Dit zal inderdaad de heerlijkheid van Jakob zijn voor wie Hij, omdat Hij hem liefhad, een zaligheid heeft bereid, als die geen oog heeft gezien.
b. Het geloof en de onderworpenheid van de heiligen aan God. Dit is de taal van iedere Godvruchtige ziel: God zal mijn erfdeel voor mij verkiezen; laat Hem mij mijn erfdeel aanwijzen, en ik zal erin berusten, er mee tevreden zijn. Hij weet wet goed voor mij is, beter dan ik het zelf weet, en daarom zal ik geen wil hebben dan die zich oplost in de Zijnen.