Job 31:16-23
Elifaz had Job inzonderheid beschuldigd van onbarmhartigheid jegens de armen, Hoofdst. 22:6 en verv. Gij hebt de hongerige brood onthouden, gij hebt de kleren van de naakten uitgetogen, de weduwen hebt gij ledig weggezonden. Men zou gedacht hebben dat hij die beschuldiging niet met zoveel vastheid en beslistheid zou uitgesproken hebben, indien er niet enige waarheid in was geweest, indien hij er geen grond voor had gehad, en toch blijkt uit Jobs betuiging dat zij ten enenmale vals en ongegrond was, nooit heeft hij zich aan iets dergelijks schuldig gemaakt. Zie hier:
I. Het getuigenis van Jobs geweten betreffende zijn standvastig gedrag jegens de armen. Hij weidt zeer uit over dit punt, omdat hij omtrent deze zaak zeer bijzonder beschuldigd was. Plechtig betuigt hij:
1. Dat hij nooit in gebreke is gebleven hun goed te doen als dit nodig was, en dat wel zoveel hij slechts vermocht. Hij is altijd meedogend geweest voor de armen, heeft altijd voor hen gezorgd, inzonderheid voor de weduwen en wezen, die van hulp ontbloot waren.
a. Hij was altijd bereid hun hun begeerten toe te staan en aan hun verwachtingen te beantwoorden, vers 16. Als een arme een vriendelijkheid van hem verzocht, was hij bereid hem ter wille te zijn, als hij door de treurige smekende blik van de weduwe slechts bespeurde dat zij een aalmoes van hem verwachtte, al had zij ook geen moed genoeg om er om te vragen, dan had hij medelijden genoeg om haar te geven, en zo heeft hij nooit de ogen van de weduwe laten. versmachten.
b. Hij heeft de armen geacht en geëerd, want hij liet de wezen met zich aan zijn eigen tafel eten zij moesten het evengoed hebben als hij, en zij moesten gemeenzaam met hem zijn, hij wilde tonen dat hun gezelschap hem aangenaam was, alsof zij zijn eigen kinderen waren, vers 17. Gelijk het een van de grootste smarten van de armoede is dat zij blootstelt aan minachting, zo behoort het niet tot het geringste van hetgeen de armen opbeurt om zich geëerd te zien.
c. Hij was zeer zorgzaam voor hen en had een vaderlijke belangstelling in hen, vers 18. Hij was een vader voor de wezen, liet hen opvoeden onder zijn eigen toezicht. Hij was een gids en raadsman voor de weduwe, die de leidsman harer jeugd had verloren. Hij diende haar van raad in haar zaken, nam er kennis van en nam het bestuur er van op zich. Zij, die onze aalmoezen niet nodig hebben, kunnen wel behoefte hebben aan onze raad, en die zou een ware weldaad voor hen kunnen zijn. Job zei, dat hij dit van zijn jonkheid af gedaan heeft, van zijn moeders schoot af, dat is: er was tederheid en mededogen als ingeweven in zijn natuur, hij begon intijds goed te doen zover zijn geheugen slechts reikte heeft hij altijd de een of andere weduwe of een ouderloos kind onder zijn hoede en zorg gehad. Zijn ouders hadden hem reeds vroeg geleerd medelijden te hebben met de armen en hen te helpen, en wezen met hem grootgebracht.
d. Hij voorzag hen van geschikt voedsel, zij aten van dezelfde bete met hem, vers 17, niet na hem, niet van de kruimkens, die van zijn tafel vielen, maar met hem, van de keurigste schotel op zijn tafel. Zij, die overvloed hebben, moeten hun bete niet alleen eten alsof zij alleen maar voor zichzelf hadden te zorgen, noch hun lekkere bete alleen voor zichzelf houden, maar er anderen in laten delen, zoals David Mefiboseth bij zich genomen heeft. e. Hij droeg inzonderheid zorg om hen te kleden, die zonder bedekking waren, hetgeen hem meerdere kosten veroorzaakte dan hen te spijzigen, vers 19. Arme mensen kunnen omkomen uit gebrek aan kleding, zowel als uit gebrek aan kleren om er des nachts in neer te liggen, of er overdag mee uit te gaan. Indien Job wist dat er mensen waren in zo'n nood dan beijverde hij zich om hun te hulp te komen, en inplaats van rijke en zwierige livreien te geven aan zijn dienstknechten, terwijl de armen weggezonden werden met lompen, die goed waren om op de mesthoop te worden geworpen, liet hij goede, warme, sterke kleren voor hen maken, voor hen expres, van de vellen van zijn lammeren, vers 20, zodat hun lenden, als zij zich gordden met deze kleren, hem zegenden, zijn liefdadigheid roemden, God voor hem loofden en God baden hem te zegenen. Jobs schapen werden verbrand door het hemelvuur, maar dit was zijn troost dat hij, toen hij ze had, er eerlijk aan gekomen was, en ze gebruikt heeft voor liefdadige doeleinden, hij heeft de armen gevoed met hun vlees en gekleed met hun wol.
2. Dat hij nooit medeplichtig is geweest aan onrecht, dat de armen werd aangedaan. Misschien zou iemand zeggen dat hij wel goed was hier en daar voor een arme, die in gunst bij hem stond, maar verdrukkend is geweest voor anderen. Maar neen, hij was teerhartig voor allen en onrechtvaardig voor niemand. Hij heeft nooit zijn hand tegen de wees bewogen, vers 21, hen nooit gedreigd of verschrikt of gepoogd hen te slaan, nooit zijn macht gebruikt om hen te verpletteren, die hem in de weg waren, of al wat hij maar kon uit hen te halen, ofschoon hij in de poort zijn hulp zag dat is: of schoon hij invloed genoeg had, zowel op het volk als op de rechters, om hem instaat te stellen het te doen en tegen onaangename gevolgen gevrijwaard te zijn, als hij het gedaan geeft. Zij, die het in hun macht hebben om onrecht te doen en er winst door te behalen, maar inplaats van dit onrecht te plegen, rechtvaardig handelen en barmhartigheid betonen, en daar standvastig in zijn, kunnen daar later met veel vertroosting aan terugdenken, zoals Job dit hier doet.
II. De verwensing waarmee hij deze betuiging bevestigt, vers 22. "Indien ik de armen verdrukt heb, zo valle mijn schouder van het schouderbeen en mijn arm breke van zijn pijp af," dat is: "het vlees rotte weg van het been, en het een been worde van het andere ontwricht en afgebroken." Indien hij niet volkomen rein ware geweest in deze zaak, hij zou niet aldus de wraak Gods over zich hebben durven inroepen. En hij geeft te kennen dat het rechtvaardig is in God om de arm te breken, die uitgestrekt is tegen de wees, zoals Hij Jerobeams arm heeft doen verdorren, die uitgestrekt was tegen een profeet.
III. De beginselen, door welke Job teruggehouden werd van alle onbarmhartigheid en liefdeloosheid. Hij durfde de armen niet mishandelen, want hoewel hij hen met zijn hulp in de poort zou kunnen overweldigen, hij zou zich niet kunnen verdedigen tegen die God, die de beschermer is van de verdrukte armoede en de verdrukkers niet ongestraft zal laten, vers 23, het verderf Gods was bij mij een schrik, als ik in verzoeking was om deze zonde te bedrijven, en ik vermocht niet vanwege Zijn hoogheid Hem mij tot een vijand te maken." Hij had ontzag:
1. Voor de majesteit van God, als een God boven hem. Hij dacht aan Zijn hoogheid, de oneindige afstand tussen hem en God, waardoor hij met zo'n eerbied voor Hem vervuld werd, dat het hem zeer voorzichtig maakte in geheel zijn wandel. Zij, die de armen verdrukken, recht en gerechtigheid verkeren, vergeten dat Hij, die hoger is dan de hoogsten, er acht op neemt, en dat er een Hogere is dan zij, die machtig is om met hen te handelen, Prediker 5:7, maar Job dacht er aan. 2. Voor de toorn van God als een God die zich zeer zeker tegen hem zal keren, indien hij onrecht doet aan de armen. Het verderf Gods, omdat het een gewis en algeheel verderf voor hem zijn zou, indien hij schuldig ware aan deze zonde, was voortdurend een schrik bij hem om hem er van terug te houden. Godvruchtige mensen, zelfs de besten van hen, hebben het nodig om teruggehouden te worden van de zonde door de vrees voor het verderf Gods. Die vrees moet ons inzonderheid terughouden van alle daden van onrecht en verdrukking, God zelf is er de wreker van. Zelfs als het heil Gods ons een vertroosting is, moet toch het verderf Gods een schrik bij ons zijn. Adam werd in de staat van de onschuld in ontzag gehouden door een bedreiging.