Jesaja 22:8-14
Wat bedoeld wordt met het deksel van Juda dat aan het begin van deze paragraaf gezegd wordt ontdekt te zullen worden, is onzeker. De versterkte steden van Juda waren een bedekking voor het land, maar daar zij door het leger van de Assyriërs ingenomen waren, hielden zij op een beschutting te zijn, zodat het gehele land bloot lag voor plundering. De zwakheid van Juda, zijn naaktheid en zijn onmacht om zichzelf te helpen, kwamen nu meer dan ooit uit en aldus was het deksel van Juda ontdekt. Zijn magazijnen en voorraadschuren, die gesloten waren geweest, werden nu voor het publiek opengesteld. Dr. Lightfoot geeft er een anderen zin aan, namelijk dat door deze benauwdheid, waarin Juda gebracht zal worden God hun deksel zal ontdekken, hun geveinsdheid aan het licht zal brengen, tonen zal al wat in hun hart is, zoals bij een andere gelegenheid van Hizkia gezegd wordt, 2 Kronieken 32:31. Nu ontdekten zij beide hun vleselijk vertrouwen, vers 9, en hun vleselijke gerustheid vers 13. Aldus zal op de een of andere wijze "Efraïms ongerechtigheid ontdekt worden, mitsgaders de boosheden van Samaria," Hosea 7:1.
Zij waren nu in groten angst, en in die angst ontdekten, dat is openbaarden, zij twee dingen, die zeer verkeerd waren.
I. Een grote geringachting van Godsgoedheid en van Zijn macht om hen te helpen. Zij maakten gebruik van alle middelen, die zij slechts konden bedenken tot hun behoud, en dat is het niet, waarvoor zij gelaakt worden, maar dit doende erkenden zij God niet.
Merk op:
1. Hoe zorgvuldig zij gebruik maakten van alle voordelen, die tot hun veiligheid konden bijdragen. Toen Sanherib zich meester had gemaakt van de versterkte steden van Juda, en Jeruzalem als een hutje in een wijngaard was gelaten, dachten zij dat het nu tijd was om eens rond te zien. Er werd onmiddellijk een raad bijeengeroepen, een krijgsraad, en er werd besloten verdedigingsmaatregelen te nemen, en zich niet gedwee te onderwerpen. Ingevolge dit besluit namen zij alle maatregelen, die zij konden bedenken voor hun veiligheid. Wij verzoeken God als wij in tijden van gevaar niet alles voor onszelf doen wat wij kunnen.
a. Zij inspecteerden hun magazijnen en pakhuizen om te zien, of die wel voorzien waren van wapens en munitie, zij zagen naar de wapenen in het huis van het bos, dat Salomo te Jeruzalem gebouwd had en ingericht had tot een tuighuis, 1 Koningen 10:17, en daarvan gaven zij uit naar de behoefte was. Het is de wijsheid van de vorsten om zich in tijden van vrede te bereiden op de oorlog, opdat zij niet naar wapenen behoeven te zoeken als zij ze moeten gebruiken, misschien wel in plotseling opkomende omstandigheden.
b. Zij namen de fortificaties in ogenschouw, de reten van de stad Davids, zij gingen rondom de muren, en namen waar of zij ook hier en daar bouwvallig waren wegens verzuim van tijdige reparatie, of gebroken waren door vorige aanvallen, die er op gedaan werden. Er waren velen van die reten of scheuren, zoveel te schandelijker voor het huis van David dat zij de stad Davids aldus verwaarloosden. Zij hadden waarschijnlijk die scheuren wel vroeger gezien, maar nu bezagen zij ze om te overwegen wat er aan gedaan moest worden. Uit openbare rampen moeten wij dit goede ontvangen, dat zij ons opwekken om onze scheuren te herstellen en te verbeteren wat verkeerd is. c. Zij zorgden voor het water van de stad, en deden wat zij konden om de belegeraars verstoken ervan te houden. Gij verzamelt het water van de oude vijver, waarvan waarschijnlijk geen grote voorraad was, en waarmee zij dus des te meer spaarzaam waren. Zie welk een zegen het is, dat, gelijk niets meer noodzakelijk is dan water voor het onderhoud van het menselijk leven, er ook niets goedkoper en meer algemeen te verkrijgen is, maar het is voorzeker slecht gesteld voor de mensen, als het, zoals hier, schaars is geworden.
d. Zij telden de huizen van Jeruzalem, opdat ieder huis zijn contingent van manschappen zou leveren voor de openbare dienst of bijdragen in geld er voor zou geven, die zij hieven naar hoofdelijken omslag, zoveel per hoofd of zoveel per huis.
e. Omdat het particuliere eigendom behoort te wijken voor de openbare veiligheid, werden de huizen, die in hun weg stonden toen de muren versterkt moesten worden, afgebroken, hetgeen in zo'n geval niet meer een onrecht is aan de eigenaars, dan het in de lucht laten springen van huizen in geval van brand.
f. Zij maakten een gracht tussen de beide muren, de buitenste en de binnenste, tot grotere veiligheid voor de stad, en lieten er het water van de oude vijver in vloeien, opdat zij zelf overvloedig van water voorzien zouden zijn, en de belegeraars er van beroofd zouden wezen, want dat schijnt het plan geweest te zijn, immers, waarom zouden de Assyriërs komen en veel water vinden? 2 Kronieken 32:4, en daardoor in staat zijn om het beleg te rekken. Als het geoorloofd is om de fourage van een land te vernielen, veel meer nog is het dan geoorloofd om zijn waterstromen af te leiden om er de vijand gebrek aan te laten hebben.
2. Hoe weinig zij bij al deze maatregelen op God acht hebben geslagen: gij ziet niet opwaarts op die, die zulks gedaan heeft, die Jeruzalem gemaakt heeft-de stad, die gij zo in zorg zijt te verdedigen, -en van al de voordelen, waarvan de natuur haar tot haar verdediging voorzien had, de bergen, waarvan zij omringd is, Psalm 125:2, en de rivieren, die van zo'n aard waren, dat de inwoners ze heen konden leiden naar elke richting, die voor hen het gerieflijkst was. Het is God, die Zijn Jeruzalem heeft gemaakt, en het van verre tijden in Zijn raad heeft geformeerd. De Joodse schrijvers over deze plaats zeggen: Er zijn zeven dingen, die God gemaakt heeft, voordat Hij de wereld gemaakt heeft, bedoelende dat Hij ze op het oog had, toen Hij de wereld maakte: de hof van Eden, de wet, de rechtvaardigen, Israël, de troon van de heerlijkheid, Jeruzalem en Messias, de Vorst. De Evangeliekerk heeft God tot haar maker. Welke dienst wij te eniger tijd doen of pogen te doen voor Gods Jeruzalem, moeten wij doen met het oog op Hem als de maker ervan, en Hij neemt het euvel op, zo wij dit niet doen. Het wordt hun hier ten laste gelegd, dat zij niet op God zagen.
a. Zij begeerden Zijn eer en heerlijkheid niet in hetgeen zij deden. Zij versterkten Jeruzalem, omdat het een rijke stad was en hun eigen huizen erin waren, niet omdat het de heilige stad was en Gods huis erin was. In al onze zorgen voor de verdediging van de kerk, moeten wij meer zien op Gods belang erin dan op ons eigen belang erin.
b. Zij vertrouwden niet op Hem voor een zegen op hun pogingen, maar achtten hun eigen kracht en hun eigen beleid genoegzaam voor hen. Van Hizkia zelf wordt gezegd, dat hij "vertrouwde op de Heere," 2 Koningen 18:5, inzonderheid bij deze gelegenheid, 2 Kronieken 32:8, maar er schijnen in zijn omgeving zodanigen te zijn geweest, die wel grote staatslieden en krijgslieden waren, maar in wie weinig Godsdienst was. c. Zij hebben Gode geen dank toegebracht voor de voordelen, die zij hadden om hun stad te versterken in de wateren van de oude vijver, die van verre tijden geformeerd waren, zoals de beek Kison de oude rivier wordt genoemd, Richteren 5:21. In al wat ons in de natuur ooit tijd dienstig is, moeten wij de goedheid erkennen van de God van de natuur, die, toen Hij het lang tevoren geformeerd heeft, het aldus geschikt heeft, als het ware pasklaar heeft gemaakt, en naar Zijn ordening aldus in wezen liet tot op de huidige dag. Ieder schepsel is datgene voor ons, wat God het voor ons doet zijn, en daarom moeten wij voor het nut, dat het voor ons heeft, op Hem zien, die het geformeerd heeft, Hem er voor loven, en het voor Hem gebruiken.
II. Een grote minachting van Gods toorn en gerechtigheid in Zijn twisten met hen, vers 12-14, waar wij hebben op te merken:
1. Wat Gods bedoeling was met deze ramp over hen te brengen: het was hen te verootmoedigen, hen tot berouw en bekering te brengen, hen ernstig te maken. In deze dag van benauwdheid, van vertreding en verwarring riep de Heere hen hierdoor tot wenen en rouwklagen en tot al de uitdrukkingen van smart zelfs tot kaalheid en omgording met de zak, en dit alles om hun zonden te betreuren, door welke zij deze oordelen over hun land gebracht hebben, en kracht bij te zetten aan hun gebeden ter afwending van de oordelen, die reeds gekomen zijn, en hen te neigen tot verbetering van hun leven door heilige ernst, en tederheid van gemoed onder het woord van God. Daartoe riep God hen door van Zijn profeten verklaring van de beschikkingen van Zijn voorzienigheid, en door hen op te wekken door die beschikkingen van Zijn voorzienigheid om acht te geven op hetgeen Zijn profeten zeiden. Als God ons dreigt met Zijn oordelen, dan verwacht en eist Hij dat wij ons vernederen onder Zijn machtige hand, dat wij sidderen als de leeuw brult, en ten dage van tegenspoed toezien.
2. Hoe zij in strijd handelen met deze bedoeling Gods, vers 13. Maar ziet, er is vreugde en blijdschap, vrolijkheid en feestmaaltijden alle mogelijke pret, zij waren even gerust en op hun gemak als zij plachten te wezen, alsof er geen vijand binnen hun landpalen was alsof zij in geen gevaar waren om in zijn handen te vallen. Toen zij de nodige voorzorgsmaatregelen hadden genomen voor hun veiligheid, trotseerden zij alle gevaar en dood, en besloten zij om nu maar vrolijk te zijn, wat er ook mocht gebeuren. Zij, die hadden behoren te eten onder de rouwdragenden, waren onder de wijnzuipers en de vleesvraten, en let op hetgeen zij zeiden: Laat ons eten en drinken want morgen zullen wij sterven. Dit kan betrekking hebben, hetzij op het bijzondere gevaar, waarin zij zich nu bevonden en waarvoor de profeet hen had gewaarschuwd, of in het algemeen op de kortheid en onzekerheid van het menselijk leven en op de nabijheid van de dood in alle tijden. Dat was de taal van de onheilige spotters, die spotten met de boden Gods, en Zijn profeten mishandelden.
a. Zij schertsten met de dood. "De profeet zegt ons dat wij weldra moeten sterven, misschien wel morgen, en dat wij daarom heden moeten treuren en ons moeten bekeren, neen, laat ons veeleer eten en drinken, opdat wij vetgemest zijn voor de slachting en goedsmoeds ons lot tegemoet gaan, als wij dan een kort leven moeten hebben, laat het tenminste een vrolijk leven zijn."
b. Zij spotten met de leer van een toekomende staat aan gene zijde van de dood, want indien er zodanige staat niet is, dan geeft de apostel toe dat er iets redelijks is in hetgeen zij zeggen, 1 Corinthiers 15:32. Indien er als wij sterven een einde aan ons is, dan zou het goed zijn om het ons zo aangenaam en gemakkelijk mogelijk te maken terwijl wij leven, maar indien God om al deze dingen ons voor het gericht zal doen komen, dan is het op ons gevaar, voor onze verantwoording, zo wij "wandelen in de wegen onzes harten en in de aanschouwing van onze ogen", Prediker 11:9. Een practisch ongeloof in een leven na dit leven is op de bodem van de vleselijke gerustheid en beestachtige zinnelijkheid, die de zonde, de schande en het verderf zijn van zo groot een deel van het mensdom, zoals diegenen in de oude wereld, die etende en drinkende waren toen de zondvloed kwam.
3. Hoe misnoegd God hierover was, Hij gaf er Zijn toorn over te kennen aan de profeet Hij openbaarde zich voor zijn oren, opdat hij Gods misnoegen van de daken bekend zou maken: indien ulieden deze ongerechtigheid verzoend wordt totdat gij sterft! vers 14. Zij zal nimmer verzoend worden door brandoffer of slachtoffer evenmin als de ongerechtigheid van het huis van Eli verzoend werd, 1 Samuël 3:14. Het is een zonde tegen het geneesmiddel, een verijdeling van alle middel ter overtuiging, een krachteloos maken ervan, en daarom is het niet waarschijnlijk dat zij er zich ooit van zullen bekeren en dat zij hun dus vergeven zal worden. De Chaldeër leest dit: "zij zal u niet vergeven worden totdat gij de tweeden dood sterft." Met hen die in tegenheid wandelen met God, zal Hij in tegenheid wandelen, bij de verkeerde bewijst Hij zich een worstelaar.