Jesaja 40:27-31
I. De profeet bestraft het volk van God, die nu verondersteld worden gevangenen te zijn in Babel, om hun ongeloof en hun wantrouwen van God, en om hun gedruktheid van geest en hun vertwijfeling onder hun beproeving, vers 27. "Waarom zegt gij, o Jakob, tot uzelf en tot degenen, die om u heen zijn: mijn weg is voor de Heere verborgen? Waarom komt gij tot harde en treurige gevolgtrekkingen omtrent uzelf en uw tegenwoordige toestand, alsof die toestand geheel wanhopig was?"
1. De titels, die hij hun hier geeft, waren voldoende, om hen als weg te schamen van hun vertwijfeling: O Jakob, o Israël! Laat hen gedenken vanwaar zij hun namen hebben-van een, die God getrouw aan zich had bevonden, en vriendelijk in al zijn benauwdheden en waarom zij deze namen droegen, als Gods belijdend volk een volk in verbond met Hem.
2. De manier van hen te bestraffen is door met hen te redeneren. "Waarom Wel! bedenk eens of gij wel enige grond hebt om dit te zeggen." Velen van onze dwaze tobberijen en onze dwaze angsten zouden verdwijnen bij een streng en nauwkeurig onderzoek naar de redenen ervan.
3. Waar zij om bestraft worden is een lelijk boos woord, dat zij van God spreken, alsof Hij hen had verstoten. Er schijnt een nadruk gelegd te zijn op hun zeggen ervan: Waarom zegt gij en spreekt gij Het is slecht als boze gedachten in ons hart opkomen, maar het is erger om er een imprimatur aan te geven, en ze in boze woorden te verkeren. David denkt met berouw en leedwezen aan hetgeen hij gezegd heeft in zijn haasten, toen hij in moeite en benauwdheid was.
4. Het boze woord, dat zij spraken, was een woord van wanhoop over hun tegenwoordige rampspoedige toestand. Zij waren gereed om tot de gevolgtrekking te komen:
A. Dat God geen acht op hen wilde slaan: "Mijn weg is voor van de Heere verborgen. Hij neemt geen kennis van onze benauwdheden, houdt zich niet meer bezig met onze belangen. Er zijn zulke moeilijkheden in onze toestand dat zelfs Goddelijke wijsheid en macht er niets voor vermogen. Een mens, wiens weg verborgen is, is iemand wiens God hem overdekt heeft, Job 3:23.
B. Dat God hen niet kon helpen. "Mijn recht gaat van mijn God voorbij, voor mijn toestand is geen hulp meer mogelijk, God zelf kan er de grieven niet van herstellen, "onze beenderen zijn verdord," Ezechiël 37:11.
II. Hij herinnert aan hetgeen, dat, zo er behoorlijk over nagedacht werd, volstaan zou om al hun vrees tot bedaren te brengen en al hun wantrouwen te doen ophouden. Ter hunner overtuiging, evenals tevoren ter overtuiging van afgodendienaars, vers 21, beroept hij zich op hetgeen zij wisten, en op hetgeen zij hadden gehoord. Jakob en Israël waren een volk van kennis, zij hadden dit tenminste kunnen zijn, en hun kennis kwam door het gehoor, want de wijsheid riep in hun voornaamste plaatsen en in hun plaatsen van samenkomst. Nu hadden zij onder andere dingen gehoord, dat God eenmaal had gesproken, ja menigmaal hadden zij gehoord, dat "de sterkte Godes is," Psalm 62:12. Dat is:
1. Hij zelf is een almachtig God, dat moet Hij wel wezen, want Hij is de eeuwige God, namelijk Jahweh, Hij was van eeuwigheid, Hij zal zijn tot in eeuwigheid, en daarom is er in Hem geen gebrek, geen falen, geen verval. Hij heeft Zijn bestaan uit zichzelf, en daarom moeten al Zijn volmaaktheden grenzenloos zijn. Hij is zonder begin van dagen of einde des levens, en daarom is er in Hem geen verandering. Hij is ook de Schepper van de einden van de aarde van de gehele aarde, en alles wat er van het éne einde tot het andere in is. Daarom is Hij de rechtmatige eigenaar en bestuurder van alles en wij moeten tot de gevolgtrekking komen, dat Hij een volstrekte macht heeft over alles en algenoegzaam is om Zijn volk te helpen, in welke nood of benauwdheid zij ook zijn. Hij is voorzeker thans even machtig om Zijn kerk te verlossen, als Hij in de beginne geweest is om de wereld te maken.
a. Hij heeft wijsheid om die verlossing te beramen, en die wijsheid staat nooit verlegen. Er is geen doorgronding van Zijn verstand om er de raad van tegen te werken of er de bedoeling van te verijdelen noch om te bepalen wat Hij doen zal, want Hij heeft Zijn eigen wegen en middelen, wegen in de zee. Niemand kan zeggen: "Zo ver zal Gods wijsheid gaan, en niet verder," want als wij niet weten wat te doen, dan weet Hij het.
b. Hij heeft macht om die verlossing tot stand te brengen, en die macht is nooit uitgeput. Hij wordt noch moede noch mat. Hij houdt geheel de schepping staande, regeert en bestuurt al de schepselen, en is noch moede noch mat, en dus heeft Hij ongetwijfeld de macht om Zijn kerk te hulp te komen, al is zij ook nog zo naar de diepte gebracht, zonder zwakheid en zonder vermoeidheid.
2. Hij geeft kracht en sterkte aan Zijn volk en helpt hen door hen instaat te stellen zichzelf te helpen. Hij, die de sterke God is, is de sterkte Israëls.
A. Hij kan de zwakken helpen, vers 29. Menigmaal heeft Hij de moeden kracht gegeven, aan hen, die op het punt zijn van te bezwijken, en aan hen, die geen krachten hebben, geeft Hij niet slechts, maar vermenigvuldigt Hij de sterkte naarmate zij haar al meer behoeven. Velen zijn op wonderbaarlijke wijze uit lichamelijke zwakheid hersteld en door Gods voorzienigheid krachtig gemaakt, en velen, die zwak van geest zijn, beschroomd en vreesachtig, onbekwaam tot dienen en tot lijden, zijn door de genade Gods nog versterkt naar de inwendige mens. Aan hen, die zich hun zwakheid bewust zijn, en gereed zijn te erkennen dat zij geen kracht hebben, vermenigvuldigt God op bijzondere wijze de sterkte, want, als wij zwak zijn in onszelf, dan zijn wij machtig in de Heere.
B. Hij zal de gewilligen helpen, Hij zal hen helpen, die in nederig vertrouwen op Zijn hulp, zichzelf helpen, en wel doen voor hen, die hun best doen, vers 30, 31. Zij, die op hun eigen genoegzaamheid vertrouwen, en van die genoegzaamheid zo overtuigd zijn, dat zij noch zich ten uiterste inspannen noch God bidden om Zijn hulp en genade zij zijn de jongen en de jongelingen, die sterk zijn, maar licht geneigd zijn om zich sterker te achten dan zij werkelijk zijn. En zij zullen moede worden en gewis vallen falen in hun dienst, in hun strijd en onder hun last, zij zullen spoedig de dwaasheid moeten inzien van op zichzelf vertrouwd te hebben. Maar die de Heere verwachten, die nauwgezet zijn in plichtsbetrachting jegens Hem, en door het geloof op Hem steunen en vertrouwen en zich overgeven aan Zijn leiding, God zal niet falen aan hen, die dit doen.
a. Zij zullen genade hebben, die hun genoeg is, zij zullen hun kracht vernieuwen als hun werk vernieuwd is, als er nieuwe behoefte aan bestaat, zij zullen gezalfd worden, hun lampen zullen van verse olie worden voorzien, God zal hun arm zijn iedere morgen, Hoofdstuk 33:2. Indien zij te eniger tijd verzwakt zijn, dan zullen zij zich herstellen, en aldus hun kracht vernieuwen. Het Hebreeuws luidt: zij zullen hun kracht veranderen, zoals hun werk veranderd is, hun werk van doen en hun werk van lijden, zij zullen kracht hebben om te arbeiden, kracht om te worstelen, kracht om te weerstaan, kracht om te dulden en te dragen. Hun kracht zal zijn naar hun dagen.
b. Zij zullen deze genade tot de beste doeleinden aanwenden. Bekrachtigd zijnde, zullen zij:
Ten eerste. Opvaren met vleugelen, zich verheffen tot God. Zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden, zo krachtig, zo snel naar de hoogte, hemelwaarts. In de kracht van de Goddelijke genade zal hun ziel zich verheffen boven de wereld, en ingaan in het heilige der heilige. Vrome en Godvruchtige genegenheden zijn de arendsvleugelen, waarmee zielen, die genade van God hebben ontvangen, opvaren, Psalm 25:1.
Ten tweede. Zij zullen voorwaarts streven, voorwaarts naar de hemel. Zij zullen wandelen, zij zullen de weg van Gods geboden lopen, blijmoedig en opgewekt, zij zullen niet moede worden, gestadig en met volharding, zij zullen niet mat worden, en daarom zullen zij ter bestemder tijd oogsten. Laat Jakob en Israël daarom voortgaan met op God te wachten, zelfs in hun grootste benauwdheden, en niet wanhopen aan tijdige krachtige en afdoende hulp en ondersteuning van Hem.