Jesaja 29:1-8
Men is het er algemeen over eens, dat het Jeruzalem is, hetwelk hier Ariël genoemd wordt, want dat was de stad, waarin David gelegerd of gewoond heeft. Dat deel ervan, dat Zion genoemd werd, was in zeer bijzondere zin Davids stad, waarin beide de tempel en het paleis waren, maar waarom het aldus genoemd werd is zeer onzeker, waarschijnlijk waren de naam en de reden toen welbekend. Steden, zowel als personen krijgen bijnamen. Ariël betekent Gods leeuw, of de sterke leeuw, gelijk de leeuw koning is onder de dieren, zo was Jeruzalem onder de steden, aan allen om haar heen de wet voorschrijvende het was "de stad van de grote Koning," Psalm 48:2, 3, het was de hoofdstad van Juda, die "een leeuwenwelp" genoemd wordt, Genesis 49:9, en wiens veldteken een leeuw was, en Hij, die de leeuw is uit de stam van Juda, was er de heerlijkheid van. Jeruzalem is soms een verschrikking geweest voor de naburige volken, en zo lang zij een stad van de gerechtigheid was, was zij stoutmoedig als een leeuw. Sommigen denken dat Ariël het brandofferaltaar betekent, hetwelk de dieren verteerde, die er op geofferd werden, zoals de leeuw zich prooi verslindt. Wee het altaar in de stad waar David woonde, dat met de tempel verwoest werd door de Chaldeën. Ik houd het veeleer voor een wee over Jeruzalem, Jeruzalem, het wordt hier herhaald, zoals in Mattheus 23:37, opdat het te meer tot opwaking zal zijn. Hier is:
I. De benauwdheid of beangstiging van Jeruzalem voorzegd. Jeruzalem is een sterke stad als een leeuw, een heilige stad, als een leeuw Gods, maar, zo ongerechtigheid in haar wordt gevonden, wee haar! Het was de stad waarin David gewoond heeft, hij was het, die er in gebracht heeft wat er de heerlijkheid van was, en haar tot een type maakte van de Evangeliekerk, en zijn wonen erin was een type van Christus wonen in Zijn kerk. Er wordt melding van gemaakt als een verzwaring van Jeruzalems zonde, dat er beide het getuigenis van Israël en de stoelen des gerichts van het huis Davids in gesteld waren.
1. Laat Jeruzalem weten dat haar uitwendige bevoorrechting met de Goddelijke eredienst haar niet tot vrijstelling kan dienen van de oordelen Gods, vers 1. "Voegt jaar tot jaar" gaat voort in de weg van uw feesten, laat al uw mannen daar driemaal in het jaar verschijnen voor het aangezicht des Heeren, en geen hunner ledig komen, naar de wet en het gebruik, en laat hen nooit bij een van deze plechtigheden ontbreken-laat hen feestofferen slachten, zoals zij plachten te doen, maar laat hen, zolang hun levensgedrag niet verbeterd en hun hart niet verootmoedigd is, niet denken dat zij daarmee God, die zij beledigd hebben, kunnen verzoenen, en er Zijn toorn door kunnen afwenden." Geveinsden kunnen gevonden worden in gestadig volbrengen van Godsdienstige handelingen, en daarmee kunnen zij zichzelf misleiden, maar nooit kunnen zij er God mee behagen, of Hem er door verzoenen.
2. Laat haar weten dat God tegen haar komt in misnoegen, dat zij van de Heere van de heirscharen bezocht zal worden, vers 6. Er zal een onderzoek plaats hebben naar haar zonden, en ze zullen gestraft worden, God zal er met verschrikkelijke oordelen voor afrekenen, met de ontzettende verschrikkingen en verwoestingen van de strijd, die als donder en aardbevingen, stormen en wervelwinden zullen zijn, en met verterend vuur, inzonderheid vanwege het ontzettend, schrikwekkend geluid. Als een buitenlands vijand, niet aan hun grenzen, maar in het binnenste van hun land was, brullende en alles verwoestende, inzonderheid zo'n leger als dat van de Assyriërs was, welks aanvoerders zo onbeschaamd en beledigend waren, zoals blijkt uit het gedrag en de houding van Rabsake, en de gewone soldaten waren ongetwijfeld nog veel ruwer en woester dan konden zij de Heere van de heirscharen zien, hen bezoekende met donder en storm. Daar hiervan echter gesproken wordt als van een groot geluid, kan er mee te kennen gegeven zijn dat zij meer verschrikt dan geschaad zullen worden. Inzonderheid
A. Zal Jeruzalem belegerd worden. Hij zegt niet: Ik zal Ariel verwoesten, of vernietigen, maar Ik zal Ariël beangstigen, en zij wordt daarom in benauwdheid gebracht, opdat zij er door opgewekt zijnde tot bekering en reformatie, niet ten verderve zou worden gebracht, vers 3. Ik zal een leger in het rond om u slaan. Het was het leger van de vijand, dat er zich om heen kampeerde, maar God zegt dat Hij het zal doen, want zij zijn Zijn hand, Hij zal het doen door hen. God had zich dikwijls en gedurende lange tijd door een heir van engelen voor hen en rondom hen gelegerd tot hun bescherming en uitredding, maar nu was Hij hun in een vijand veranderd, en streed Hij tegen hen. Hij was het, die het beleg om hen sloeg en Hij was het, die de vestingen tegen hen had opgeworpen. Als de mensen tegen ons strijden, dan moeten wij daarin zien dat God met ons twist.
B. Zij zal in droefheid zijn omdat zij het land verwoest ziet, ziet dat al de vaste steden van Juda in de macht zijn van de vijand, daar zal treuring en droefheid wezen, vers 2. Zij, die het vrolijkst en lustigst zijn, zullen gewoonlijk, als zij in benauwdheid komen, het meest terneergeslagen en overstelpt van droef held en kommer zijn, hun lachen wordt dan in rouwklage verkeerd. Geheel Jeruzalem zal mij dan als Ariël zijn, gelijk het altaar met vuur erop, en geslachte dieren er om heen, " zo was het toen Jeruzalem door de Chaldeën werd verwoest, en ongetwijfeld velen gedood waren, en toen zij belegerd was door de Assyriërs. De gehele stad zal een altaar wezen, waarin zondaren, vallende onder de oordelen, die zijn uitgegaan, als slachtoffers zullen wezen van de Goddelijke gerechtigheid. Of aldus: Daar zal treuring en droefheid wezen, zij zullen berouw hebben, zich verbeteren, zich tot God wenden, en dan zal zit mij wezen als Ariël. Jeruzalem zal zichzelf zijn zal mij weer een Jeruzalem wezen, een heilige stad, Hoofdstuk 1:26.
C. Zij zal vernederd worden, onderworpen worden gemaakt, vers 4. "Gij zult naar bereden worden gebracht van de hoogte uwer verwaandheid, waartoe gij zijt gekomen, de trotse blikken en de hoogmoedige taal zullen door de éne vernederende leiding van Gods voorzienigheid na de andere naar beneden worden gebracht." Zij, die Gods oordelen hebben geminacht, zullen er door vernederd worden, want de hoogmoedigste zondaren zullen of buigen voor Zijn aangezicht, of breken. Zij laadden hoogmoedige woorden gesproken, hadden "de hoorn verhoogd omhoog, hadden gesproken met stijve hals," Psalm 75:6, maar nu zullen zij uit de aarde spreken, zullen zij uit het stofpiepen. Dit geeft te kennen dat zij zwak en onmachtig zullen zijn, niet in staat om manmoedig te spreken of om alles te zeggen wat zij wilden zeggen, maar evenals van personen, die ziek zijn, of aan wie alle moed schijnt te begeven zal hun spraak zacht, fluisterend en afgebroken zijn, en dat zij angstig en in ontsteltenis zullen zijn en genoodzaakt om zachtjes te spreken bevreesd zijnde dat de vijanden hen zouden horen, en daardoor in het voordeel tegen hen zouden komen, en dat zij zich gedwee aan de overwinnaars zullen moeten onderwerpen. Toen Hizkia zich aan de koning van Assyrië onderwierp, zeggende: "Ik heb gezondigd, wat gij ma opleggen zalf, zal ik dragen," 2 Koningen 18:14, was zijn spreken zacht, sprak hij op lage toon sprak hij uit het stof. God kan hen doen kruipen die het stoutmoedigst zijn geweest, kan hun alle moed benemen.
II. Het verderf van Jeruzalems vijanden wordt voorzegd tot vertroosting van al haar vrienden, en die in deze benauwdheid het goede voor haar wensten, vers 5, 7.gij zult vernederd worden, vers 4, gij zult uit de aarde spreken, zo laag, zo naar de diepte zult gij gebracht zijn. Maar" (aldus kan het overgezet worden) de menigte uwer vreemde soldaten en van uw verschrikkelijken, -de talrijke legers van de vijand zullen zelf als dun stof zijn, in het geheel niet tot spreken in staat, zij zullen niet eens kunnen fluisteren, maar als het kaf zijn, dat wegstuift. Gij zult vernederd worden, maar zij zullen geheel en al ontmoedigd worden, alle moed en geestkracht zal uit hen geweken zijn, geslagen en gedood op een andere wijze, Hoofdstuk 27:7, zij zullen voorbijgaan, ja het zal in een ogenblik zijn, plotseling, de vijand zal verrast, overvallen worden door het verderf, en gij zult verrast worden door de redding, de verlossing." Het leger van de Assyriërs werd door de engel plotseling, in een ogenblik dood op de plaats neergelegd. Zodanig zal ook het verderf wezen van de vijanden van het Evangelie- Jeruzalem "hun oordeel is in één uur gekomen," Openbaring 18:10. En wederom, vers 6. Gij zult bezocht worden, of zoals dit placht te worden overgezet, Zij zal bezocht worden met donder en een groot gedruis. Gij zult in schrik en angst worden gebracht, maar gij zult dit spoedig teboven komen. Maar, vers 7, de veelheid aller heidenen, die tegen haar strijden, zal zijn als de droom van een nachtgezicht, zij en hun voorspoed zullen spoedig, onherroepelijk voorbijgaan. De veelheid van de heidenen, die strijden tegen Zion, zal wezen als een hongerige, die droomt dat hij eet, maar nog hongerig is, dat is:
1. Zij hoopten Jeruzalem tot hun prooi te maken en zich te verrijken met de buit van die rijke stad, maar hun hoop zal een ijdele droom blijken te zijn, waarmee zij zich voor eeuwige kunnen vermaken, maar die eindigen zal in teleurstelling voor hen. Zij verbeeldden zich reeds meesters te zijn van Jeruzalem, maar zij zullen het nimmer wezen.
2. Zijzelf met al hun pracht en macht en voorspoed zullen verdwijnen als een droombeeld, wanneer men ontwaakt, zij zullen van even weinig waarde en van even korte duur zijn Psalm 73:20. "Hij zal wegvliegen als een droom" Job 20:8. Het leger van Sanherib verdween en was spoedig weg, hoewel het het land vervuld had, zoals een droom iemands hoofd vervult, inzonderheid zoals een droom van spijs het hoofd vervult van hem, die hongerig naar bed ging.
Velen verstaan deze verzen als een deel uitmakende van de bedreiging van toorn, als God komt om Jeruzalem te beangstigen en haar te belegeren.
a. De veelheid van haar vrienden op wie zij steunt om haar te helpen, zal haar geen goed doen, want hoewel zij verschrikkelijken zijn, vers 5 zullen zij toch wezen als dun stof of voorbijvliegend kaf.
b. De veelheid harer vijanden zal nooit denken haar kwaad genoeg te kunnen doen, maar als zij veel van haar verslonden hebben, dit is, haar zeer veel schade en nadeel hebben toegebracht, dan zullen zij nog wezen als een die droomt dat hij eet, en nog hongerig is. Zij zullen nog meer van haar willen verslinden.