1 Koningen 10:14-29
Wij hebben hier een verder bericht van Salomo's voorspoed.
I. Hoe hij zijn rijkdom vermeerderde. Hoewel hij veel had, begeerde hij toch nog meer, daar hij tot het uiterste wilde beproeven, in hoever de dingen van deze wereld de mensen gelukkig kunnen maken.
1. Behalve het goud, dat van Ofir kwam Hoofdstuk 9:28, bracht hij van andere plaatsen nog zoveel in zijn land, dat het geheel ieder jaar zeshonderd en zes en zestig talenten bedroeg, vers 14, een veelbetekenend getal, vergel. Openbaring 13:18, en Ezra 2:13.
2. Hij ontving zeer veel aan inkomende rechten van de kooplieden, en in grondbelasting uit de landen, die zijn vader veroverd had en schatplichtig had gemaakt aan Israël, vers 15.
3. Hij was Hirams deelgenoot in een vloot van Tarsis, die van en naar Tyrus voer, en om de drie jaren niet alleen goud en zilver en ivoor, degelijke en nuttige zaken aanvoerde, maar ook apen om er mee te spelen, en pauwen om het oog te behagen door hun fraaie veren vers 22. Ik wenste wel dat dit geen bewijs is, dat Salomo en zijn volk overladen zijnde met voorspoed, kinderachtig en brooddronken zijn geworden.
4. Ieder jaar werden hem door de naburige vorsten en groten geschenken gebracht om de voortduur van zijn vriendschap te verzekeren, niet zozeer omdat zij hem vreesden, of naijverig op hem waren, als wel omdat zij hem liefhadden en zijn wijsheid bewonderden hem dikwijls als een godsspraak gingen raadplegen, en hem dan deze geschenken zonden als beloning voor zijn raad in de staatkunde, en (of dit nu al of niet strookte met zijn grootheid of edelmoedigheid, daar zullen wij nu geen onderzoek naar instellen) hij nam alles aan wat gebracht werd, tot zelfs kleren en specerijen, paarden en muilezels, vers 24, 25.
5. Hij handelde met Egypte voor paarden en linnen garen, of lijnwaad zoals sommigen het woord vertalen, die beide de voornaamste voortbrengselen zijn van dat land, en hij had zijn eigen kooplieden, of agenten, die hij in die handel gebruikte en die er hem rekenschap van moesten geven, vers 28, 29. De uitgaande rechten, die aan de koning van Egypte betaald moesten worden voor de uitvoer van wagens en paarden uit Egypte, waren zeer hoog, maar daar Salomo met zijn dochter was gehuwd, heeft hij een vergelijk met hem getroffen voor de uitgaande rechten, zodat hij ze goedkoper kon krijgen dan zijn naburen, die daardoor verplicht waren ze van hem te kopen, en hij was wijs genoeg, zegt bisschop Patrick, om daar zijn voordeel mee te doen. Het zet eer bij aan het handeldrijvend deel van een volk, en stelt een koopman niet zover beneden een edelman, als sommigen hem plaatsen willen dat Salomo, een van de grootste mannen, die ooit geleefd hebben, het geen verkleining voor zich geacht heeft handel te drijven. In allen arbeid is voordeel.
II. Welk gebruik hij van zijn rijkdom heeft gemaakt. Hij heeft zijn schatten niet opgestapeld, ze niet in zijn koffers gelegd, om ze nu en dan aan te zien, en ze achter te laten. In zijn boek van de Prediker heeft hij de dwaasheid van verzamelen en opleggen zozeer tentoongesteld, dat wij niet kunnen veronderstellen dat hij er zichzelf aan schuldig gemaakt heeft. Neen, God, die hem rijkdom en eer gegeven heeft, heeft hem ook de macht gegeven om daarvan te eten, en om zijn deel te nemen. Prediker 5:18.
1. Zijn goud heeft hij besteed aan fraaie zaken voor zichzelf, dat hem eerder veroorloofd was, omdat hij tevoren zoveel heeft uitgegeven voor fraaie dingen voor het huis Gods.
a. Hij maakte tweehonderd rondassen en driehonderd schilden van geslagen goud, vers 16, 17, niet om dienst te doen, maar voor staatsie, om voor hem uit gedragen te worden, als hij in luister en pracht verscheen, bij ons wordt een zwaard of een staf voor de magistraten uit gedragen, zoals bij de Romeinen roeden en bijlen ten teken van hun macht om de bozen te kastijden en te straffen, voor wie zij een verschrikking moeten zijn. Maar Salomo liet rondassen en schilden voor zich uit dragen om te kennen te geven dat hij er meer behagen in vond om zijn macht te gebruiken ter verdediging en bescherming van de goeden, voor wie hij een lof wilde zijn. Magistraten zijn de schilden van de aarde.
b. Hij maakte een statiger troon, waarop hij nederzat, om zijn onderdanen wetten te geven, audiëntie te verlenen aan gezanten, en recht te spreken als er beroep op hem werd gedaan, vers 18-20. Hij was vervaardigd van ivoor, dat zeer rijk was, en toch heeft hij hem-alsof hij zoveel goud had, dat hij niet wist wat er mee te doen-met dicht goud -het beste goud-overtrokken. Maar sommigen denken dat hij het ivoor niet geheel en al, maar slechts hier en daar met goud heeft bedekt. Hij heeft hem met bloemen van goud versierd, of met goud ingelegd. De armen van die statige zetel werden ondersteund door de beelden van leeuwen uit goud vervaardigd, evenals ook de trappen, die er heen voerden, om een herinnering voor hem te wezen aan de moed en de vastberadenheid, waarmee hij gerechtigheid moest doen, zonder het aangezicht des mensen te vrezen. Op die post is de rechtvaardige moedig als een jonge leeuw.
c. Hij maakte al zijn drinkvaten en al zijn tafelgereedschap, zelfs in zijn landhuis, van zuiver goud, vers 21. Hij ontzegde zich niet wat hij had, maar gebruikte het tot sieraad en gerieflijkheid. Datgene is goed wat ons goed doet.
2. Hij bracht het in omloop onder zijn onderdanen, zodat het koninkrijk even rijk was als de koning, want hij behoefde met geen afzonderlijke belangen te rade te gaan, maar zocht de welvaart van zijn volk. Die vorsten handelen niet naar Salomo's beginselen, die het staatkundig achten, om hun onderdanen arm te houden. Salomo was hierin een type van Christus, die niet alleen zelf rijk is, maar ook al de Zijnen verrijkt. Door Salomo kwam zoveel goud in het land, en werd het zo verspreid dat zilver niet voor enig ding werd geacht, vers 21. Er was zo'n grote overvloed van te Jeruzalem, dat het als stenen was, en cederen, die een grote zeldzaamheid plachten te wezen, werden zo gewoon en algemeen als de wilde vijgebomen, vers 27. Zodanig is de aard van wereldlijke rijkdom: overvloed er van maakt hem minder waardeerbaar, veel meer behoort het bezit van geestelijke rijkdom onze waardering van alle aardse bezittingen te verminderen. Indien overvloed van goud het zilver zo minderwaardig maakt, zal dan wijsheid en genade, en de voorsmaak van de hemel, die veel beter zijn dan goud, dit niet zeer gering maken in onze ogen?
a. Wel, zo rijk, zo groot was Salomo, en zo heeft hij al de koningen van de aarde overtroffen vers 23. Laat ons dan ons herinneren, dat hij het was, die, toen hij zijn loopbaan in de wereld begon, niet om rijkdom of eer van de wereld gevraagd heeft, maar wèl om een wijs en verstandig hart. Hoe gematigder wij zijn in onze begeerten naar de dingen van deze aarde, hoe meer wij instaat zijn ze te genieten, en hoe meer waarschijnlijk het is, dat wij ze zullen hebben. Zie in Salomo's grootheid de vervulling van Gods belofte, Hoofdstuk 3:13, en laat het ons aanmoedigen om Eerst de gerechtigheid van Gods koninkrijk te zoeken.
b. Dat hij het was, die na de genoegens van al die rijkdom en die grootheid gesmaakt te hebben, geheel een boek schreef om de ijdelheid aan te tonen van alle wereldlijke dingen, en de kwelling des geestes, die er mee gepaard gaat, hun ongenoegzaamheid om ons gelukkig te maken, en de dwaasheid om er ons hart op te zetten, en om ons de beoefening aan te bevelen van ernstige Godsvrucht, omdat dit het is dat de mens betaamt, Prediker 12:13, enoneindig meer zal doen om ons gerust en gelukkig te maken, dan al de rijkdom en de macht, waarover hij te beschikken had, en die, door Gods genade binnen ons bereik is, terwijl het duizendste deel van Salomo's rijkdom en grootheid nog duizend maal meer is dan wij ooit ijdel genoeg kunnen zijn om ons in deze wereld te beloven.