Jesaja 24:1-12
Het is een zeer somber, treurig toneel, dat deze profetie ons voorstelt, waar wij onze blik ook heen richten, alles ziet er even droevig uit. De verwoestingen worden hier beschreven in een grote verscheidenheid van uitdrukkingen, die allen dezelfde strekking hebben, en allen verzwarend zijn.
I. De aarde is van al haar sieraden beroofd, en heeft het voorkomen alsof zij van haar grondslag was weggenomen, zij is ontledigd en woest, vers 1, alsof zij tot haar eerste chaos was teruggekeerd, tohoe wavohoe, wederom niets dan verwarring en leegte is, Genesis 1:2, zonder vorm en ledig, weliswaar, de aarde betekent soms het land en zo is het woord "arèts" in het derde vers hier ook door land vertaald, het land zal ganselijk ledig gemaakt worden, en het zal ganselijk beroofd worden, maar ik zie toch niet in, waarom het daar niet evenals in vers 1 door de aarde vertaald is, want gewoonlijk, zo niet altijd, is er, als het een bijzonder land betekent, iets aan toegevoegd, of ten minste staat dit toevoegsel er niet ver vanaf, om aan te tonen welk land bedoeld is, zoals het land-of de aarde-van Egypte, of Kanaän, of dit land, of ons land, of uw land en dergelijke meer. Het zou inderdaad op een bijzonder land kunnen wijzen, en een twijfelachtig woord gebruikt kunnen zijn, om zo'n toepassing te wettigen, want het is goed om op onszelf toe te passen en op ons eigen land, wat de Schrift in het algemeen zegt van de ijdelheid en de kwelling des geestes, waarmee alles hier beneden gepaard gaat, maar het schijnt bedoeld om te spreken van hetgeen dikwijls aan veel landen wedervaart, en hun zal wedervaren zolang als de wereld blijft bestaan, en wie weet hoe spoedig het aan ons eigen land kan wedervaren, en wat in het algemeen de aard is van alle aardse dingen, er is geen wezenlijk genot, geen voldoening in, het minste en geringste maakt ze onbruikbaar. Dikwijls zien wij talrijke gezinnen en rijke bezittingen geheel ontledigd geheel bedorven door het een of ander oordeel, of misschien slechts door langzaam, schier onmerkbaar verval. De zonde heeft de aarde onderstboven gekeerd, de aarde is voor de mens iets geheel anders geworden, dan wat zij geweest is toen God haar gemaakt had om hem ter woonplaats te zijn. De zonde heeft er ook de inwoners van verstrooid, de rebellie te Babel had de verstrooiïng van het mensdom ten gevolge. Op hoe velerlei wijze worden de inwoners beide van steden en van particuliere huizen niet verstrooid, zodat naaste bloedverwanten en oude buren niets meer van elkaar weten! Dezelfde strekking heeft vers 4. De aarde treurt, zij verwelkt, zij stelt hen teleur die er hun geluk in gesteld hebben, en er hoge verwachtingen van hebben gekoesterd, en gaf hun niet wat zij er zich van beloofd hebben De gehele wereld kwijnt en verwelkt als zich heenspoedende naar een algehele ontbinding. Zij is op zijn best genomen als een bloem, die verdort in de handen van hen, die er al teveel behagen in scheppen, en haar op hun borst, aan hun hart leggen. En gelijk de aarde zelf oud wordt, zo kwijnen ook zij, die daarop wonen. De mensen dragen een zwak, ziekelijk lichaam met zich om, zijn dikwijls eenzaam, als opgesloten door beproeving, vers 6. Als de aarde kwijnt en niet zo vruchtbaar is als zij placht te zijn, dan zijn zij, die daarop wonen, die haar tot hun tehuis, hun rust, hun deel maken, kwijnend en verlaten, terwijl zij, die door het geloof in God wonen, zich in Hem kunnen verblijden, ook wanneer de vijgeboom niet bloeit. Als wij de blik om ons heen slaan, en zien in hoeveel plaatsen pestilenties en brandende koortsen woeden, en hoeveel er in weinig tijds door weggeraapt worden, zodat soms de levenden nauwelijks volstaan om de doden te begraven, dan zullen wij misschien begrijpen wat de profeet bedoelt als hij zegt: de inwoners van de aarde worden verbrand, of verteerd, sommigen door de ene ziekte, anderen door een andere en vergelijkenderwijs zijn er slechts weinigen overgebleven. De wereld, waarin wij leven, is een wereld van teleurstelling, een tranendal, een stervende wereld, en de kinderen van de mensen erin zijn slechts van weinig dagen, die vol zijn van moeite en verdriet. II. Het is God, die al deze rampen over de aarde brengt. De Heere, die de aarde gemaakt heeft, haar vruchtbaar heeft gemaakt en schoon ten diepste en ten gerieve van de mens maakt haar nu ledig en woest, vers 1, want de Schepper is en zal zijn de rechter, Hij heeft het onbetwistbaar recht om vonnis over haar te vellen, en een onweerstaanbare macht om dat vonnis te voltrekken. Het is de Heere, die dat woord gesproken heeft, en Hij zal het werk doen, vers 3, het is Zijn volk, die de aarde verteerd heeft, vers 6, de algemene vloek, die de zonde "over het aardrijk heeft gebracht om des mensen wil," Genesis 3:17, en de bijzondere vloek, die geslachten en landen over zich gebracht hebben door hun ontzettende goddeloosheid. Zie de kracht van Gods vloek, hoe hij alles ledig maakt, alles verwoest, zij, die door Hem gevloekt worden, zijn in waarheid gevloekt.
III. Personen van alle rang en stand zullen in deze rampen delen, vers 2. Gelijk het volk alzo zal de priester wezen, enz. Dit is waar van vele van de gewone rampen van het menselijk leven. Allen zijn onderworpen aan dezelfde lichaamskrankheden, leed van het hart, beproevingen in familiebetrekkingen en dergelijke meer, enigerlei wedervaart aan hen, die van zeer verschillenden stand zijn, tijd en toeval wedervaart aan allen. Het is in bijzondere zin waar van verwoestende oordelen, die God soms over zondige volken brengt, als het Hem behaagt kan Hij ze algemeen maken, zodat niemand eraan ontkomt of er van vrijgesteld wordt, hetzij de mensen veel of weinig hebben, zij zullen alles verliezen. Zij, die van geringer stand zijn, zullen het eerst lijden door hongersnood, maar zij, die van hongeren stand zijn, gaan het eerst in gevangenschap, terwijl de armen in het land gelaten worden. Het zal voor allen gelijk wezen:
1. Met hoog en laag, gelijk het volk alzo zal de priester wezen, of de vorsten. De waardigheid van de magistraten en van de bedienaren van de godsdienst, de achting en eerbied die aan beide verschuldigd zijn, zullen hen niet beveiligen, :de aangezichten van de ouden zijn niet geëerd geweest," Klaagliederen 5:12. De priesters waren even verdorven en goddeloos als het volk, en hun hoedanigheid van priester heeft hen niet weerhouden van te zondigen, hoe kunnen zij dan verwachten dat zij hen zal beveiligen tegen het oordeel? In beide is het "gelijk het volk alzo de priester," Hosea 4:8, 9.
2. Met dienstknecht en vrije: gelijk de knecht alzo zijn heer, gelijk de dienstmaagd alzo haar vrouwe, zij hebben allen hun weg verdorven, en daarom zullen zij allen ongelukkig gemaakt worden, als de aarde verwoest wordt.
3. Met rijk en arm, zij, die tevoren geld hebben, geld uitzetten op interest, zullen er niet beter aan toe zijn dan zij, die zo verarmd zijn, dat zij genoodzaakt zijn hun bezittingen te verkopen en geld op te nemen op interest. Er zijn oordelen, behalve nog die op de grote dag van het oordeel, waarin rijken en armen elkaar ontmoeten. Laat hen, die tot aanzien zijn gekomen in de wereld, hun minderen niet op een te grote afstand van hen stellen, want zij weten niet hoe spoedig zij op gelijke voet met hen zullen wezen. De rijkdom van de rijke is in zijn verbeelding zijn sterke stad, maar hij zal dit niet altijd blijken te zijn in de werkelijkheid.
IV. Het is de zonde, die deze rampen over de aarde brengt. De aarde is ledig gemaakt en kwijnt weg, omdat zij bevlekt is vanwege haar inwoners, vers 5. Zij is bevlekt door de zonde van de mensen, en daarom is zij verwoest door de oordelen Gods. Zodanig is de vuile aard van de zonde, dat zij de aarde zelf verontreinigt onder de zondige inwoners ervan, zodat zij onaangenaam is in de ogen van God en van goede mensen. Zie Leviticus 18:25, 27, 28. Bloed inzonderheid verontreinigt het land, Numeri 35:33. De aarde spuwt nooit haar inwoners uit, voordat zij haar bevlekt hebben door hun zonden. Wel, wat hebben zij gedaan? 1. Zij hebben de wetten overtreden van hun schepping, niet beantwoord aan het doel ervan. De banden van de wet van de natuur zijn door hen verbroken, en de koorden hunner verplichtingen aan de God van de natuur hebben zij van zich geworpen.
2. Zij hebben de inzettingen veranderd van de geopenbaarden godsdienst, diegenen van hen, die er het voordeel van hadden genoten. Zij hebben de inzettingen veronachtzaamd, zo lezen het sommigen, en hebben ze niet nauwgezet waargenomen, in het bedrijven van de zonde zijn zij over de wet heengegaan, en in het nalaten van plichten zijn zij de inzettingen voorbijgegaan.
3. Hierin hebben zij het eeuwig verbond verbroken, dat een eeuwige verplichting oplegt, en voor hen, die het houden, een eeuwige zegen zal zijn. Het is Gods grote nederbuigende goedheid, dat het Hem behaagt om in een weg des verbonds met de mensen te handelen, ten einde hun goed te doen, en hen daardoor te verplichten om Hem dienst te doen. Zelfs zij, die geen voordeel hadden van Gods verbond met Abraham, hadden toch voordeel van Zijn verbond met Noach en zijn zonen dat een eeuwig verbond genoemd wordt, Zijn verbond met dag en nacht, maar zij nemen de voorschriften niet waar van de zonen van Noach, ze erkennen Gods goedheid niet in dag en nacht, leggen er zich niet op toe om Hem dank te bewijzen, en aldus verbreken zij het eeuwig verbond, en verijdelen er het genaderijke doeleinde van.
V. Deze oordelen zullen van de mensen hoogmoed vernederen en hun vrolijkheid bederven, als de aarde ledig wordt gemaakt.
1. Het is een grote vernedering van van de mensen hoogmoed, vers 4. De hoogmoedigen van de aarde kwijnen, want zij hebben datgene verloren, hetwelk hun hoogmoed steunde en waarvoor zij zich groot gemaakt hebben, God kan hen, die het hoofd zo omhoog hielden, zo tenonder brengen dat zij het hoofd laten hangen.
2. Het is een grote verstoring van van de vrolijkheid van de mensen, daar wordt lang bij stilgestaan, vers 7-9. Allen, die blijhartig waren, zuchten, zodanig is de aard van vleselijke vrolijkheid, zij is slechts "als het geluid van de doornen onder een pot," Prediker 7:6. Luid gelach eindigt gewoonlijk in een zucht, zij, die de wereld tot hun voornaamste vreugde maken, kunnen zich niet te allen tijde verblijden. Als God Zijn oordelen zendt op de aarde, bedoelt Hij er mee diegenen ernstig te maken, die zich geheel en al aan hun vermaak hadden overgegeven. uw lachen worde veranderd in treuren. Als de aarde ledig gemaakt is, dan houdt het geluid van de vrolijk huppelenden op. Vleselijke vreugde is luidruchtig, maar het geluid ervan zal spoedig ophouden, en het einde ervan is droefheid.
Van twee dingen wordt gebruik gemaakt om ijdele vrolijkheid op te wekken en te uiten, en de blijhartige menigte wordt hier beroofd van beide.
A. Drank, de most treurt, hij is zuur geworden, omdat hij niet gedronken werd, warmt hoe geschikt hij ook is voor hen, die bitterlijk bedroefd van ziel zijn, zij hebben er dan de smaak niet voor, zoals de blijhartigen er smaak voor hebben, de wijnstok kweelt, en geeft weinig hoop op een goede wijnoogst, en daarom zuchten de blijhartigen, want zij kennen geen andere blijdschap dan die van hun koren en most en olie, als deze vermenigvuldigd worden, Psalm 4:8, en zo gij hun wijnstok en vijgeboom verwoest, dan doet gij al hun blijdschap ophouden, Hosea 2:11, 12. Zij zullen nu geen wijn drinken met gezang, zoals zij plachten, zij zullen hem veeleer drinken met zuchten, ja de sterke drank zal bitter zijn dengenen, die hem drinken, omdat zij er hun tranen wel mee moeten vermengen, of omdat zij er door ziekte de smaak voor hebben verloren. God heeft velerlei middelen om wijn en sterke drank te verbitteren voor hen, die ze liefhebben en er de grootste smaak in hebben, lichaamskwalen, benauwdheid van ziel, het verderf van de bezitting of van het land, zullen de Sterken drank bitter maken, al het zingenot flauw en smakeloos doen zijn
B. Muziek. De vreugde van de trommelen rust en de harpen, die bij hun maaltijden plachten te zijn, Hoofdstuk 5:12. De gevangenen in Babel hangen hun harpen aan de wilgen. Kortom, alle vreugde is verduisterd, nergens bespeurt men iets aangenaams, niemand heeft de kracht om zich tot een grimlach te dwingen, de vreugde des lands is heengevaren, vers 11, en als het de vreugde is, die Salomo waanzin noemt, dan is er niet veel aan verloren.
Vl. De steden zullen op bijzondere wijze door deze verwoesting van het land te lijden hebben, vers 10. De stad van de verwarring, of van de verbijstering is afgebroken, zo lezen wij het zij ligt open en bloot voor de invallende vijanden, niet alleen door het afbreken van haar muren, maar door de verbijstering, die zich van de inwoners meester heeft gemaakt, ieder huis is gesloten, misschien vanwege de pest, die de inwoners verbrand of verteerd heeft, zodat er slechts weinig mensen zijn overgebleven, vers 6 Besmette huizen worden gewoonlijk gesloten, opdat niemand erin zal gaan, of zij zijn gesloten omdat zij onbewoond en verlaten zijn. Er is een klagelijk geroep om des wijns wille, vanwege het bederf van de wijnoogst, zodat er waarschijnlijk geen wijn te krijgen is. In de stad, in Jeruzalem zelf, die zo sterk bezocht placht te wezen, zal niets overgelaten zijn dan verwoesting, in de straten groeit gras, en met gekraak wordt de poort in stukken verbroken, vers 12. Allen, die heen en weer plachten te gaan door de poort, zijn geslagen, en al de kracht van de stad is afgesneden. Hoe spoedig van God een stad van orde in een stad van verwarring verkeren! en dan zal zij ook spoedig een stad van verwoesting zijn.