Jeremia 52:31-34
Deze passage, betreffende de verheffing, die koning Jojachin in zijn slavernij te beurt viel, vonden wij eveneens in 2 Koningen 25:27-30, alleen wordt daar de zeven en twintigste dag van de twaalfde maand genoemd en hier de vijf en twintigste, maar bij zulk soort dingen is een verschil van twee dagen van weinig betekenis. Waarschijnlijk werden de bevelen voor zijn loslating gegeven op de vijf en twintigste dag, maar werd hij niet voor de zeven en twintigste aan de koning voorgesteld. In dit verhaal valt op te merken
1. Dat nieuwe heren nieuwe wetten maken. Nebukadnezar had deze ongelukkige vorst lang gevangen gehouden, en zijn zoon, schoon de gevangene wel genegen, kon hem geen gunst, geen glimlach van zijn vader bezorgen, zoals Jonathan het David kon, maar, toen de oude, gemelijke man dood was, nam zijn zoon hem in bescherming en maakte hem tot zijn gunsteling. Het is een gewoon verschijnsel, dat kinderen ongedaan maken, wat hun ouders gedaan hebben, het zou goed zijn als het altijd een verbetering was, zoals in dit geval.
2. Dat de wereld, waarin wij leven een veranderlijke wereld is. Jojachin begon, met van een troon in een gevangenis te vallen, maar hier wordt hij weer verheven tot een stoel van aanzien, vers 32, zij het ook niet tot een troon van macht. Zoals vroeger zijn staatsieklederen In gevangenis klederen veranderd werden zo werden deze nu weer verwisseld voor staatsieklederen. Zo kakelbont is deze wereld, voorspoed en tegenspoed zijn tegenover elkaar geplaatst, opdat wij mogen leren "blij te zijn als niet blij zijnde, en te wenen, als niet wenende."
3. Dat, al is de macht van de beproeving zeer lang, wij toch niet moeten wanhopen, maar dat de dag tenslotte zal aanbreken. Jojachin was zeven en dertig jaar een gevangene, opgesloten in verachting, van zijn achttiende jaar af, en in die tijd, naar wij veronderstellen kunnen, zo gewend aan de gevangenschap dat hij het zoete van de vrijheid vergeten was, of liever, dat zij, na zo'n lange inkerkering, hem dubbel welkom was. Dit voorbeeld kan hen bemoedigen, wier beproevingen steeds verlengd worden, aan het slot zal het visioen vertroostende woorden spreken, en daarom, hebt zo lang geduld. "Dum spiro spero- Zolang er leven is, is er hoop. Non si male nunc, et olim sic erft-Al lijden wij nu, wij zullen niet altijd lijden."
4. Dat God maken kan, dat Zijn volk genade vindt in de ogen van hen, die hun onderdrukkers zijn, en op onverklaarbare wijze hun hart bewegen om medelijden met hen te hebben, Psalm 106:46 :"Dan deed Hij hen barmhartigheid vinden bij allen die hen als gevangenen hadden weggevoerd." Hij kan hen, die op ruwe toon gesproken hebben, er toe brengen, om met vriendelijkheid te spreken, en hen, die Zijn volk opgegeten hebben, om het te voeden. Die in verdrukking zijn, zullen derhalve bevinden, dat het niet ijdel is, "dat men hope, en stil zij op het heil des Heeren." En daarom, onze tijden zijn in Gods hand, omdat de harten van allen met wie zij te doen hebben, het ook zijn.
5. En als wij nu in `t algemeen de profetie en de geschiedenis van dit boek met elkaar vergelijken, dan kunnen wij in `t algemeen leren,
a. Dat het niets nieuws is, dat kerken en personen, die hoogst eerbiedwekkend zijn, ontaarden en zeer bedorven worden. b. Dat de ongerechtigheid ten verderve strekt van die haar herbergen, en, als men er geen berouw over heeft en ze niet verlaat, zal hun verderf het einde zijn.
c. Dat een uiterlijke belijdenis en uiterlijke voorrechten niet alleen geen verontschuldiging zijn voor de zonde, en niet vrijwaren voor de ondergang maar een zeer grote verzwaring van beide zullen zijn.
d. Dat geen van Gods woorden ter aarde zal vallen, maar de uitkomst ten volle zal beantwoorden aan de voorspelling, en het ongeloof van de mensen zal Gods bedreigingen, zomin als Zijn beloften te niet doen. De rechtvaardigheid en waarheid zijn hier in bloedige letters geschreven, ter overtuiging of ter verschrikking van allen, die Zijn bedreigingen bespotten. "Dwaalt niet, God laat zich niet bespotten."