Psalm 115:9-18
In deze verzen:
I. Worden wij, een ieder van ons, ernstig vermaand om op God te vertrouwen, en ons vertrouwen op Hem niet aan het wankelen te laten brengen door de beledigingen en het smalen van de heidenen vanwege onze tegenwoordige beproeving of benauwdheid. Het is dwaasheid om op dode beelden te vertrouwen, maar het is wijsheid om te vertrouwen op de levende God, want Hij is hun, die op Hem vertrouwen een hulp en een schild. Een hulp, om hen te voorzien van en voort te doen gaan in hetgeen goed is, en een schild om hen te beschermen en te versterken tegen alles wat kwaad is. En daarom:
1. Laat Israël vertrouwen op de Heere, het volk in zijn geheel ten opzichte van hun openbare belangen, en ieder afzonderlijk Israëliet met betrekking tot zijn bijzondere aangelegenheden, laat hen het aan God overaten om die voor hen te regelen, en geloven dat Hij alles ten beste voor hen schikken zal en hun tot een hulp en een schild zal zijn.
2. Laat de priesters, de knechten des Heeren, en allen, die van het huis van Aaron zijn, vertrouwen op de Heere, vers 10 zij worden door de vijanden het meest benijd en belasterd, en daarom draagt God zeer bijzonder zorg voor hen. Zij behoren aan anderen het voorbeeld te geven van een blijmoedig vertrouwen op God en van een getrouw aankleven van Hem ook in de moeilijkste tijden.
3. Laat de proselieten, die niet van het zaad Israëls zijn, meer de Heere vrezen, Hem aanbidden en hun plicht jegens Hem nauwgezet betrachten, op Hem vertrouwen, want Hij zal hen niet begeven en niet verlaten, vers 11. Overal waar een eerbiedige vreze Gods is, daar kan een blijmoedig geloof in Hem zijn, zij, die eerbied hebben voor Zijn Woord, kunnen er op vertrouwen.
II Wij worden grotelijks bemoedigd om op God te vertrouwen, en er is ons goede reden gegeven waarom wij ons volkomen en gerust op Hem kunnen verlaten. Denk:
1. Aan hetgeen wij ervaren hebben, vers 12. De Heere is ons gedachtig geweest. Hij is dit altijd en op zeer opmerkelijke wijze geweest en bij alle gelegenheden. Hij heeft gedacht aan onze toestand, aan onze noden en behoeften, aan onze lasten, Hij is onze gebeden gedachtig geweest, van Zijn beloften aan ons en van de verbondsbetrekking tussen Hem en ons. Al onze vertroostingen, alles wat ons lieflijk is, vloeit voort uit Gods gedachten aan ons, Hij is ons gedachtig geweest, hoewel wij Hem hadden vergeten. Laat dit ons aansporen om op Hem te vertrouwen, dat wij Hem getrouw hebben bevonden.
2. Wat wij kunnen verwachten. Uit hetgeen Hij voor ons gedaan heeft kunnen wij afleiden dat Hij ons zal zegenen, Hij, die onze hulp en ons schild geweest is, zal het nog zijn, Hij, die aan ons gedacht heeft in onze nederheid, zal ons niet vergeten, Hij is nog dezelfde, Zijn macht en goedheid zijn nog dezelfde, en Zijn belofte is onverbreekbaar zodat wij reden hebben om te hopen dat Hij die ons gered heeft, ons redt, ons ook nog zal redden en verlossen. Maar dit is nog niet alles: Hij zal ons zegenen, Hij heeft beloofd dat Hij dit doen zal, Hij heeft een zegen uitgesproken over Zijn volk. Als God ons zegent, dan spreekt Hij niet alleen goed tot ons, maar dan doet Hij goed aan ons, die Hij zegent, zijn gezegend. Er is inzonderheid beloofd, dat Hij het huis Israëls zal zegenen, Hij zal het gemenebest zegenen, zal Zijn volk zegenen in hun burgerlijke belangen. Hij zal het huis van Aäron zegenen, de kerk de bedienaren van de Godsdienst, Hij zal Zijn volk zegenen in hun Godsdienstige belangen. Het was de plicht van de priesters, hun ambtsplicht, om het volk te zegenen, Numeri 6:23, maar God zegende hen en zegende aldus hun zegening. Ja meer. Hij zal zegenen die de Heere vrezen, vers 13 al zijn zij ook niet van het huis van Israël of van het huis van Aaron, want het was een waarheid, voordat Petrus het vernomen had, dat "in allen volke die God vreest en gerechtigheid werkt Hem aangenaam is," en door Hem gezegend wordt, Handelingen 10:34, 35 Hij zal zegenen de kleinen met de groten, jong en oud. God heeft zegen weggelegd voor hen, die reeds intijds Godvruchtig worden, en voor hen, die oude discipelen zijn, voor hen, die arm zijn in de wereld, en voor hen, die er een hoog aanzien in hebben. De grootsten, de voornaamsten hebben Zijn zegen van node, en aan de geringsten van hen, die Hem vrezen zal hij niet ontzegd worden. Beiden de zwakken in genade en de sterken zullen door God gezegend worden, de lammeren en de schapen van Zijn kudde.
Er is beloofd: De Heere zal u vermeerderen vers 14 u doen toenemen. Wien God zegent vermeerdert Hij, dat was een van de eerste en oudste zegeningen: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt. Gods zegen geeft vermeerdering, vermeerdering in getal, het gezin opbouwende, vermeerdering van have, de bezitting en de eer doende toenemen, inzonderheid een vermeerdering van geestelijke zegeningen door Goddelijke wasdom. Hij zal u zegenen met toeneming in kennis en wijsheid, in genade en heiligheid en blijdschap, diegenen zijn in waarheid gezegend, die God aldus doet toenemen, die wijzer en beter gemaakt worden, en geschikter voor God en de hemel. Er is beloofd dat dit:
a. Een gestadige, voortdurende toeneming zal zijn. "Hij zal u al meer en meer doen toenemen," zodat gij, zolang gij leeft, steeds zult toenemen, totdat gij, als het schijnende licht, tot volmaaktheid komt, Spreuken 4:18
b. Een erfelijke toeneming zult zien, u en uw kinderen, u in uw kinderen. Het is voor ouders een troost hun kinderen te zien toenemen in wijsheid en kracht. Er is een zegen beloofd voor het zaad van hen, die God vrezen, zelfs reeds in hun kindsheid. Want gijlieden zijt de Heere gezegend, vers 15, gij en uw kinderen zijt dit, "allen, die hen zien zullen, zullen hen kennen dat zij zijn een zaad dat de Heere gezegend heeft," Jesaja 61:9. Zij die de gezegenden des Heeren zijn, hebben genoeg aanmoediging om te vertrouwen op de Heere als hun hulp en hun schild, want Hij is het, die de hemel en de aarde gemaakt heeft, daarom zijn Zijn zegeningen vrij, want zelf behoeft Hij niets, en daarom zijn zij rijk, want alles heeft Hij voor ons onder Zijn gebied, indien wij Hem vrezen en op Hem vertrouwen Hij, die de hemel en de aarde gemaakt heeft kan ongetwijfeld hen gelukkig maken, die op Hem vertrouwen, en Hij zal het.
III. Wij worden opgewekt om God te loven door het voorbeeld van de psalmist, die de psalm eindigt met een besluit om te volharden in zijn lof.
1. God moet geloofd worden, vers 16. Hij is grotelijks te prijzen, want,
a. Zijn heerlijkheid is groot. Zie, hoe statig Zijn paleis is en de troon, die Hij bereid heeft in de hemel, aangaande de hemel, de hemel is des Heeren, Hij is de rechtmatige eigenaar van al de schatten van licht in de bovenwereld, de betere wereld, en is in het volle bezit ervan, want Hij is zelf schitterend en oneindig zalig.
b. Zijn goedheid is groot en wijd uitgestrekt, want de aarde heeft Hij de mensen kinderen gegeven, daar Hij haar, toen Hij haar gemaakt heeft, bestemd heeft voor hun gebruik, om er hun spijs en drank en een woning op te doen vinden. Niet, dat Hij er niet nog de opperbezitter van is, de aarde is des Heeren, mitsgaders haar volheid, maar Hij heeft die wijngaard verhuurd aan deze ondankbare landlieden, en van hen verwacht Hij de pacht en de diensten. Want hoewel Hij hun de aarde gegeven heeft, is Zijn oog toch op hen, en Hij zal hun rekenschap vragen van het gebruik, dat zij ervan gemaakt hebben. Calvijn klaagt dat goddeloze mensen in zijn tijd deze Schriftuurplaats verdorven hebben, er als het ware een grap van hebben gemaakt, en sommigen doen hetzelfde in onze dagen, daar zij aldus redeneren: God heeft de aarde aan de mensen kinderen gegeven, en nu ziet Hij er ook niet meer naar om, evenmin als naar hen, die er op wonen, zij mogen er mee doen wat zij willen, haar als hun deel beschouwen, zij is, als het ware, als een prooi onder hen geworden, laat hem, die kan, er zich meester van maken. Het is zeer te betreuren dat zo'n voorbeeld van Gods goedheid jegens de mens, en zo'n bewijs als er in gelegen is van des mensen verplichting aan God, aldus misbruikt wordt. Het is zeker, dat God van de hoogste hemelen alle kinderen van de mensen aanschouwt, aan hen heeft Hij de aarde gegeven, maar aan de kinderen Gods is de hemel gegeven.
2. De doden zijn niet instaat om Hem te loven, vers 17, noch die in de stilte nedergedaald zijn. Wel leeft de ziel in een staat van afzondering van het lichaam, en is instaat om God te loven, en de zielen van de gelovigen, nadat zij verlost zijn van de last van het vlees, loven ook werkelijk God, want zij gaan op naar het land van volmaakt licht en voortdurende werkzaamheid, maar het dode lichaam kan God niet loven, de dood maakt een einde aan ons verheerlijken van God in deze wereld van beproeving en strijd, aan al onze diensten te velde, het graf is een land van duisternis en stilte, waar geen werk, noch verzinning is. Dit voeren zij aan als een pleitgrond bij God in hun bede om verlossing van hun vijanden. "Heere, indien zij vermogen ons te doden, dan zullen de afgoden overwonnen hebben, en er zal niemand zijn om U te loven, Uw naam te dragen en te getuigen tegen de aanbidders van de afgoden." De doden prijzen de Heere niet, zoals wij het doen in de werkzaamheid en ter vertroosting van dit leven. Zie Psalm 30:10, 88:11.
3. Daarom voegt het ons om Hem te loven vers 18. Maar wij, wij, die leven, zullen de Heere loven, wij, en die na ons komen, zullen dit doen, van nu aan tot in eeuwigheid, tot aan het einde der tijden, wij en zij, tot wie wij gaan, van nu aan tot in eeuwigheid. De doden loven de Heere niet, en daarom zullen wij het zoveel naarstiger doen.
a. Anderen zijn dood, en hierdoor is een einde gemaakt aan hun dienst, en daarom zullen wij alle krachten inspannen om zoveel te meer voor God te doen, ten einde hun ledige plaats aan te vullen. Mijn knecht Mozes is gestorven, zo maak gij, Jozua, u nu op.
b. Wijzelf moeten weldra heengaan naar het land van de stilte, maar terwijl wij leven zullen wij de Heere loven, zullen wij onze tijd goed gebruiken, en het werk werken desgenen, die ons in de wereld gezonden heeft om Hem te loven, eer de nacht komt en omdat de nacht komt, waarin niemand werken kan. De Heere zal ons zegenen, vers 12, Hij zal ons goeddoen, en daarom zullen wij Hem loven en goed van Hem spreken. Armzalige vergelding voor zulke ontvangsten! En wij zullen het niet alleen zelf doen, maar ook anderen opwekken om het te doen, Hallelujah, prijst de Heere, prijst Hem met ons, prijst Hem in uw plaatsen, zoals wij het doen in de onze, prijst Hem als wij zijn heengegaan, opdat Hij tot in eeuwigheid worde geprezen Hallelujah.