Deuteronomium 26:1-11
I. Hier wordt bevolen dat een goed werk gedaan moest worden, namelijk het jaarlijkse aanbieden van een korf met de eerstelingen van de vruchten aan God, vers 1, 2,. Behalve de garf van de eerstelingen, die voor het gehele land geofferd werd op de morgen na het pascha, Leviticus 23:10, moest iedereen nog voor zichzelf een korf met de eerstelingen brengen op het pinksterfeest, als de oogst geëindigd was, welk feest daarom het feest van de eerstelingen geroemd wordt, Exodus 34:22, en gezegd te worden gehouden met een vrijwillige schatting, Deuteronomium 16:10. Maar de Joden zeggen: "Als de eerstelingen toen niet gebracht werden, dan mochten zij op iederen tijd daarna, tussen dat tijdstip en de winter gebracht worden." Als iemand op het veld of in de wijngaard ging ten tijde als de vruchten begonnen te rijpen, dan moest hij een merk plaatsen op die, welke hij zag reeds het verst te zijn, en ze afzonderen voor de eerstelingen, tarwe, gerst, druiven, vijgen, granaatappelen, olijven en dadels, van iedere soort moesten enige in een korf gelegd worden met bladeren er tussen in, en aangeboden aan God in de plaats, die Hij zal verkiezen. Nu kunnen wij uit deze wet leren:
1. God te erkennen als de Gever van al die goede dingen, welke de steun en lieflijkheid zijn van ons natuurlijk leven, en daarom Hem er mee te eren en te dienen.
2. Onszelf te verloochenen. Wij houden het meest van hetgeen het eerst rijp is, mensen, die kieskeurig zijn en gaarne iets zeldzaams hebben, wensen gediend te worden met elke vrucht, die uitkomt: Mijn zielbegeert vroegrijpe vrucht. Toen God hun dus gebood ze af te zonderen voor Hem, leerde Hij hen de verheerlijking van Zijn naam te verkiezen boven het bevredigen van hun eigen lust en begeerte.
3. Aan God het eerste en het beste te geven van wat wij hebben, als die geloven dat Hij de eerste en de beste is van alle wezens. Zij, die de dagen van hun jeugd en het beste van hun tijd aan God wijden, brengen Hem de eerstelingen van de vruchten, en in zulke offeranden heeft Hij een welbehagen. Ik gedenk van de weldadigheid van uw jeugd.
II. Worden goede woorden in hun mond gelegd, om gesproken te worden bij het doen van dit goede werk, als een uitlegging van de betekenis van deze plechtigheid, opdat het een redelijke dienst zij. De offeraar moet zijn erkentenis beginnen vóór hij zijn korf aan de priester overgaf, en dan moet hij er mee voortgaan, als de priester de korf voor het altaar gezet heeft, als een geschenk aan God, hun grote landheer, vers 3, 4,.
1. Hij moet beginnen met een volledig bewijs van ontvangst te geven van het goede land, dat God hun gegeven heeft, vers 3. 1, "Ik verklaar heden dat ik gekomen ben in het land" nu, eindelijk, na veertig jaren van omzwerven, dat de Heere gezworen heeft ons te zullen geven. Het was zeer gepast dit te zeggen, toen zij het eerst in Kanaän kwamen, nadat zij er lang in gevestigd waren, hebben zij dit formulier waarschijnlijk gewijzigd. Als God Zijn belofte aan ons vervuld heeft, dan verwacht Hij dat wij dit zullen erkennen tot eer van Zijn getrouwheid, zoals Salomo gedaan heeft, 1 Koningen 8:56, 6 niet een enig woord is er gevallen van al Zijn goede woorden. En onze lichamelijke genietingen worden ons dubbel lieflijk, als wij ze ons zien toevloeien uit de bron van de belofte.
2. Hij moet gedenken en erkennen de geringe oorsprong van dit volk, waarvan hij een lid was, hoe groot zij nu ook waren, en hij met hen, hun begin was zeer klein, hetgeen aldus door deze openbare belijdenis in gedachtenis gehouden moet worden in alle eeuwen van hun kerk, opdat zij niet hoogmoedig zullen worden op hun voorrechten en voordelen, maar steeds dankbaar zullen zijn aan die God, wiens genade hen heeft verkoren toen zij zo gering waren, en hen zo hoog heeft opgeheven. Hiertoe moeten zij twee dingen erkennen:
a. De geringheid van hun stamvader. Een bedorven, of verloren gaande, of een door de Syrier bedorven man, namelijk Laban, was mijn vader, vers 5. Jakob wordt hier een Aramiet of Syrier genoemd, omdat hij twintig jaar in Paddan-Aram heeft gewoond, zijn vrouwen van dat land waren, en al zijn kinderen daar waren geboren, behalve Benjamin, en de belijder bedoelde misschien niet Jakob zelf, maar die zoon van Jakob, die de vader was van zijn stam. Hoe dit nu zij, beide vader en zonen waren meer dan eens op het punt van bedorven te worden, verloren te gaan, of om te komen, door Labans strengheid, Ezau's wreedheid, en de hongersnood in het land, welke laatste omstandigheid de aanleiding was van hun afgaan naar Egypte. De Chaldeeër geeft deze lezing van de volzin: Laban, de Syriër, zocht mijn vader te verderven, en de Arabische overzetting luidt: had hem bijna verdorven, of verdelgd.
b. De ellendige toestand van hun natie in haar kindsheid. Zij hebben als vreemdelingen in Egypte gewoond, zij dienden er als slaven, vers 6, 6 en dat wel gedurende lange tijd, gelijk hun vader een Syriër genoemd werd, zouden zij Egyptenaren kunnen genoemd zijn, zodat zij, zolang buiten Kanaän gehouden zijnde, er geen aanspraak op konden maken als bezitters. Een arm, veracht, verdekt volk waren zij in Egypte, en daarom hadden zij, hoewel thans rijk en groot geworden, geen reden om hoogmoedig en zorgeloos te zijn en God te vergeten.
3. Hij moet dankbaar Gods grote goedheid erkennen, niet alleen jegens hemzelf in het bijzonder, maar jegens Israël in het algemeen.
a. In hen uit te voeren uit Egypte, vers 7, 8,. Daarvan wordt hier gesproken als van een daad van medelijden: Hij zag onze ellende aan, en een daad van macht: Hij voerde ons uit Egypte door een sterke hand en door een uitgestrekten arm. Dit was een grote verlossing, wel waardig om bij alle gelegenheden herdacht te worden, en inzonderheid bij deze gelegenheid. Het moet hen niet verdrieten om een mand met eerste vruchten aan God te brengen, want aan Hem hebben zij het te danken dat zij hun getal van tichelstenen niet behoefden te brengen aan hun wrede aandrijvers.
b. Door hen te vestigen in Kanaän, vers 9. Hij heeft ons dit land gegeven.
Merk op: hij moet God niet slechts danken voorzijn eigen deel, maar voor het land in het algemeen, dat aan Israël gegeven was, niet slechts voor zijn winst in dit jaar, maar voor de grond die deze winst heeft opgeleverd, en die God genadiglijk aan zijn voorouders had geschonken en als erfenis heeft verzekerd aan hun nageslacht. Het genoegen, dat wij smaken in hetgeen wij hebben moet ons dankbaar maken voor ons aandeel in de openbare vrede en overvloed, en met onze tegenwoordige zegeningen moeten wij God loven ook voor de vroegere gunsten en weldadigheden, dle wij gedenken, en de verdere zegeningen, die wij hopen en verwachten.
4. Hij moet Gode zijn korf met eerstelingen offeren, vers 10. Ik heb gebracht de eerstelingen van de vrucht dezes lands, als een erfpacht van het land, dat Gij, Heere, mij gegeven hebt. Wat wij ook aan God geven, wij geven het Hem slechts van het Zijne, 1 Kronieken 29:14. En het betaamt ons, die zoveel van Hem ontvangen, om te overleggen wat wij Hem zullen vergelden. Hij stelde de korf voor het aangezicht Gods, en de priesters, als Zijn ontvangers, hadden de eerstelingen van de vruchten als de emolumenten van hun ambt en het loon voor hun diensten, Numeri 18:12.
Eindelijk. Aan de offeraar wordt hier bevolen, om als hij de dienst geeindigd heeft:
1. Gode eer te geven: gij zult u buigen voor het aangezicht des Heeren, uw God. Zijn eerstelingen zouden niet welbehaaglijk zijn zonder verdere daden van aanbidding. Een nederig, eerbiedig, dankbaar hart, dat is het waarop God ziet, en dat Hij eist, en zonder dat is alles, wat wij in een korf kunnen leggen van geen nut. Al gaf iemand al het goed van zijn huis, om hiervan verschoond te zijn, of inplaats er van, men zou het ten enenmale verachten.
2. Om er het genot van te nemen voor zichzelf en zijn gezin, vers 11. Gij zult vrolijk zijn over al het goed. Het is de wil van God, dat wij blijmoedig zijn, niet slechts in ons verrichten en nakomen van Zijn heilige inzettingen, maar ook in ons genieten van de gaven van Zijn voorzienigheid. God wil dat wij van alle goed, dat Hij ons geeft, het aangenaamste gebruik zullen maken, maar er toch de stromen van zullen nasporen tot aan de bron van alle vertroosting.