Jesaja 27:7-13
Hier zingt de profeet wederom van goedertierenheid en recht, niet, zoals tevoren, van recht over de vijanden en van goedertierenheid jegens de kerk, maar recht over de kerk, en goedertierenheid, gemengd met dat recht.
I. Hier is recht bedreigd tegen Jakob en Israël, zij zullen bloeien en groeien, vers 6, maar:
1. Sommigen van hen zullen geslagen en gedood worden, vers 7. Als God iets verkeerds onder hen vindt, dan zal Hij hen daarom onder de tekenen van Zijn misnoegen leggen. Het oordeel, het recht, zal beginnen met het huis Gods, en hen, die God uit alle volkeren van de aarde gekend heeft, zal Hij in de eerste plaats straffen.
2. Jeruzalem, hun versterkte stad, zal eenzaam en verlaten zijn vers 10, 11. God had velerlei methodes gebruikt om hen tot berouw en bekering te brengen, en tot verbetering van hun levenswandel, maar voor hen bleken zij geen kracht van uitwerking gehad te hebben en nu zal Hij voor een tijd hun land woest laten liggen, en die bedreiging werd vervuld toen Jeruzalem verwoest is geworden door de Chaldeën, is die woonstede verstoten en verlaten geworden, en is het gedurende lange tijd gebleven. Als de kleinere oordelen het werk niet doen, dan zal God grotere zenden, want als Hij oordeelt, zal Hij overwinnen. Jeruzalem is een versterkte stad geweest, niet zozeer door de kunst of door de natuur, als wel door Gods genade en bescherming, maar toen God er toe gebracht was om zich ervan terug te trekken, toen was haar schaduw, dat is haar bescherming, van haar geweken, en toen is zij verlaten geworden gelijk een woestijn. En in de lieflijkere hof van Jeruzalem zal vee weiden, zal daarin neerliggen, en er zal niemand zijn om het weg te drijven, en zij zullen de tedere takken van de vruchtbomen eten, hetgeen wellicht nog verder betekent dat het volk een gemakkelijke prooi voor zijn vijanden zal worden, als de takken ervan verdorren, terwijl zij nog aan de boom zijn, omdat zij vernietigd zijn door ruwe winden en vorst, zullen zij afgebroken worden voor brandstof, en dan zullen de vrouwen en kinderen komen om ze in brand te steken. Er zal een algehele verwoesting zijn, want zelfs de bomen zullen bedorven, vernietigd worden. En dit is een beeld, of type, van de treurige toestand van de wijngaard, vers 2, toen hij "stinkende druiven voortbracht," Hoofdstuk 3:2. Onze Heiland schijnt hiernaar te verwijzen als Hij zegt van de "ranken van de wijnstok, die niet in Hem" bleven, dat zij verdorren, en dat men ze vergadert en ze in het vuur werpt, en dat zij verbrand worden," Johannes 15:6, hetgeen op bijzondere wijze vervuld werd in de ongelovige Joden.
De gelijkenis wordt in de volgende woorden verklaard: het is geen volk van enig verstand, het is dom en verdwaasd, en ontbloot van de kennis van God, en heeft geen smaak voor Goddelijke dingen, het is als een verdorde tak, waarin geen sap meer is, en dat is op de bodem van al die zonden, om welke God hen woest gelaten heeft, eerst hun afgoderij en later hun ongeloof. Hoe schrander en vernuftig goddeloze mensen ook zijn ten opzichte van andere dingen, ten opzichte van hun grootste belangen zijn zij zonder enig verstand, en daar hun onwetendheid moedwillig is, zal zij niet alleen geen verontschuldiging voor hen zijn, maar zij zal de grond wezen van hun veroordeling, want daarom zal Hij, die hen gemaakt heeft, die hun het aanzijn heeft gegeven, zich niet over hen ontfermen, noch hen redden van het verderf, dat zij zelf over zich brengen, en Hij, die hen geformeerd heeft tot een volk, hen voor zich heeft geformeerd om Zijn lof te verkondigen, zal, daar Hij ziet dat zij niet beantwoorden aan het doel hunner formering maar het haten om hervormd, opnieuw geformeerd te worden, hen verwerpen, en hun geen genade bewijzen, en zo zijn zij dan verloren, want indien Hij, die ons gemaakt heeft door Zijn kracht, ons niet gelukkig maakt door Zijn gunst en genade, dan zou het ons beter zijn niet gemaakt te zijn geworden. Zondaren vleien zich met de hoop op straffeloosheid, of dat er tenminste niet zo streng met hen gehandeld zal worden als hun leraren zeggen, daar God toch genadig is en hun maker is, maar hier zien wij hoe zwak en onvoldoende deze pleitgronden zullen zijn, want als zij zonder verstand zijn, zal Hij, hoewel Hij hen gemaakt heeft en ofschoon Hij genade heeft weggelegd voor hen, die in zoverre zichzelf verstaan, dat zij er zich tot Hem om wenden, hun toch geen genade bewijzen, hun geen gunst betonen.
II. Hier is zeer veel genade gemengd onder dit oordeel, want er zijn goede en godvruchtige mensen gemengd onder hen, die verdorven en ontaard zijn, een overblijfsel naar de verkiezing van de genade, over wie God zich zal ontfermen, en aan wie God genade zal bewijzen, en deze beloften schijnen te wijzen op al de rampen van de kerk, waarvoor God deze verlichting zal voorzien.
1. Zij zullen wel geslagen en gedood worden, maar niet in die mate en op die wijze als waarop hun vijanden geslagen en gedood zijn, vers 7. God heeft Jakob en Israël geslagen, en hij is gedood, velen van hen, die verstaan worden onder het volk, "zullen vallen door het zwaard en door de vlam vele dagen," Daniël 11:33. Maar het zal niet wezen zoals degenen, die geslagen en gedood zijn.
A. Die hen tevoren hadden geslagen, de roede van Gods toorn zijn geweest, en de staf in Zijn hand, waarvan Hij gebruik heeft gemaakt om Zijn volk te kastijden, en met wie op hun beurt afgerekend zal worden, zelfs daarvoor. Het kind wordt gespaard, maar de roede wordt verbrand.
B. Die later door Hem gedood zullen worden, als Hij de heerschappij zal verkrijgen, en hen dan betalen zal in hun eigen munt, of om Zijnentwil gedood zijn om hun bepleiten van Zijn zaak. Gods volk en Gods vijanden worden hier voorgesteld:
a. Als worstelende met elkaar, zo is het zaad van de vrouw en het zaad van de slang altijd geweest, zo is het nog, en zo zal het altijd zijn, in deze strijd zijn er doden aan beide zijden. God maakt gebruik van slechte mensen, niet alleen om Zijn volk te slaan, maar om Zijn volk te doden, want zij zijn Zijn zwaard, Psalm 17:13. Maar als de drinkschaal van de zwijmeling hun in handen wordt gegeven, dan zal het veel erger zijn met hen dan het ooit met Gods volk is geweest in hun grootste benauwdheid-van het zaad van de vrouw worden slechts de verzenen vermorzeld, maar van de slang wordt de kop vermorzeld. Hoewel Gods volk grote verliezen kan lijden en voor een wijle in groot lijden kan zijn, zullen toch zij, die hen verdrukken, blijken nog veel grotere verliezen te lijden en in veel zwaarder lijden te komen hier of hiernamaals ten minste, want God zei hun dubbel vergelden, Openbaring 18:6.
b. Als tezamen delende in de rampen van deze tegenwoordige tijd, beide worden zij geslagen, beide worden zij gedood, en beide door de hand van God, want enerlei wedervaart de rechtvaardige en de goddeloze, maar is Jakob geslagen zoals zijn vijanden het zijn? Neen volstrekt niet, voor hem is de eigenschap ervan veranderd, zodat het geheel wat anders wordt. Hoe het ons ook moge voorkomen, er is in werkelijkheid een zeer groot verschil tussen de beproevingen en de dood van Godvruchtigen en de beproevingen en de dood van goddelozen. 2. Hoewel God met hen zal strijden, zal het toch met mate zijn, en de beproeving zal verzacht worden, geëvenredigd zijn aan hun kracht, niet aan hetgeen zij verdienen, vers 8. Hij zal hun beproevingen toebedelen, zoals de wijze geneesheer medicijnen voorschrijft aan zijn patiënt, precies zoveel van ieder bestanddeel, of juist zoveel bloed zal laten wegvloeien, als er een ader geopend is, zo ordonneert God de benauwdheden van Zijn volk, hen niet latende "verzocht worden boven hetgeen zij vermogen," Jesaja 10:13. Hij moet hun beproeving zo uit, dat zij weinig tegelijk hebben, opdat zij niet bovenmate gedrukt zouden zijn, want Hij weet wat maaksel zij zijn, en bestraft met oordeel, maar wekt niet al Zijn toorn tegen hen op. Als de beproeving komt, als Hij haar uitzendt en haar Zijn opdracht geeft, dan twist Hij met mate, en niet tot het uiterste, Hij neemt in aanmerking wat wij kunnen dragen, als Hij begint te kastijden en als Hij voortgaat met Zijn twist, zodat het de dag is van Zijn oostenwind, die niet alleen bulderend en luidruchtig is, maar ook schadelijk en verdervend, toch weerhoudt Hij Zijn harde, scherpe wind, beteugelt hem en stelt hem grenzen, laat hem niet zo hard waaien als gevreesd werd. Als Hij Zijn koren want, dan geschiedt het met een zacht windje, dat slechts het kaf wegblaast, meer niet het goede koren. God heeft de winden tot Zijn dienst en onder Zijn bevel, en iedere beproeving onder zijn bedwang. Tot hiertoe zal zij gaan en niet verder. Laat ons niet wanhopen, als het met de zaken zeer treurig gesteld is, al zijn de winden nog zo ruw, nog zo hard, God kan tot hen zeggen: Zwijgt, weest stil.
3. God zal hen wel beproeven, maar Hij zal hun beproevingen hun ten goede doen medewerken, zij zullen iets goeds werken voor hun ziel, Hij zal hen er door kastijden zoals een vader zijn kind kastijdt, om de dwaasheid uit te drijven, die in zijn hart gebonden is, vers 9. Daarom zal daardoor de ongerechtigheid Jakobs verzoend worden. Dat is het doel van de beproeving, daartoe is zij geschikt gemaakt en door Gods genade er toe medewerkende, zal zij deze gezegende uitwerking hebben, zij zal de gewoonten van de zonde doden, daardoor zullen de verontreinigingen van de ziel uitgezuiverd worden, dit is al de vrucht, dit is het wat God bedoelt, dit is al het kwaad, dat zij hun doen zal dat hun zonde weggenomen wordt, en geen grotere weldaad dan deze is, kan hun worden bewezen, al is het dan ook dat zij door een beproeving geschiedt. Daarom, omdat de beproeving verzacht en gematigd wordt, en de harde wind wordt tegengehouden, daarom kunnen wij tot de gevolgtrekking komen dat Hij hun reformatie en niet hun verderf op het oog heeft, en omdat Hij aldus zachtkens met ons handelt, behoren wij er naar te streven om te beantwoorden aan het doel, waarmee Hij ons beproeft. De bijzondere zonde, van welke zij door middel van de beproeving genezen moesten worden, was afgoderij, de zonde, die dat volk zo lichtelijk heeft omringd, en waaraan zij zozeer gehecht en als verslaafd waren. Efraïm is vergezeld met de afgoden. Maar door de gevangenschap in Babel zijn zij niet alleen van die zonde gespeend, maar zij werden er tegen ingenomen. Efraïm zal zeggen: Wat heb ik meer met de afgoden te doen? Van Jakob is de zonde weggenomen, verzoend, wanneer hij al de stenen des altaars, van zijn afgodisch altaar, waarvan de stenen hem dierbaar en heilig waren, maken zal als verstrooide kalkstenen: hij veracht ze niet slechts, heeft er geen meerdere waardering voor dan voor kalkstenen, maar hij gevoelt er toorn tegen opkomen in zijn binnenste, en in heilige wraakoefening slaat hij ze in stukken even gemakkelijk als kalkstenen in stukken worden gebroken, de bossen en de zonnebeelden zullen voor deze boetvaardige niet staan blijven, ook deze zal hij ter nederwerpen om ze nooit weer op te richten. Dit was in overeenstemming met de wet, die het afbreken en vernietigen voorschreef van alle monumenten van de afgoderij, Deuteronomium 7:5, en in overeenstemming met deze belofte, sedert de gevangenschap in Babel is er geen volk ter wereld, dat zo'n ingewortelden afkeer heeft van afgoden en afgoderij, als het volk van de Joden. Het doel van de beproeving is scheiding te maken tussen ons en de zonde, inzonderheid die, welke onze eigen ongerechtigheid is geweest, en dan blijkt het dat de beproeving ons goed gedaan heeft, als wij ons op een afstand houden van de gelegenheid tot zondigen, en alle nodige voorzorgen nemen, niet slechts om niet terug te vallen in de zonde, maar zelfs om er niet door verzacht te worden, Psalm 119:67.
4. Hoewel Jeruzalem voor een tijd verwoest en verlaten zal worden, zal er toch een dag komen, wanneer haar vrienden er zich uit alle landen, waarheen zij verstrooid waren, weer heen zullen begeven, vers 12, 13, hoewel de massa van de natie verlaten is als geen volk van enig verstand, zullen toch zij, die waarlijk kinderen Israëls zijn, weer saamvergaderd worden als de schapen van de kudde, als er met de herders, die ze verstrooid hebben, afgerekend zal worden Ezechiël 34:10-12. Merk nu ten opzichte van deze verstrooide Israëlieten op:
a. Vanwaar zij gehaald zullen worden: de Heere zal hen afslaan, vers 12, als vruchten van een boom, of, hen uitslaan, zoals koren uit de aar, Hij zal hen ontdekken en hen afscheiden van hen, onder wie zij woonden en met wie zij tot een volk verenigd schenen te zijn, van de stroom van de rivier, de Eufraat, af in het noordoosten, tot aan de Nijl, de rivier van Egypte in het zuidwesten, zij die heengedreven waren naar het land van Assyrië, en daar in het land van hun vijanden, in gevangenschap waren, waar zij op het punt waren van om te komen uit gebrek aan de noodzakelijke levensbehoeften, en op het punt waren van te wanhopen aan verlossing of uitkomst, en zij, die heengedreven waren naar het land van Egypte, waarheen velen van hen, die in het land achtergelaten waren na de gevangenschap in Babel, heen zijn gegaan tegen het uitdrukkelijk gebod van God, Jeremia 43:6, 7, en daar leefden als uitgeworpenen. God heeft genade weggelegd voor allen en zal doen blij ken dat, hoewel zij uitgeworpen zijn, zij daarom toch niet verworpen zijn.
b. Op welke wijze zij teruggebracht zullen worden. "Gijlieden zult opgelezen worden één bij één, niet bij grote getallen, niet in troepen, uzelf de weg banende, maar stil, steelsgewijze als het ware, eerst een enkele komende, en dan wederom een." Dit geeft te kennen dat het overblijfsel, hetwelk behouden zal worden, slechts uit enkelen zal bestaan en die dan nog met moeite, als door vuur gered zijn, en zij zullen niet in gezelschappen komen, maar naar God ieders geest er toe opwekt.
c. Door welk middel zij saamvergaderd zullen worden: er zal een grote bazuin geblazen worden, en dan zullen zij komen. Cyrus' proclamatie van vrijheid aan de gevangenen is deze grote bazuin, welke de Joden, die in hun slavernij ingeslapen waren, opgewekt heeft tot krachtsinspanning, het was als het blazen van de trompet des jubeljaars, dat het jaar van de vrijlating verkondigde. Dit is van toepassing op de prediking van het Evangelie, waardoor zondaren tot de genade Gods worden geroepen en ingezameld, dezulken, die uitgeworpen waren, op het punt waren van om te komen, zij, die verre waren, worden nabij gebracht. Het Evangelie verkondigt het welaangename jaar des Heeren. Het is ook van toepassing op de bazuin van de aartsengel op de laatste dag, door welke de heiligen vergaderd zullen worden tot heerlijkheid Gods, die als uitgeworpenen in hun graven lagen.
d. Tot welk doeleinde zij saamvergaderd zullen worden: om de Heere te aanbidden op de heilige berg te Jeruzalem. Toen de gevankelijk weggevoerden zich verzamelden en terugkeerden naar hun eigen land, was het voornaamste, waar zij het oog op hadden, en het eerste, waar zij zich op toelegden, de eredienst van God. De heilige tempel lag in puin, maar zij hadden de heiligen berg, "de plaats van het altaar," Genesis 13:4. Vrijheid om God te aanbidden is de kostelijkste en begerenswaardigste vrijheid, en na bedwang en verstrooiing moet de vrije toegang tot Zijn huis ons meer welkom zijn dan de vrije toegang tot onze eigen huizen. Zij, die vergaderd worden door het geklank van de Evangeliebazuin, worden ingebracht om God te aanbidden, en worden toegevoegd tot de gemeente, en de grote bazuin van allen zal de heiligen bijeenvergaderen om God dag en nacht te dienen in Zijn tempel.