Jesaja 43:1-7
Dit hoofdstuk heeft een duidelijk verband met het slot van het vorige hoofdstuk, maar het is een zeer verrassend verband. Daar was gezegd dat Jakob en Israël niet wilden wandelen in Gods wegen, en dat zij, als Hij hen tuchtigde wegens hun ongehoorzaamheid, weerstrevend waren, en Zijn bestraffing niet ter harte namen. En nu zou men denken dat hierop meest volgen, dat God hen ten enenmale zou verlaten en hen zou verdoen, maar neen, de volgende woorden zijn: Maar nu, vrees niet, o Jakob, o Israël, Ik heb u verlost, gij zijt Mijn. Hoewel velen onder hen ongezeglijk en onverbeterlijk waren, wilde God toch Zijn liefde tot en Zijn zorg voor Zijn volk laten voortduren en de massa van het volk zou nog bewaard blijven, er was nog genade voor weggelegd. Door de slechtheid van de mensen blinkt Gods goedheid nog sterker uit, "waar de zonde overvloedig was is de genade nog veel meer overvloedig geweest," Romeinen 5:20, en "de barmhartigheid roemt tegen het oordeel, als overwonnen te hebben, de zege te hebben behaald", Jakobus 2:13.
De zon, nu plotseling van achter een zware, donkere wolk tevoorschijn tredende, schijnt zoveel helderder en met een aangename verrassing. De uitdrukkingen van Gods gunst en welwillendheid jegens Zijn volk zijn hier zeer sterk en spreken van overvloedige vertroosting tot het geestelijk zaad van de oprechten Jakob en de biddende Israël, want "ook ons is dit Evangelie verkondigd," zowel als aan de gevangenen in Babel, Hebreeën 4:2. Wij hebben hier:
I. De gronden van Gods zorg voor en belangstelling in Zijn volk en de belangen van Zijn kerk en Zijn koninkrijk onder de mensen. Op Jakob en Israël zal, hoewel zij in een zondige, ellendige toestand zijn, worden acht gegeven, want:
1. Zij zijn Gods maaksel, "door Hem geschapen tot goede werken," Efeziers 2:10. Hij heeft hen geschapen en geformeerd, hun niet slechts een aanzijn, maar dit aanzijn gegeven, hen geformeerd tot een volk, hun regering ingericht, hen tot een volk, een staat gemaakt door de handvest van Zijn verbond. Waar een nieuw schepsel is daar heeft God het geformeerd, en Hij zal het werk van Zijn handen niet laten varen. Zij zijn het volk, dat Hij gekocht en verkregen heeft, Hij heeft hen verlost. Eerst heeft Hij hen uit Egypteland verlost, en uit velerlei andere slavernij, door Zijn liefde en Zijn genade, Hoofdstuk 63:9, en nog veel meer zorg zal Hij dragen voor hen, die verlost zijn door het bloed Zijns Zoons.
2. Zij zijn Zijn bijzonder volk, dat Hij onderscheiden heeft van andere volken, en dat Hij zich heeft afgezonderd. Hij heeft hen bij hun naam geroepen als degenen met wie Hij zeer vertrouwelijk is, zij zijn de Zijnen, Hem toegeëigend, en voor wie Hij een zeer bijzondere belangstelling koestert.
3. Hij is hun God in verbond met hen, vers 3. Ik ben de Heere, uw God, door u aangebeden, en door belofte aan u verbonden, de Heilige Israëls, de God Israëls want de ware God is een heilig God, en heiligheid betaamt Zijn huis, is Zijn huis sierlijk. En vanwege dit alles kon Hij terecht zeggen: Vrees niet, vers 1 en wederom, vers 5, vrees niet. Zij, voor wie God is, behoeven niet te vrezen voor wie of voor wat tegen hen is.
II. De vroegere voorbeelden van deze zorg.
1. God had hen duur gekocht. Ik heb Egypte gegeven tot uw losgeld, want door de ene plaag na de andere was Egypte geheel verwoest, al hun eerstgeborenen waren gedood en al hun krijgslieden verdronken, en dit alles om een weg te banen voor Israëls bevrijding van hen. Veeleer zal Egypte opgeofferd worden dan dat Israël in slavernij zal blijven zuchten, als de tijd voor hun bevrijding is aangebroken. In Asa's tijd hebben de Ethiopiërs hen aangevallen, maar veeleer zullen deze vernietigd worden, dan dat Israël zou worden beroerd. En indien dit als zo iets groots geacht werd, dat Egypte tot hun losgeld werd gegeven, hoeveel reden hebben wij dan niet om Gods liefde voor ons te bewonderen, waarmee Hij Zijn eigen Zoon heeft gegeven tot een rantsoen voor ons, 1 Johannes 4:10. Wat is Ethiopië en Seba, wat zijn al hun levens en al hun schatten, in vergelijking met het bloed van Christus?
2. Daarnaar had Hij hen geschat, en zij waren Hem zeer dierbaar, vers 4. Van toen af dat gij kostelijk zijt geweest in Mijn ogen, zijt gij verheerlijkt geweest. Ware gelovigen zijn kostelijk in Gods ogen, zij zijn Zijn juwelen Zijn bijzondere schat, Exodus 19:5, Hij heeft hen lief, Hij verlustigt zich in hen, boven alle andere volken. Zijn kerk is Zijn wijngaard. En hierdoor wordt Gods volk in waarheid verheerlijkt, en hun naam groot gemaakt want in werkelijkheid zijn de mensen wat zij in Gods ogen zijn. Toen de krijgsmacht van Sanherib door Gods voorzienigheid geleid werd om Egypte, Morenland en Seba aan te vallen, daar zij er van afgeleid moest worden om Israël aan te vallen, heeft God deze landen voor Israël gegeven en alzo getoond hoe kostelijk Zijn volk was in Zijn ogen. Aldus verstaan het sommigen.
III. De verdere bewijzen die God hun nog geven wilde van Zijn zorg en goedheid.
1. Hij zal met hen wezen in hun grootste moeilijkheden en gevaren, vers 2. "Wanneer gij zult gaan door het water en door de rivieren, door het vuur en de vlam. Ik zal hij u zijn en dat zal uw veiligheid wezen, als de gevaren zeer nabij zijn, en zeer dreigend, dan zult gij er uit verlost worden." Zijn zij op hun reis door diepe wateren heengegaan? Zij zouden er niet in omkomen. De rivieren zullen u niet overstromen. Zouden zij door hun vervolgers in een vurige oven worden geworpen, omdat zij standvastig hun God blijven aankleven? Dan zou toch de vlam hen niet aansteken, hetgeen naar de letter vervuld is geworden in de wonderbare bewaring van de drie jongelingen Dan.3. Hoewel zij heengingen door vuur en water, hetgeen voor hen was als het dal van de schaduwen des doods, behoefden zij, daar God met hen was, geen kwaad te vrezen zij zullen gesteund en gedragen en doorgeholpen worden, "wij zijn door vuur en water gegaan, maar gij voerde ons uit in de overvloed" Psalm 66:12.
2. Als het nodig was, zou Hij nog al de belangen van de kinderen van de mensen doen wijken voor de belangen van Zijn eigen kinderen. Ik zal mensen, voorname, aanzienlijke mensen, in uw plaats geven, krijgslieden, ja gehele volken in plaats van uw ziel, dat is: uw leven. Naties zullen opgeofferd worden voor uw welzijn." Veeleer dan Gods Israël zullen allen worden afgesneden, zo kostelijk zijn zij in Zijn ogen De zaken van de wereld zullen zo geregeld en geschikt worden, dat zij het voordeligst zijn voor de kerk, 2 Kronieken 16:9.
3. Diegenen van hen, die verstrooid waren onder andere volken, zullen allen bijeenvergaderd worden en delen in de openbare zegeningen, vers 6, 7. Sommigen van het zaad Israëls waren verstrooid in alle landen, in het oosten en westen, in het noorden en zuiden, of in alle delen van Babylonië, maar zij, wier geest door God opgewekt werd om naar Jeruzalem te gaan, zullen uit al die delen bijeenvergaderd worden, de Goddelijke genade zal ook hen bereiken, die het verst verwijderd waren en op de grootste afstand van elkaar, en toen de tijd daar was, heeft niets hen verhinderd om samen te komen en gezamenlijk weer te keren in verhoring van hun gebed, Psalm 106:47 :"Verzamel ons weer uit de volken" ter vervulling van deze belofte: "Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels vandaar zal u de Heere, uw God, vergaderen en vandaar zal Hij u nemen," Deuteronomium 30:4, waarop gepleit werd ten behoeve van de kinderen van de gevangenschap, Nehemia 1:9. Maar wie zijn het zaad Israëls, die aldus zorgvuldig bijeenvergaderd zullen worden? Hij zegt het ons in vers 7, het zijn de zodanigen, die God getekend heeft voor genade, want:
A. Zij zijn naar Zijn naam genoemd, zij belijden de Godsdienst en zijn onderscheiden van het overige van de wereld door hun verbondsbetrekking tot God.
B. Zij zijn geschapen tot Zijn eer, de geest van Israëlieten is in hen geschapen, en zij zijn geformeerd naar de wil van God, en deze zijn het, die bijeenvergaderd worden. Alleen diegenen zijn geschikt om naar Gods naam genoemd te worden, die door Zijn genade geschapen zijn tot Zijn eer, en zij, die door God geschapen en geroepen zijn, worden thans vergaderd tot Christus als hun Hoofd, en daarna in de hemel als hun tehuis Hij zal Zijn uitverkorenen vergaderen uit de vier windstreken. Deze belofte wijst op de bijeenvergadering van de verstrooiden van de heidenen, en de vreemdelingen die verstrooid zijn door het Evangelie van Christus, die gestorven is om de kinderen Gods, die verstrooid zijn bijeen te vergaderen, want de belofte was voor allen, die verre zijn, zovelen als de Heere onze God er toe roepen en scheppen zal. God is met de kerk, laat haar dus niet vrezen, niemand van hen, die tot haar behoren, zal verloren gaan.