Jesaja 37:21-38
Wij kunnen hier opmerken:
1. Dat zij, die met geduld en lijdzaamheid boodschappen van de verschrikking ontvangen van mensen en door het gebed boodschappen des geloofs zenden aan God, verwachten kunnen dat zij tot hun vertroosting boodschappen van genade en vrede zullen ontvangen van God en dat wel als zij het meest terneergeslagen zijn. Jesaja zond aan Hizkia in de naam van God een uitvoerig antwoord op zijn gebed, hij zond het hem schriftelijk (want het antwoord was te lang om mondeling overgebracht te worden). "Dat gij tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, de koning van Assyrië, weet tot uw vertroosting, dat uw gebed verhoord is." Jesaja had hem kunnen verwijzen naar de profetie, die hij had uitgesproken, inzonderheid naar die in Hoofdstuk 10, en hem zeggen, om daaraan een antwoord te ontlenen op zijn gebed, maar opdat hij overvloedige vertroosting zou hebben, wordt hem een opzettelijk antwoord gezonden. De gemeenschap tussen de aarde en de hemel wordt nooit van Gods zijde verbroken.
2. Dat zij, die zichzelf verheffen en verheerlijken, en inzonderheid zich verheffen tegen God en Zijn volk, zich in werkelijkheid slechts vernederen en verlagen en verachtelijk maken in de ogen van alle verstandige mensen. De jonkvrouw, de dochter Zions, heeft Sanherib veracht, hem en al zijn machteloze boosheid en zijn dreigementen, zij weet dat zolang zij vasthoudt aan haar oprechtheid, zij zeker kan zijn van de Goddelijke bescherming, en dat de vijand wel kan blaffen, maar niet kan bijten. Al zijn dreigementen zijn een bespotting het is alles slechts brutum fulmen-een blote flikkering.
3. Zij, die het volk van God uitschelden, beledigen God zelf, en hetgeen tegen hen gezegd en gedaan wordt, beschouwt Hij als gezegd en gedaan tegen Hem: "wien hebt gij gehoond, de Heilige Israëls. En gij hebt Hem gehoond omdat Hij een heilige is." En het verzwaarde de belediging, die Sanherib God aandeed, dat hij niet alleen zelf Hem hoonde, maar ook zijn knechten aanspoorde om dit te doen. Door middel van uw dienstknechten, de lagen en verachtelijker, hebt gij de Heere gehoond.
4. Zij, die zichzelf verheffen en roemen op hun eigen daden, smaden God en Zijn voorzienigheid. "Gij zei: Ik heb gegraven en de wateren gedronken, ik heb grote dingen gedaan, en zal er nog meer doen," en wilt niet erkennen dat Ik het gedane heb, vers 24, 26. De werkzaamste, bedrijvigste mensen zijn niets meer dan God hen maakt, en God maakt hen niets meer dan Hij vanouds bestemd heeft. "Wat Ik van oude dagen af geformeerd heb in een eeuwig raadsbesluit, heb Ik nu doen komen," -want God doet alles naar de raad van Zijn wil- Dat gij zoudt zijn om de vaste steden te verstoren tot woeste hopen, daarom is het onduldbaar verwaand in u om het voor te stellen als uw eigen doen." Al de boosheid en al de voorstellen en voornemens van de vijanden van de kerk zijn bekend aan de God van de kerk, en zijn onder Zijn bedwang. Sanherib was bedrijvig en vlug, hij was hier en daar en overal, maar God wist zijn uitgaan en zijn binnenkomen, en had altijd het oog op hem, vers 28. En dat was niet alles: Hij had ook een hand op hem, een strenge hand, een sterke hand, een haak in zijn neus, en een gebit in zijn lippen, door welke Hij, hoewel hij zeer weerstrevend en onhandelbaar was, hem kon en zou doen weerkeren door de weg, waarlangsd hij gekomen was vers 29. Tot hiertoe zal hij komen en niet verder. God had Sanheribs opdracht tegen Juda getekend, Hoofdstuk 10:6. Hier trekt Hij haar in, hij heeft hen verschrikt, maar hij moet hen niet schaden, en daarom wordt hij er voor ontheven om verder te gaan, ja meer, zijn gevangenneming is hier getekend, om zich te verantwoorden voor hetgeen hij buiten zijn opdracht gedaan had, en waartoe hij dus niet gevolmachtigd was.
God is de milddadige weldoener van Zijn volk, zowel als hun machtige beschermer, beide een zon en een schild voor hen, die op Hem vertrouwen. Jeruzalem zal beschermd worden vers 35, de belegeraars zullen er niet in komen niet er voor komen met een geregelde aanval, maar zullen reeds voor het begin van de belegering verslagen worden, vers 33. Maar dit is nog niet alles. God zal in genade wederkeren tot Zijn volk en hun goeddoen. Hun land zal meer dan gewoonlijk vruchtbaar zijn, zodat hun verliezen ruimschoots vergoed zullen worden. Zij zullen geen kwade gevolgen hebben te lijden, hetzij van de verwoestingen, aangericht door de vijand, of van de stilstand van het landbouwbedrijf. Maar de aarde zal, evenals in de beginne, vanzelf vruchten voortbrengen, en van die spontane voortbrengselen zullen zij leven, ja in overvloed leven. De zegen des Heeren kan, als het Hem behaagt rijk maken zonder de hand van de vlijtige. En laat hen niet denken dat de verwoesting van hun land hen zal vrijstellen van het waarnemen van het sabbatjaar dat het volgende jaar schijnt ingevallen te zijn toen zij niet mochten ploegen en zaaien, neen, hoewel zij nu niet, zoals gewoonlijk, van tevoren hun voorraad voor dat jaar hadden, moeten zij het toch nauwgezet waarnemen, en op God vertrouwen dat Hij in hun behoeften zal voorzien. Er moet op God vertrouwd worden in de weg van de plichts
5. Niemand kan bestaan voor de oordelen Gods, als zij komen met een opdracht.
a. De grootste menigten kunnen er niet voor bestaan. Eén engel zal in één nacht een groot en talrijk leger dood op de plaats uitstrekken, als God hem dit gebiedt, vers 36. Hier zijn honderd vijf en tachtig duizend dappere krijgslieden in een ogenblik in even zoveel dode lichamen veranderd. Velen denken dat bij gelegenheid van deze nederlaag van het Assyrische leger de 76ste psalm geschreven werd, waar van het beroven van de stouthartigen, die heengezonden werden om hun langdurige slaap te slapen, vers 6 afgeleid wordt, dat God doorluchtiger en heerlijker is dan de roofbergen, vers 5, en dat Hij vreeslijk is, vers 8. Meer dan wij weten worden engelen gebruikt als dienaren van Godsgerechtigheid om de hoogmoed van de goddelozen te straffen en hun macht te verbreken.
b. De hoogsten en aanzienlijksten kunnen er niet voor bestaan. De grote koning, de koning van Assyri, heeft een zeer klein aanzien, als hij genoodzaakt is terug te keren, niet alleen met schande omdat hij niet tot stand kan brengen wat hij zich voorgenomen had, en waarvan hij met zoveel zekerheid had gesproken en gesnoefd maar met angst en vrees dat de engel, die zijn leger had vernietigd, ook hem zou doden. Maar nog kleiner en nietiger zal hij er uitzien als zijn eigen zonen, die hem hadden behoren te beschermen, hem offerden aan zijn afgod wiens bescherming hij zocht, vers 37, 38. God kan spoedig de adem doen ophouden van hen die dreiging en moord blazen tegen Zijn volk en Hij zal het doen als zij de mate van hun ongerechtigheid vol hebben doen worden, en de Heere is bekend door de oordelen, die Hij volvoert, bekend als een God, die de hovaardigen wederstaat. Door deze beschikking van Gods voorzienigheid zijn vele profetieën vervuld geworden, hetgeen ons moet aanmoedigen, o. m. daar zij verder zien en bedoeld zijn als gewone en algemene verzekeringen van de veiligheid van de kerk en van allen, die op God vertrouwen, op God vertrouwen voor de vervulling ervan. Hij, die verlost heeft, wil en zal nog verlossen. Heere, vergeef onze vijanden, maar laat aldus al Uw vijanden omkomen, o Heere!