Jesaja 36:11-22
Wij kunnen hier de lering uit afleiden:
1. Dat terwijl vorsten en raadsheren de openbare zaken met elkaar bespreken, het niet billijk is om er het volk in te betrekken. Het was een redelijk voorstel dat Hizkia's gevolmachtigden deden om de bespreking en beraadslaging te voeren in een taal, die het volk niet verstond, vers 11, omdat redenen van staaf geheimen zijn, die ook geheim moeten blijven, daar het gemene volk onbevoegd is om er over te oordelen. Daarom is het een onbillijke handelwijze, een doen van de mensen, zoals zij niet willen dat aan hen gedaan wordt, om onderdanen door lage aantijgingen en inblazingen op te zetten tegen hun wettigen vorst.
2. Trotse en hooghartige spotters zullen gewoonlijk, hoe beleefder men tot hen spreekt, zoveel grover en beledigender antwoorden. Niets kon zachtmoediger en eerbiediger gesproken worden, dan hetgeen Hizkia's agenten tot Rabsake zeiden. Wat zij verlangden was billijk en rechtvaardig, maar daarbij drukten zij zich ook uit met grote bescheidenheid en eerbied. zij noemden zich zijn dienstknechten zij verzochten, baden er om: spreek toch, bidden wij u, maar dit maakte hem nog meer boosaardig en heerszuchtig, deed hem nog gebiedender taal voeren. Ruwe, onbeschofte antwoorden te geven aan hen, die ons zachte antwoorden geven, dat is een wijze van goed met kwaad te vergelden, en diegenen zijn wel zeer slecht en naar te vrezen is onverbeterlijk bij wie datgene, hetwelk gewoonlijk de toorn afkeert, het kwaad nog erger maakt.
3. Als Satan de mensen wil afkeren van op God te vertrouwen en Hem aan te kleven dan doet hij het door hun de gedachte in te blazen, dat ze door toe te geven aan de zonde, hun staat en toestand kunnen verbeteren, maar die gedachte is onwaar en goddeloos, en moet dus met de uiterste verfoeiing verworpen worden. Als de wereld en het vlees tot ons zeggen: "Handel met ons, ga een overeenkomst met ons aan, kom tot ons uit", onderwerp u aan onze heerschappij, maak gemene zaak met ons, sta onze belangen voor, en gij zult een ieder van u van zijn wijnstok eten", dan bedriegen zij ons, ons vrijheid belovende, terwijl zij ons in de laagste gevangenschap en slavernij voeren. Men zou evengoed op Rabsake's woord van een goede behandeling en een aangename woonstede aan kunnen als op het hun, geloof hen dan niet als zij zo fraaie woorden spreken. Zij mogen zeggen wat zij willen, maar er is geen land als het land van de belofte, als het heilige land.
4. Niets kan op zichzelf ongerijmder of meer beledigend zijn voor de waren God dan Hem bij de goden van de heidenen te vergelijken, alsof Hij niets meer kon doen voor de bescherming van Zijn aanbidders, dan zij voor de bescherming van de hunnen kunnen doen, en alsof de God van Israël even gemakkelijk vermeesterd kon worden als de goden van Hamath en Arpad. Terwijl zij ijdelheid en een leugen zijn, niets zijn, en Hij de grote IK BEN is, zij zijn de schepselen van van de mensen verbeelding en het werk van van de mensen handen, Hij is de Schepper aller dingen.
5. Verwaande zondaren denken allicht dat, omdat zij hun medeschepselen te sterk waren, zij daarom ook wel opgewassen zijn tegen hun Schepper. Deze en die natie hebben zij ten ondergebracht, en daarom zal de Heere zelf Jeruzalem niet uit hun hand verlossen. Maar de potscherven kunnen wel met aarden potscherven twisten, maar laat hen niet met de pottenbakker twisten. 6. Het is soms verstandig om de dwaas niet te antwoorden naar zijn dwaasheid. Hizkias gebod luidde, "Gij zult hem niet antwoorden, het zou hem slechts tot nog meer smaadredenen en Godslastering prikkelen, laat het aan God over om hem de mond te stoppen, want gij kunt het niet. Zij hadden recht en rede aan hun zijde, maar het zou moeilijk wezen om met zo onredelijk een tegenstander van recht en rede te spreken, zonder dat er drift en hartstocht bij kwam, en als zij evenals hij tot smaadredenen zouden vervallen, dan zou Rabsake hun op dat wapen te sterk zijn.
7. Het betaamt het volk van God om smart te gevoelen over de oneer, die God wordt aangedaan door de Godslasteringen van de goddelozen, al achten ze het ook verstandig om er niet op te antwoorden. Zij hebben hem niet een woord geantwoord, maar zij verscheurden hun kleren in heilige ijver voor de eer van Gods naam en heilige verontwaardiging om de smaad, die er over uitgestort werd. Zij scheurden hun kleren toen zij Godslastering hoorden, daar zij geen welbehagen vonden in hun sieraden toen Gods eer werd aangerand.