Jesaja 1:16-20
Hoewel God hun diensten heeft verworpen als ongenoegzaam om hun zonden te verzoenen, terwijl zij er in volhardden, verwerpt Hij toch hen niet, als zijnde in een hopeloze toestand, maar roept hen hier om hun zonden te verlaten, die de aanneming in de wegstonden van hun diensten, en dan zal alles wel wezen. Laat hen niet zeggen, dat God twist met hen zocht, neen, Hij stelt een middel voor tot verzoening.
Merk hier op:
I. Een roeping tot berouw en bekering. "Indien gij wilt dat uw offers aangenomen en uw gebeden verhoord zullen worden, dan moet gij het werk aan het rechte einde beginnen. Bekeert u tot Mijn wet, (aldus begint de Chaldeeër deze vermaning) legt u met uw geweten toe op het volbrengen van de plichten van de tweede tafel, anders moet gij niet verwachten aangenomen te zullen worden in uw handelingen van de godsvrucht. Gelijk gerechtigheid en barmhartigheid nooit vergoeding of verzoening kunnen doen voor atheïsme en goddeloosheid, zo zullen gebeden en offeranden nooit verzoening doen voor bedrog en verdrukking want gerechtigheid jegens de mensen is evenzeer een tak van zuivere godsdienst als vroomheid voor God een tak is van algemene gerechtigheid.
1. Zij moeten nalaten van kwaad te doen, geen onrecht meer doen, geen onschuldig bloed meer vergieten, dat is de betekenis van zich te wassen en zich te reinigen, vers 16. Zij moeten niet slechts treuren en berouw hebben over de zonde, die zij bedreven hadden, maar voor het vervolg het bedrijven ervan nalaten, en al de boze lusten doden die hen er toe neigden. Zonde verontreinigt de ziel, en het is nodig, dat wij er ons van wassen door berouw en er ons van afwenden tot God. Wij moeten niet alleen het boze wegdoen, dat voor het oog van de wereld is, door ons te onthouden van grove zonden, maar ook dat hetwelk voor Gods ogen is, de wortels en de gewoonten van de zonden, die in ons hart zich, deze moeten verpletterd en gedood worden.
2. Zij moeten leren goed doen. Dat was nodig om hun bekering volkomen te maken. Het is niet genoeg dat wij aflaten van kwaad te doen, wij moeten ook leren goed doen.
a. Wij moeten doen, niet aflaten van kwaad te doen en dan lui en ledig gaan staan.
b. Wij moeten goed doen, het goed, dat de Heer, onze God, van ons eist, en waarvan wij goede rekenschap kunnen geven.
c. Wij moeten het goed doen, op de rechte wijze, en voor een goed doel, en,
d. Wij moeten leren goeddoen, wij moeten ons moeite geven om de kennis te verkrijgen van onze plicht, er weetgierig voor zijn en er ons aan gewennen, opdat wij geredelijk onze handen aan het werk kunnen slaan, en meesters worden in de heilige kunst van goed doen.
Hij dringt er inzonderheid bij hen op aan dat zij goed zullen doen in de dingen, waar zij zeer bijzonder in gebreke voor waren gebleven, namelijk in de plichten van de tweede tafel van de wet, zoekt het recht, vraagt naar hetgeen recht is, opdat gij het kunt doen, weest in zorg om op de weg van uw plicht te worden gevonden, en wandelt niet zo maar in de blinde, of op goed geluk af, zoekt gelegenheden om goed te doen. Helpt de verdrukte, hen, die gijzelf verdrukt hebt, bevrijdt hen van hun last, Hoofdstuk 58:6. Gij, die macht in uw handen hebt gebruikt haar tot hulp en steun van hen, die door anderen verdrukt worden, want dat is uw taak, uw werk, doet recht aan hen, die onrecht lijden, trekt u inzonderheid de belangen aan van de wezen en de weduwen, die, omdat zij zwak en hulpeloos zijn, door trotse lieden vertreden worden en mishandeld, treedt gij voor hen op voor het gericht, als dit nodig is spreekt voor hen, die niet voor zichzelf weten te spreken, en die niet bij machte zijn u te belonen voor uw vriendelijkheid. Wij eren in waarheid God, als wij goed doen in de wereld, en daden van gerechtigheid en barmhartigheid zijn Hem meer welbehaaglijk dan alle slachtoffers en brandoffers.
II. Een bewijsvoering voor de rechtbank van het verstand van de billijkheid van Gods handelingen met hem:, Komt dan, en laat ons tezamen richten vers. "Zolang uw handen vol bloed zijn, wil Ik niets met u van doen hebben, al brengt gij Mij ook een menigte van offeranden, maar indien gij u wast en reinigt, dan zijt gij welkom om tot Mij te naderen, komt dan en laat ons de zaak bespraken." Diegenen, en alleen diegenen, die hun verbintenis met de zonde verbreken, zijn welkom om in verbond en gemeenschap met God te komen, Hij zegt: Komt dan, die hun tevoren verbood om in Zijn voorhoven te komen. Zie Jakobus 4:8. Of liever: Er waren onder hen personen, die zich beschouwden als te zijn beledigd door de geringachting, die God betoonde voor hun menigte van offeranden, zoals Hoofdstuk 58:3. Waarom vasten wij, zeggen zij, en Gij ziet het niet aan? Zij stelden God voor als een harde meester, die het niet mogelijk was te behagen.
"Komt", zegt God, laat ons de zaak openhartig bespreken, en Ik twijfel niet, of het zal blijken dat Mijn wegen recht, maar de uw onrecht zijn, Ezechiël 18:25. De godsdienst heeft recht en rede aan zijn zijde, er is alle reden, dat wij zullen doen wat God wil dat wij doen zullen. De God des hemels verwaardigt zich om de zaak te beredeneren met hen, die Hem tegenspreken en afkeurende aanmerkingen op Hem maken, want Hij zal rechtvaardig zijn in Zijn spreken Psalm 51:6. De zaak behoeft slechts blootgelegd te worden (zoals zij hier blootgelegd is), en dan zal zij vanzelf beslist verorden. God toont hier aan hoe het met hen stond, zoals Hij het doet in Ezechiël 18:21,24, 33:18, 19, en laat het dan aan hen over om te oordelen of de voorwaarden, die hun gesteld werden, niet billijk zijn.
A. Zij kunnen redelijkerwijs niet meer verwachten dan dat zij, zo zij berouw hebben en zich bekeren, in Gods gunst hersteld zullen worden, niettegenstaande hun vroegere tergingen. "Dit kunt gij verwachten," zegt God, en het is zeer vriendelijk, wie zal onbeschaamd genoeg zijn, om het op andere voorwaarden te begeren?
a. "Er wordt zeer weinig geëist, niets meer dan dat gij gewillig zijt en hoort, dat is gehoorzaam zijt-dat gij er in toestemt om te gehoorzamen, zo lezen het sommigen-dat gij uw wil onderwerpt aan de wil van God, in Zijn wil berust, en u in alles laat besturen en regeren door Hem, die oneindig wijs en goed is." Hier wordt geen boetedoening opgelegd voor hun vorige halsstarrigheid, het juk wordt niet zwaarder gemaakt, niet harder op hun schouders gelegd, alleen maar: "terwijl gij tevoren slecht en weerstrevend zijt geweest, en u niet wilde onderwerpen aan hetgeen tot uw eigen welzijn strekte, weest thans volgzaam, laat u regeren." Hij zegt niet: "indien gij volkomen gehoorzaam zijt," maar, "indien gij gewillig er toe zijt," want indien er een gewillig hart is, dan wordt het aangenomen.
b. Wat hierop beloofd wordt is zeer groot. Ten eerste. Dat hun al hun zonden vergeven zullen worden, en tegen hen niet meer gedacht zullen worden. Al zijn zij ook rood als scharlaken en karmozijn, al rust er ook bloedschuld op u, zal u ook die vergeven worden, zo ge er berouw van hebt, en in de ogen Gods zult gij wit wezen als sneeuw." Aan de grootste zondaren zal, indien zij oprecht berouw hebben, hun zonde vergeven worden, zodat hun geweten gereinigd en bevredigd is. Al waren onze zonden als scharlaken en karmozijn, een dubbele verf, eerst in de wol van de oorspronkelijke besmetting, en daarna in de vele draden van dadelijke, werkelijke overtreding, ofschoon wij dikwijls in die verf gedompeld werden door onze velerlei afval en afwijkingen tot zonde, hoewel wij er gedurende lange tijd van doortrokken waren, zoals het laken in de scharlaken verf, zal de vergevende genade de vlek volkomen verwilderen, en er door ontzondigd zijnde als met hysop, zullen wij rein zijn, Psalm 51:9. Als wij ons rein maken door berouw en verbetering van leven, vers 16, dan zal God ons wit maken door een volkomen vergeving.
Ten tweede. Dat zij dan al het geluk en welvaren zullen hebben, die zij kunnen begeren. "Weest slechts gewillig en gehoorzaam, zo zult gij het goede van dit land eten, van dit land van de belofte, gij zult de zegen hebben van het nieuwe verbond, van het hemelse Kanaän, al het goede van dat land." Zij, die volharden in de zonde, kunnen, hoewel zij in een goed land wonen, er met geen vrede of gerustheid des harten het goede van eten, schuld verbittert het alles, maar indien zij vergeven is, dan wordt alles lieflijk en aangenaam, dan kan men alles genieten met blijdschap en dankbaarheid aan God.
B. Zij konden met rede niets anders verwachten dan dat zij, indien zij hardnekkig in hun ongehoorzaamheid blijven volharden, verlaten zullen worden, en het vonnis van de wet aan hen zal worden voltrokken. Wat kan rechtvaardiger zijn? vers 20. Maar indien gij weigert en weerspannig zijt, indien gij voortgaat met te rebelleren tegen de regering van God, en de aanbiedingen van de goddelijke genade afwijst, zo zult gij van het zwaard gegeten worden, van het zwaard uwer vijanden, die de opdracht zullen hebben om u te vernielen, van het zwaard van Gods gerechtigheid van Zijn toorn en wraak, dat tegen u uitgetogen zal worden, want dat is het wat de mond des Heeren heeft gesproken, en dat Hij volbrengen zal, ter handhaving van Zijn eer. Zij, die niet geregeerd willen worden door Gods scepter, zullen gewis en rechtvaardiglijk door Zijn zwaard worden gegeten.
En nu worden leven en dood, goed en kwaad u aldus voorgesteld. Komt dan er, laat ons te samen richten. Wat hebt gij in te brengen tegen de billijkheid hiervan, of tegen het aannemen van de voorwaarden door God gesteld?