Jesaja 19:1-17
Hoewel Egypteland vanouds een diensthuis is geweest voor het volk van God, waar zij met strengheid geregeerd werden, bleef er in de ongelovige Joden toch nog veel van de neiging van hun vaders, die zeiden: Laat ons een hoofd opwerpen, en weerkeren naar Egypte. Bij alle gelegenheden zagen zij uit naar Egypte om hulp te verkrijgen, en daarheen vluchten ze in ongehoorzaamheid aan Gods uitdrukkelijk gebod, toen de zaken in hun land tot het uiterste waren gekomen, Jeremia 43:7. Rabsake heeft Hiskia dit verweten, Hoofdst 36:6. Als zij in bondgenootschap waren met Egypte-en het was een machtige bondgenoot-hadden ze geen ontzag voor Gods oordelen, want zij vertrouwden op Egypte om hen daartegen te beschermen. Zij vertrouwden ook niet op de macht van God als zij in benauwdheid waren, maar Egypte was hun vertrouwen. Om al dit kwaad te voorkomen moet Egypte vernederd worden, en God zegt hun hier, dat Hij dit op velerlei wijze doen zal.
I. De goden van Egypte zullen hun blijken te zijn wat zij in werkelijkheid altijd geweest zijn, volstrekt onmachtig om hen te helpen, vers 1. De Heer redt op een snelle wolk, en Hij zal in Egypte komen, zoals een rechter zich in statige optocht naar de gerechtszitting begeeft om de kwaaddoeners te oordelen en te vonnissen, of zoals een generaal met zijn troepen te velde trekt om de rebellen te verpletteren, zo zal God in Egypte komen met Zijn oordelen, en als Hij komt zal Hij gewis overwinnen. In al deze last van Egypte wordt geen melding gemaakt van een buitenlandse vijand, die in hun land valt, maar God zelf zal tegen hen komen, en onder henzelf de oorzaken teweegbrengen van hun verderf. Hij komt op een wolk, buiten het bereik van tegenstand en weerstand. Hij komt haastig, op een snelle wolk, want hun oordeel toeft niet als de tijd er voor gekomen is. Hij rijdt op de vleugels van de wind, de glans en de pracht van aardse vorsten ver overtreffende, van de wolken maakt Hij Zijn wagen, Psalm 104:3. Als Hij komt zullen de afgoden van Egypte bewogen worden, weggenomen worden van voor Zijn aangezicht, en wellicht zullen zij vallen, zoals Dagon voor de ark. Isis, Osiris en Apis, de vermaarde afgoden van Egypte, onmachtig bevonden zijnde om hun aanbidders te helpen, zullen door hen verloochend en verworpen worden. De afgoderij had in Egypte dieper wortel geschoten dan in enig ander land, zelfs de ongerijmdste afgoderij, en toch zullen nu de afgoden bewogen worden, en zij zullen er zich over schamen. Toen de Heer Israël uitvoerde uit Egypte, had Hij gerichten geoefend aan hun goden, Numeri 33:4, geen wonder dus dat zij, als Hij komt, beginnen te beven. Als de Egyptenaren ten einde raad zijn, dan zullen zij hun afgoden vragen, en de bezweerders en de waarzeggers en de duivelskunstenaars raadplegen, vers 3, maar alles tevergeefs, zij zien, dat in weerwil daarvan, het verderf zich naar hen heenspoedt.
II. De krijgsmacht van Egypte, die vermaard was om haar dapperheid, zal geheel ontmoedigd wezen. Geen koninkrijk ter wereld heeft ooit een betere methode gehad om een staand leger te houden dan de Egyptenaren, maar nu zullen hun helden, die beroemd waren om hun kloekmoedigheid, bekend gemaakt worden als lafaards, het hart van de Egyptenaren zal smelten in het binnenste van hen, als was voor het vuur, vers 1, Egypte zal zijn bezinning verliezen, vers 3. Zij zullen geen neiging, geen vastberadenheid hebben, om stand te houden ter verdediging van hun land, hun vrijheid en hun eigendom, maar zullen gedwee en lafhartig alles overgeven aan de vijand en verdrukker, die in hun land is gevallen. De Egyptenaars zullen als vrouwen zijn, vers 16. Op het minste alarm zullen zij verschrikt en in verwarring worden gebracht, zelfs zij, die in het centrum van het land wonen, in het midden ervan, en dus het verst verwilderd van gevaar, zullen even vol zijn van angst als degenen, die aan de grenzen wonen. Laat de stoutmoedigen en dapperen niet trots en gerust zijn, want God kan gemakkelijk de geest van de vorsten afsnijden, Psalm 76:13 en hun hart wegnemen, Job 12:24. III. De Egyptenaren zullen verstrikt zijn in eindeloze twisten onder elkaar. Het zal niet nodig wezen een vreemde krijgsmacht op hen te laten aanrukken om hen te verderven, zij zullen elkaar vernielen, vers 2. Ik zal de Egyptenaren tegen de Egyptenaren verwarren. Daar deze verdeeldheden en vijandschappen hun zonde zijn, is God de werker er niet van, zij komen voort uit van de mensen begeerlijkheden, maar als rechter laat God ze toe om hen te straffen, en door hun verwoestende geschillen kastijdt Hij hen voor hun zondige overeenkomsten. Inplaats van elkaar te helpen en ieder op zijn plaats te arbeiden voor het algemene welzijn, zullen zij strijden een ieder tegen zijn broeder en een ieder tegen zijn naaste, die hij behoorde lief te hebben als zichzelf, stad tegen stad en koninkrijk tegen koninkrijk. Egypte was toen verdeeld in twaalf provincies of dynastieën, maar Psammetichus, de gouverneur van één ervan heeft, door ze allen tegen elkaar op te zetten, , zich ten slotte meester gemaakt van allen. Een koninkrijk, dat aldus tegen zichzelf verdeeld is, zal spoedig ten verderve worden gebracht. En, "quo discordia cives perduxit miseros!" O welk een ellende wordt er over een volk gebracht door hun onenigheid hun onderlinge geschillen! Daartoe wordt het gebracht door een verkeerde geest, een geest van tegenspraak, die de Heer heeft ingeschonken in het midden van hen, als een bedwelmende drank uit onderscheidene ingrediënten samengesteld voor de Egyptenaren, vers 14. De ene partij zal voor een zaak zijn om geen andere reden dan omdat de andere partij er tegen is, dat is een verkeerde geest, die, als hij zich mengt met de openbare aangelegenheden, de strekking heeft om de openbare belangen in de hoogste mate te schaden.
IV. Hun staatkunde zal falen, hun raad zal tot dwaasheid worden, als God de natie wil verderven, dan zal Hij haar raad verslinden, vers 3, door van de staatslieden het verstand weg te nemen, Job 12:20, of hen tegen elkaar op te zetten, zoals Husaï tegen Achitofel, of door Zijn voorzienigheid hun maatregelen verbrekende, zelfs als zij goed beroemd schijnen te zijn, zodat de vorsten van Zoan zot zijn geworden, zij maken elkaar tot dwazen, iedereen legt zijn eigen dwaasheid bloot, en de goddelijke voorzienigheid maakt hen allen tot dwazen, vers 11. Farao had zijn wijze raadslieden, Egypte was vermaard om dezulken, maar hun raad is geheel onvernuftig geworden, zij hebben al hun overleg verloren, men zou denken dat zij idioten zijn geworden, van alle gezond verstand waren beroofd. Zo laat dan niemand roemen in zijn wijsheid, noch erop vertrouwen, noch op de wijsheid van hen, die hem omringen, want Hij, die het verstand geeft, kan als het Hem behaagt het wegnemen. En zeer waarschijnlijk zal het weggenomen worden van hen, die op hun staatkunde roemen, zoals Farao's raadslieden hier gedaan hebben, zich aanbevelen voor openbare posten van vertrouwen, en daarom snoeven op hun verstand. "Ik ben de zoon van de wijzen, van de God van de wijsheid, van de wijsheid zelf," zegt de een. "Mijn vader was een zeer voornaam raadsheer, in zijn dagen bekend en beroemd om zijn wijsheid of om de oudheid en waardigheid van zijn geslacht. "Ik ben," zegt een ander, de zoon van de oude koningen." De Egyptische edelen lieten zich zeer voorstaan op hun oudheid, fabelachtige registers overleggende van hun opvolging gedurende meer dan tien duizend jaren. Die neiging tot snoeven was toen zeer algemeen onder dit volk, zoals men zien kan in de geschiedverhalen van Herodotus, algemeen snoefde men er op dat Egypte enige duizenden jaren ouder was dan ieder ander volk. Doch waar zijn nu uw wijzen? vers 12. Laat hen nu hun wijsheid tonen door te voorzien welk verderf over hun volk zal komen en het te voorkomen, indien zij kunnen. Laat hen met al hun bekwaamheid weten wat de Heer over Egypte besloten heeft, en zich dienovereenkomstig wapenen. Maar zoverre is het van hen om dit te doen, dat zij zelf feitelijk het verderf van Egypte bewerken en het verhaasten, vers 13. De vorsten van Nof zijn niet alleen zelf bedrogen, maar zij doen Egypte dwalen door hun koningen tot willekeurige handelingen te verleiden, waardoor zowel zij zelf als hun volk spoedig ten verderve gingen. "De regeerders van Egypte, die de steun en de hoekstenen zijn van zijn stammen, ondermijnen het zelf". Het is treurig gesteld met een volk, als zij, die voor de veiligheid moeten zorgen, meewerken tot zijn verderf en ondergang, en als de geneesmeesters van de staat zijn ergste ziekte zijn, als de dingen, die tot de openbare vrede dienen, zo verborgen zijn voor de ogen van hen, aan wie de openbare zaken zijn toevertrouwd, dat zij zich in alles vergissen, altijd en voor alles verkeerde maatregelen nemen, zoals hier, vers 14. Zij hebben Egypte doen dwalen in al zijn doen. Iedere stap, die zij deden was een verkeerde stap, zij vergisten zich altijd, hetzij ten opzichte van het doel of van de middelen, en hun raad was weifelend en onzeker, zoals het waggelen en stamelen van een dronkaard, die zich om en omwendt in zijn uitspuwsel, en niet weet wat hij zegt of waar hij heengaat. Zie hoeveel reden wij hebben, om te bidden voor de raadslieden van de kroon en de staatsministers, die een grote steun en zegen zijn voor de staat, indien God hun de geest van de wijsheid geeft, maar geheel het tegendeel zijn, als Hij hun hart voor kloek verstand verbergt.
V. De staf van de regering zal verkeerd worden in een slang van tirannie en verdrukking, vers 4. "Ik zal de Egyptenaars overgeven in de hand van een harde heer, geen vreemdeling, maar iemand uit henzelf, en die over hen zal heersen naar erfrecht, maar een woest, wreed koning zal zijn en hen met hardheid zal regeren, hetzij de twaalf tirannen, die Sethon zijn opgevolgd, of liever Psammetichus, die de monarchie weer herstelde, want hij spreekt van een harde heer". Nu werd de wrede behandeling, die de Egyptische aandrijvers lang tevoren aan Gods Israël hebben aangedaan, herdacht tegen hen en kregen zij door een andere Farao betaald in hun eigen munt. Het is treurig gesteld met een volk, als de machthebbers, die tot stichters behoorden te zijn, tot afbreken en verwoesting zijn, en als zij door hen, die hen behoorden te regeren, ten ondergang worden gebracht, als dit de wijze is des konings, zoals het beschreven wordt- "in terrorem-ten einde af te schrikken", 1 Samuël 8:11.
VI. Egypte was beroemd om zijn rivier, de Nijl, die zijn rijkdom, zijn kracht en schoonheid was, en door hen vergood werd. Nu wordt hier gedreigd, dat het water uit de zee zal verdrogen en de rivier zal verzilten en opdrogen, vers 5. De natuur zal hen hierin niet, zoals vroeger, begunstigen. Egypte werd nooit bevochtigd door regen van de hemel, Zacheria 14:18, weshalve de vruchtbaarheid van hun land geheel en al afhankelijk was van de overstroming van hun rivier. Indien deze dus opgedroogd is, dan zal hun vruchtbaar land spoedig in dorheid verkeren en hun oogsten zullen ophouden, al het gezaaide bij de stromen zal natuurlijk verdrogen, weggestoten worden en niet meer zijn, vers 7. Indien het papiergewas bij de stromen, zelfs aan de oevers ervan verdroogt, hoeveel te meer dan niet het koren, dat op grotere afstand ervan is, maar er de vochtigheid aan ontleent. Maar dit is nog niet alles: het uitdrogen van hun rivieren is de vernieling.
1. Van hun vestingen, want het zijn stromen van verdediging, vers 6, die de toegang tot het land bemoeilijken voor een vijand. Diepe rivieren zijn de sterkste verdedigingslinies, en het moeilijkst te forceren. Farao wordt gezegd een grote zeedraak te zijn, die in het midden van de rivieren ligt, en er door beschermd wordt, allen van rondom trotserende, Ezechiël 29:3. Maar deze zullen geledigd en opgedroogd worden, niet door een vijand, zoals Sanherib met zijn voetzolen alle rivieren van de belegerde plaatsen verdroogd heeft, Hoofdstuk 37:25, en zoals Cyrus, die Babel ingenomen heeft door de Eufraat in vele stromen af te leiden, maar door de voorzienigheid Gods, die soms watertochten stelt tot een dorstig land, Psalm 107:33.
2. Het is het verderf voor hun vissers, vis was een groot voedingsmiddel voor de Egyptenaren, getuige de lage opmerking van de kinderen Israëls: wij gedenken aan de vissen, die wij in Egypte om niet aten, Numeri 11:5. Het opdrogen van de rivieren zal de vissen doden, Psalm 105:29, en dat zal hen te gronde richten, die vissers van beroep zijn, vis vangen, hetzij met de hengel of door het net uit te werpen vers 8.
A. Zij zullen treuren en kwijnen, omdat het met hun beroep gedaan is. Er is niets, waarover de kinderen van deze wereld zo van harte treuren als over het verlies van hetgeen waardoor zij geld plachten te verkrijgen: "Plolatur lacrymis amissa pecunia veris-Het zijn echte tranen, die gestort worden over verloren geld".
B. Het opdrogen van de rivieren zal ook hen te gronde doen gaan, die er hun werk van maakten om vis te bewaren, ten einde ze gereed bij de hand te hebben als er naar gevraagd werd. Er waren personen, die vijvers maakten voor vissen, vers 10, maar zij zullen verbroken worden, teleurgesteld worden in hun voornemen, hun bedrijf zal tenietgaan, hetzij wegens gebrek aan water om hun vijvers te vullen, of uit gebrek aan vis om er de vijvers van te voorzien. God kan middelen vinden om een land te beroven zelfs van datgene wat er de voornaamste voortbrengselen van zijn. De Egyptenaren kunnen zelf gedenken aan de vis, die zij vroeger om niet aten, maar waaraan zij nu zelfs voor geld niet komen kunnen. En wat hun verlies door de rivier nog verzwaarde was, dat het door hun eigen doen was, vers 6, zij zullen de rivieren ver terugdrijven. Hun koningen en voorname heren zullen ter voldoening van hun grillen en luimen het water uit de hoofdrivier afleiden naar hun eigen huizen en hoven, en dat wel op grote afstand, hun eigen gemak en gerief stellende boven de algemene belangen van het publiek, en zo zal de kracht van de rivier trapsgewijze merkbaar afnemen. Aldus brengen velen zich ten slotte groter nadeel toe dan zij denken.
a. Die wanen wijzer te zijn dan de natuur, beter voor zichzelf kunnen zorgen dan de natuur voor hen zorgt.
b. Die meer te rade gaan met hun particuliere belangen dan met het algemene welzijn. De zodanigen kunnen zichzelf behagen en strelen, maar zij kunnen zichzelf geen bevrediging schenken, die om aan een luim toe te geven, bijdragen tot openbare rampen, waarin zij toch zelf ten slotte moeten delen. Herodotus zegt ons dat Farao Necho-die niet lang daarna geregeerd heeft-het plan heeft opgevat om een waterweg aan te leggen van de Nijl naar de Rode Zee, een groot aantal werklieden gebruikte om daarvoor een kanaal te graven, maar hierdoor de rivier verzwakte, honderd twintig duizend personen van zijn volk verloor, en toch het werk onvoltooid heeft moeten laten.
VII. Egypte was beroemd om zijn linnenweverijen, maar dat bedrijf zal te gronde gaan. Salomo's kooplieden handelden met Egypte voor linnengaren 1 Koningen 10:28. Hun land leverde het beste vlas op, en de bekwaamste werklieden om het te bewerken. maar de werkers in het fijne vlas zullen beschaamd worden, vers 9, hetzij wegens gebrek aan vlas om te bewerken, of omdat er geen vraag was naar hetgeen zij bewerkt hadden, of zij geen gelegenheid hadden om het uit te voeren. Het kwijnen van de handel verzwakt een volk, en brengt het langzamerhand tot de ondergang. De handel van Egypte moet wel achteruitgaan, want, vers 15, Daar zal geen werk wezen voor de Egyptenaren, waarvoor zij gebruikt worden, en als er geen werk is, is er ook geen verdienste. Overal zal er stilstand zijn in de zaken, geen werk, hetwelk het hoofd of de staart, de tak of de bieze doen moge, niets voor hoog of laag, zwak of sterk, om te doen, het loon kwam teniet, Zacheria 8:10. De bloei van een rijk hangt grotendeels af van de industrie van het volk, en de zaken zullen waarschijnlijk dan goed gaan, als alle handen aan het werk zijn, als het hoofd en de opperste tak het niet versmaden om te werken, en de arbeid van de staart en de bieze niet geminacht wordt. Maar als de geleerde stand geen bezigheid heeft, de voornaamste kooplieden geen koopwaren hebben, en de ambachtslieden niets te doen hebben, dan komt armoede over een volk als een wandelaar en als een gewapend man.
VIII. De Egyptenaren zullen door een algemene ontsteltenis bevangen worden, zij zullen beven en vrezen, vers 16, hetgeen een bewijs zal wezen van algemeen verval, en ook een middel en voorteken zal zijn van algemeen verderf. Twee dingen zijn het, die deze schrik bij hen teweegbrengen.
1. Wat zij horen van het land van Juda, dat zal een verschrikking wezen voor Egypte, vers 17. Als zij horen van de verwoestingen die daar aangericht zijn door het leger van Sanherib, zullen zij in aanmerking van de nabijheid bij Juda en van het nauwe bondgenootschap, dat er tussen hen was, tot de gevolgtrekking komen dat het nu weldra hun beurt zal zijn om aan dat zegevierende leger ten prooi te worden. Als het huis van hun buurman in brand staat, dan moeten zij wel zien dat zij zelf in gevaar zijn, en daarom zal iedere Egyptenaar, die melding maakt van Juda, in zichzelf bevreesd zijn, verwachtende dat de bittere beker weldra in zijn handen gegeven zal worden.
2. Wat zij zien in hun eigen land. Zij zullen vrezen, vers 16, vanwege de beweging van de hand van de Heer, en vers 17, vanwege de raad van de Heer der heerscharen, die, te oordelen naar de beweging van Zijn hand, zij zullen denken tegen hen gericht te zijn, zowel als tegen Juda. Want indien het oordeel begint met het huis Gods waar zal het dan eindigen? Als dit aan het groene hout gedaan wordt, wat zal aan het dorre geschieden? Ziehier:
a. Hoe gemakkelijk God diegenen een schrik voor zichzelf kan maken, die niet alleen zelf gerust waren, maar een schrik zijn geweest voor allen, die rondom hen zijn. Het is slechts de beweging van Zijn hand over hen, of het leggen ervan op sommigen van hun naburen, en terstond zullen de stouthartigsten beven.
b. Hoezeer het ons betaamt om voor Gods aangezicht te vrezen, als Hij slechts Zijn hand over ons beweegt, en ons onder Zijn machtige hand te verootmoedigen, als zij ons slechts dreigt, inzonderheid als wij zien dat Zijn raad tegen ons bepaald en besloten is, want wie kan Zijn raad veranderen?