Hebreeën 5:10-14
Hier komt de apostel terug op hetgeen hij gezegd heeft en aangehaald uit Psalm 110, betrekkelijk de ordening van Christus tot hogepriester, de ordening van Melchizedek.
I. Hij verklaart dat hij vele dingen te zeggen heeft betreffende dien geheimzinnigen persoon, dien Melchizedek, wiens priesterschap eeuwig was, zodat ook de daardoor verworven zaligheid eeuwig moest zijn. Een beschouwing in bijzonderheden van dezen Melchizedek vinden wij in Hoofdstuk 7.. Sommigen denken dat de dingen, waarvan de apostel zegt dat ze zwaar om te verklaren zijn, niet zozeer Melchizedek zelf betreffen dan wel Christus, van wie Melchizedek een type was. En ongetwijfeld had de apostel veel geheimzinnige dingen betreffende Christus te zeggen, en die zwaar te verklaren waren, er zijn grote verborgenheden in den persoon en de bedieningen van den Verlosser. Het Christendom is de grote verborgenheid der godzaligheid.
II. Hij geeft de reden op, waarom hij niet alles zegt betreffende Christus, onzen Melchizedek, wat hij te zeggen had, en wat het zo moeilijk maakte om die dingen te zeggen, of te verklaren. Dat was de traagheid der Hebreeën: Gij zijt traag om te horen geworden. Er is moeilijkheid in de dingen zelf, en er kan zwakheid in de dienaren zijn om over het geheim van dit deel des Evangelies duidelijk te spreken, maar over het algemeen ligt de schuld bij de hoorders. Trage hoorders maken de prediking van het Evangelie een moeilijk ding, en zelfs zij, die enig geloof hebben, zijn slechts trage hoorders, traag van begrip en langzaam in het geloven, het verstand is zwak en begrijpt de geestelijke dingen niet, het geheugen is zwak en bewaart ze niet.
III. Hij toont het zondige van deze zwakheid aan. Het was niet een bloot-natuurlijke zwakheid, maar een zondige zwakheid, en meer in hen dan in anderen omdat zij het buitengewone voorrecht genoten hadden van lang in de kennis van Christus onderwezen te zijn.
Want gij, daar gij leraars behoorde te zijn vanwege den tijd, hebt wederom van node dat men u lere, welke de eerste beginselen zijn der woorden Gods, vers 12. Merk hier op:
1. Welke vorderingen konden redelijkerwijze van deze Hebreeën verwacht worden, daar zij zo goed onderwezen waren in de leer van het Evangelie, dat ze leraars van anderen behoorden te kunnen zijn. Leren wij hieruit:
A. God rekent met den tijd en de hulpmiddelen, die wij hebben om Schriftkennis op te doen.
B. Van hem, wie veel gegeven is, zal veel geëist worden.
C. Zij, die een goed verstand van het Evangelie hebben, moeten leraars van anderen zijn, indien niet in het openbaar, dan in het bijzonder.
D. Niemand mag het ondernemen een leraar van anderen te zijn, dan die zelf goede vorderingen in geestelijke kennis gemaakt heeft.
2. Merk op de treurige teleurstelling van deze gewettigde verwachting. Gij hebt van node dat men u wederom lere. Zie hier: A. In de woorden Gods zijn sommige eerste beginselen, gemakkelijk verstaanbaar en voor alles nodig geleerd te worden.
B. Er zijn ook diepe en kostbare verborgenheden, welke moeten doorzocht worden door hen, die de eerste beginselen geleerd hebben, opdat zij den gehelen wil van God mogen kennen.
C. Sommige mensen, in plaats van toe te nemen in Christelijke kennis, vergeten zelfs de eerste beginselen, die zij lang geleden geleerd hebben, en werkelijk zij, die niet verbeterd worden door de genademiddelen, gaan achteruit.
D. Het is zonde en schande voor mensen, die door leeftijd en plaats in de gemeente mannen behoorden te zijn, wanneer ze in het verstand kinderen en zuigelingen tonen te wezen.
IV. De apostel toont hier aan hoe de verscheidende leerstellingen van het Evangelie behoren verdeeld te worden aan de verschillende personen. Er zijn in de gemeente zuigelingen en volwassenen, vers 12-14, en er is in het Evangelie melk en vaste spijze.
1. Zij, die zuigelingen zijn, onervaren in het woord der gerechtigheid, moeten gevoed worden met melk, zij moeten onderwezen worden met de eenvoudigste waarheden, en die moeten toegediend worden op de duidelijkste wijze. Het moet zijn gebod op gebod, regel op regel, hier een weinig, daar een weinig, Jesaja 28:10. Christus veracht de zuigelingen niet, maar Hij heeft geschikt voedsel voor hen bestemd. Het is goed zuigelingen in Christus te zijn, maar men moet niet altijd in dien kinderlijken toestand blijven, wij moeten trachten de kinderschoenen te ontgroeien. Wij moeten altijd kinderen in de boosheid blijven, maar in het verstand moeten wij volwassen worden.
2. Er is vaste spijze voor de volwassenen, vers 14. De diepere verborgenheden van den godsdienst zijn voor hen, die in de school van Christus in een hogere klas zitten, die de eerste beginselen geleerd hebben en die goed kennen, zodat zij door gewoonheid de zinnen geoefend hebben tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads, van plicht en zonde, van waarheid en dwaling.
A. Er zijn altijd in de gemeente kinderen, jongelingen en vaders geweest.
B. Ieder waar Christen heeft, na het beginsel van geestelijk leven van God ontvangen te hebben, behoefte aan voedsel om dat leven te onderhouden.
C. Het Woord van God is voedsel voor het leven der genade. Als nieuwgeboren kinderkens zijt zeer begerig naar de onvervalste melk des woords, opdat gij daardoor moogt opwassen.
D. Het is de wijsheid der dienaren om het Woord der waarheid recht te snijden, en een ieder zijn deel te geven, melk aan de zuigelingen en vaste spijze aan de volwassenen.
E. Er zijn geestelijke zinnen zowel als natuurlijke. Er is een geestelijk oog, een geestelijke eetlust, een geestelijke smaak, de ziel heeft haar zinnen zowel als het lichaam, zij zijn zeer bedorven en verloren gegaan door de zonde, maar zij worden hersteld door de genade. F. Deze zinnen worden door gebruik en oefening versterkt, levend en bekwaam gemaakt om de zoetheid te proeven van hetgeen goed en waar is en de bitterheid van het valse en slechte. Niet alleen rede en geloof, maar ook de geestelijke zintuigen, zullen de mensen leren onderscheiden wat aangenaam en wat beledigend voor God is, wat bevorderlijk en wat schadelijk voor onze zielen is.