Jesaja 32:9-20
In deze verzen zien wij God, opstaande in het gericht tegen de verachte personen, om hen te straffen voor hun slechtheid, maar eindelijk terugkerende in genade tot de milddadigen, om hen te belonen voor hun milddadigheid.
I. Toen er zo'n groot zedenbederf was, en de heilige God zo getergd was, kon men slechte tijden verwachten, en hier wordt aangekondigd dat zulke tijden komen zullen. De alarmklok wordt geluid voor de geruste vrouwen vers 9, en de dochters, die zo zeker zijn, zo zorgeloos zijn, om wier hoogmoed, ijdelheid en zucht naar weelde te bevredigen, haar echtgenoten en vaders in verzoeking waren de armen te laten verhongeren. Laat hen horen wat de profeet in de naam van God haar te zeggen heeft. "Staat op, luistert met eerbied en aandacht."
1. Laat hen weten dat God op het punt staat van verwoestende oordelen te brengen over het land, waarin zij in weelde en brooddronkenheid leefden. Dit schijnt in de eerste plaats te zien op de verwoestingen, die door Sanheribs leger werden aangericht, toen hij al de vaste steden van Juda innam. Maar dan moeten deze woorden vele dagen en jaren, overgezet worden zoals in de kanttekening) door vele dagen over het jaar, gedurende iets meer dan een jaar zal deze verwoesting gaande zijn, zolang duurde het van het eerste binnenkomen van dat leger in het land van Juda tot aan de verdelging ervan. Maar het is van toepassing op de ellendige teleurstelling, welke diegenen vroeg of laat zullen ondervinden, die hun hart stellen op de wereld en er hun geluk in denken te vinden. Gij zult beroerd zijn, gij dochters, die zo zeker zijt. Het zal ons niet beveiligen tegen beroering om de zorg van ons te werpen als wij rust hebben, ja voor hen, die zo gaarne leven zonder zorg, zal een weinigje beroering een grote kwelling wezen en hun zeer zwaar en hard vallen. Zij waren zorgeloos en gerust omdat zij geld genoeg hadden en vrolijkheid genoeg. Maar de profeet zegt haar hier:
A. Dat het land, waar zij haar pracht van ontvingen en haar lekkernijen van hadden weldra verwoest zal zijn, de wijnoogst zal uit zijn, zal mislukken, en wat zult gij dan doen, hoe zult gij aan wijn komen om er u vrolijk mee te maken? Daar zal geen inzameling komen, geen inzameling van vruchten, want er zullen geen zijn om ingezameld te worden, en gij zult er het gebrek aan vinden, vers 10, gij zult gebrek hebben aan de uiers, de goede melk van de koeien, de aangename velden en hun voortbrengselen, de nuttige velden, die dienstig zijn aan het menselijk leven, zijn de aangename, gij zult gebrek hebben aan de vruchtbare wijnstok, en de druiven, die hij u placht af te leveren." Het misbruik van overvloed wordt terecht gestraft met de schaarsheid, en diegenen verdienen beroofd te worden van hetgeen tot onderhoud des levens dient, die het tot voedsel en brandstof hebben gemaakt van hun lusten, en het voor Baäl hebben bereid.
B. Dat ook de steden, de steden van Juda, in welke zij gerust woonden, haar renten verteerden, en zich vrolijk maakten met haar lekkernijen, verwoest zullen worden, vers 13, 14. Doornen en distelen, de vruchten van de zonde en van de vloek, zullen opkomen, niet alleen op het land van Mijn volk, dat onbebouwd zal zijn maar op alle vreugdehuizen, de schouwburgen, de speelhuizen, de herbergen in de vrolijk huppelende stad. Toen een buitenlands leger land was binnengevallen, zijn de vreugdehuizen ongetwijfeld in huizen van rouw verkeerd, toen zijn de paleizen of huizen van de edelen verlaten geworden door de eigenaars ervan, die misschien naar Egypte zijn gevlucht om hulp, de menigte van de stad waren door hun leidslieden verlaten, om zo goed zij konden voor zichzelf te zorgen. Dan zullen de statige huizen tot spelonken zijn tot in eeuwigheid, die haar forten en torens zijn geweest voor sterkte en pracht, zij zullen verlaten zijn, de eigenaars zullen er nooit in terugkeren, iedereen zal er op zien zoals op Jericho, als op een anathema (uitgebannenne, vervloekte) zodat zij, zelfs als het weer vrede zal zijn, niet weer herbouwd zullen worden, maar in puin worden geworpen, een vreugde van de woudezelen en een weide van de kudden. Zo is menig huis in puin gestort door de zonde. Jam seges est ubi Trojo fuit. Koren groeit op de plaats waar Troje gestaan heeft.
2. Laat hen in het vooruitzicht hiervan beven en beroerd zijn, zich uittrekken en ontblootten, en zakken om haar lenden gorden, vers 11. Dit geeft te kennen dat zij aldus zullen beven wanneer de ramp gekomen zal zijn, genoodzaakt zullen zijn om zich te ontbloten, dat Gods oordeel haar dan zal ontbloten, maar:
A. Dat het beste middel om de ramp te voorkomen zou zijn berouw te hebben en zich te bekeren, zich te verootmoedigen om haar zonde, in het stof neer te liggen voor God, in waar berouw en droefheid naar God, waardoor dan haar rust en gerustheid nog zouden voortduren. Dit is God te ontmoeten op de weg van Zijn oordelen, en een bestraffing te voorkomen, door zelf onze fouten te verbeteren, alleen diegenen zullen breken, die niet willen buigen.
B. Dat de beste voorbereiding op de ramp of benauwdheid zou zijn zichzelf te verloochenen en een leven te leiden van ootmoed en doding van het vlees, los te zijn van alle genietingen van de zinnen. Zij, die door een heilige minachting van de wereld zichzelf reeds ontbloot hebben, kunnen het gemakkelijk dragen om ontbloot te worden, als benauwdheid en dood komen.
II. Terwijl er nog een overblijfsel onder hen was van mensen, die aan hun oprechtheid vasthouden, hadden zij reden om te hopen dat ten laatste goede tijden zullen komen, en op zulke tijden geeft de profeet hun hier een aangenaam vooruitzicht. Zulke tijden zagen ze in het laatste gedeelte van Hizkia's regering, maar de profetie kan wel verondersteld worden verder te zien, namelijk naar de dagen van de Messias, die Koning van de gerechtigheid is, en Koning van de vrede, en van wie al de profeten getuigd hebben. Merk nu op:
1. Hoe deze gezegende tijden ingeleid zullen worden: door de uitgieting van de Geest uit de hoogte, vers, 15, hetgeen niet alleen Gods welwillendheid jegens ons te kennen geeft, meer ook het goede werk Gods in ons, want dan, en niet eerder, zullen er goede tijden zijn, als God door Zijn genade aan de mensen goede harten geeft, en daarom is als God Zijn Heiligen Geest geeft aan allen, die er Hem om vragen, dit in werkelijkheid Zijn geven aan hen van alle goede dingen, zoals blijft uit de vergelijking van Lukas 11:13, met Mattheus 7:11 Dit is de grote zaak met de hoop, waarop Gods volk zich vertroost, namelijk dat de Geest over hen zal uitgestort worden, dat er een overvloediger uitstorting zal zijn van de Geest van de genade dan vroeger, naardat behoefte van de kerk in haar treurige toestand het nodig maakt. komt uit de hoogte, en daarom zien zij er voor op tot hun Vader in de hemel. Als God gunst wil betonen aan Zijn kerk, dan stort Hij Zijn Geest uit beide om Zijn volk te bereiden om Zijn gunst te ontvangen, en om hen, die Hij als werktuigen wil gebruiken van zijn gunst, er voor bekwaam te maken, en hun voorspoed te geven, want hun pogingen, om het verval van de kerk te herstellen, zijn geheel vruchteloos, totdat de Geest over hen is uitgestort, en dan wordt het werk plotseling gedaan. Het koninkrijk van de Messias werd ingeleid en opgericht door de uitstorting van de Heiligen Geest, Handelingen 2, en daardoor wordt het nog in wezen gehouden, en zal het ten einde toe in wezen blijven.
2. Welk een verwonderlijke, gelukkige verandering er dan plaats zal hebben. Hetgeen een dorre, onvruchtbare woestijn was, zal een vruchtbaar veld worden, en wat nu een vruchtbaar veld geacht werd, zal in vergelijking met wat het dan zal wezen, voor een woud worden gehouden. "Dan zal de aarde haar gewas geven." Er is beloofd, dat in de dagen van de Messias "de vrucht van de aarde zal ruisen als de Libanon," Psalm 72:16. Sommigen passen dit toe op de toelating van de heidenen in de Evangeliekerk die de woestijn tot een vruchtbaar veld maakte en de verwerping en buitensluiting van de Joden waardoor datgene tot een woud werd, hetwelk een vruchtbaar veld geweest is. Op de heidenen was de Geest des levens uitgestort, maar op de Joden een geest van een diepe slaap. Zie wat het bewijs is en wat de uitwerking is van de uitstorting des Geestes over een ziel-zij wordt er vruchtbaar door gemaakt en heeft haar vrucht tot heiligheid. Er zijn drie dingen, die deze tijden tot gelukkige tijden maken.
A. Recht en gerechtigheid, vers 16. Als de Geest uitgestort wordt op een land, dan zal het recht in de woestijn wonen, en haar in een vruchtbaar veld veranderen, en de gerechtigheid zal op het vruchtbare veld verbleven, en het nog vruchtbaarder maken. De leraren zullen de wet verklaren, en de magistraten zullen haar ten uitvoer leggen en beide zullen het zo oordeelkundig en met zoveel getrouwheid doen, dat door beide de slechten goed en de goeden beter gemaakt zullen worden. Onder alle soorten van mensen, onder de armen, de geringer en ongeleerden, die evenals de woed fijn veronachtzaamd worden, en de rijken, de aanzienlijken en geleerden, die gewaardeerd worden als het vruchtbare veld, zullen rechte denkbeelden zijn omtrent de dingen, goede beginselen heersen, en zal nauwgezet te werk worden gegaan ten opzichte van goed en kwaad, zonde en plicht. Of, in alle delen des lands, in landelijke dorpen en in de steden, onder het ruwe volk, en onder de meer beschaafden en verfijnden, zal een behoorlijke rechtsbedeling zijn. De wet van Christus voert een recht of regeling in, waarnaar wij geregeerd moeten worden en het Evangelie van Christus een gerechtigheid, door welke wij behouden moeten worden, en overal waar de Geest wordt uitgestort, wonen en blijven deze beide als een eeuwige gerechtigheid.
B. Vrede en rust, vers 17, 18. Dit is van tweeërlei aard.
a. Innerlijke vrede, vers 17. Dit volgt op de inwoning van de gerechtigheid, vers 16. Zij, in wie dit werk gewrocht is, zullen de gezegende uitwerking ervan ervaren. Het is zelf vrede, en de uitwerking ervan is gerustheid en zekerheid tot in eeuwigheid, een heilige kalmte en gerustheid van het hart, waardoor de ziel zichzelve bezit, en God bezit, en het is niet in de macht van de wereld om haar te verstoren. Vrede en gerustheid en eeuwige zekerheid kunnen verwacht en zullen gevonden worden in de weg en het werk van de gerechtigheid. Alleen in de ware Godsdienst kan ware voldoening worden gevonden, daarin is zij te vinden zonder falen. Het is een stil en gerust leven, dat geleid wordt in alle Godzaligheid en eerbaarheid, 1 Timotheus 2:2.
Ten eerste. Zelfs het werk van de gerechtigheid zal vrede zijn, in het volbrengen van onze plicht zullen wij overvloedig genot smaken, een tegenwoordig groot loon van gehoorzaamheid in gehoorzaamheid. Hoewel het werk van de gerechtigheid zwaar en kostbaar kan zijn, ons blootstellen kan aan minachting, is het toch vrede, zo'n vrede, dat hij volstaat om onze kosten te dragen.
Ten tweede. De werking van de gerechtigheid zal zijn gerustheid en zekerheid, niet alleen tot aan het einde van de tijd, van onze tijd, en in het einde, maar tot in de eindeloze eeuwen van de eeuwigheid. Wezenlijke heiligheid is wezenlijk geluk, thans, en zal volmaakte gelukzaligheid, dat is: volmaakte heiligheid zijn in eeuwigheid. b. Uitwendige vrede, vers 18. Het is een grote zegen als zij, die door de genade Gods een rustig en vreedzaam gemoed hebben, door de voorzienigheid Gods in woonplaatsen van de vrede wonen, niet verontrust in hun huizen, of gestoord in hun vergaderingen. Toen de verschrikking van Sanheribs inval voorbij was, was het volk zich ongetwijfeld meer dan ooit bewust van de zegen van een rustige woning, zonder verontrust te worden door de verschrikkingen van de oorlog. Laat ieder gezin ernaar streven, om zich vrij te houden van twist en geharrewar van binnen, geen twee tegen drie, en geen drie tegen twee in het huis, en dan van de vrees des kwaads van buiten. Jeruzalem zal een vreedzame woonstede zijn, vergelijk Hoofdstuk 33:20. En als het zal hagelen en er een geweldige storm over het woud zal losbarsten, dat blootligt voor de gure winden, dan zal Jeruzalem een stille rustplaats zijn want de stad zal laag worden in de laagte, onder de wind zijn, niet zijn zoals de sleden, die hoog gelegen zijn en dus blootgesteld aan al de woede van de storm, maar beschut door "de bergen, die rondom Jeruzalem zijn," Psalm 125:2, de forten en de hoge torens zullen naar beneden gebracht worden, vers 14, maar de stad die laag ligt zal een rustige verblijfplaats zijn. Diegenen zijn het veiligst en kunnen gerust wonen, die nederig zijn en in de laagte willen wonen, vers 19. Zij, die in een vreedzame woonplaats willen wonen, moeten bereid zijn om laag te wonen en in een lage plaats. Sommigen denken dat hier een toespeling is op de bewaring van het land Gosen voor pest en hagel, die in het land van Egypte een grote verwoesting hebben aangericht.
C. Overvloed. Er zal overal zo'n goede oogst ingezameld worden, en in elk jaar dat de landbouwers gelukkig geprezen worden, die aan alle wateren zaaien, vers 20, die al de grond bezaaien, die voor het zaad geschikt is, die hun "brood- of hun broodkoren uitwerpen op het water," Prediker 11:1. God zal de wasdom geven, maar dan moet de landman vlijtig wezen en op zijn werk acht geven, en aan alle wateren zaaien, en als hij dat doet, dan zal het koren zo dicht en hoog opkomen, dat hij er zijn vee, de os en de ezel henenzendt om er het bovenste van te eten, en het aldus laag te houden, daar het anders al te welig op zou schieten. Dit is van toepassing:
a. Op de prediking des Woords. Sommigen denken dat het wijst op het dienstwerk van de apostelen, die als landlieden uitgingen om hun zaad te zaaien, Mattheus 13:3, en zij zaaiden aan alle wateren- overal waar zij kwamen, predikten zij het Evangelie. Wateren betekenen mensen, en zij predikten voor grote scharen van mensen. Overal waar zij het hart van de mensen verzacht vonden en bevochtigd, en geneigd om het Woord te ontvangen, wierpen zij er het goede zaad in. En terwijl het door de wet van Mozes aan de Joden verboden was om "tegelijk met een os en een ezel te ploegen," Deuter. 22:10, hetgeen te kennen gaf, dat Joden en heidenen niet onder elkaar vermengd moesten, zal nu het onderscheid weggenomen worden, en beide de os en de ezel beide Jood en heiden, zullen gebruikt worden in de Evangeliedienst en er het voordeel van genieten.
b. Op werken van liefdadigheid, als God deze gelukkige tijden zendt, zalig zijn dan degenen, die er gebruik van maken door goed te doen met hetgeen zij hebben, die alle gelegenheden waarnemen om de armen te helpen, want te bestemder tijd zullen zij maaien.