Jeremia 1:11-19
Hier:
I. Geeft God aan Jeremia, in een visioen, een gezicht van de voornaamste boodschap, waarmee hij gezonden werd, dat was de verwoesting van Juda en Jeruzalem door de Chaldeën te voorzeggen, om hun zonden en voornamelijk hun afgoderij. Deze werd hem eerst voorgesteld op een wijze, die geschikt was om indruk op hem te maken, zodat hij het altijd in zijn geheugen kon hebben bij zijn omgang met het volk.
1. God toonde hem dat het volk snel rijpte voor de verwoesting en dat de verwoesting haastte om tot het volk te komen. Nadat God geantwoord heeft op zijn bezwaar dat hij nog jong was, leidt Hij hem nu in in profetisch onderricht en profetische taal. En na hem beloofd te hebben dat Hij hem zal in staat stellen om behoorlijk tot het volk te spreken onderwijst God hem thans om te verstaan hetgeen God hem te zeggen heeft. Want profeten moeten ogen in het hoofd hebben zowel als tongen, zij moeten evenzeer zieners als sprekers zijn. Daarom vraagt God hem: Jeremia, wat ziet gij? Zie om u heen en let op. En spoedig ontdekte hij hetgeen hem voorgesteld werd: Ik zie een tak, aanduidende droefenis en kastijding, een kastijdende tak hangt over ons, en het is een amandeltak, de amandelboom is een van de vlugste bomen in de lente, spoedig staat hij in loof en bloesem, wanneer de andere bomen nog nauwelijks beginnen te botten. Plinius zegt: hij bloeit in Januari en heeft reeds in Maart rijpe vruchten. Daarom wordt hij in het Hebreeuws genoemd shekedh, dat is: de haastige boom. Of de tak, die Jeremia zag, reeds gebloeid had, zoals sommigen denken, dan wel of zij afgescheld en droog was, naar anderen menen, is onzeker, maar Jeremia wist dat het een tak van een amandelboom was, evenals Aärons staf, en God verklaart in de volgende woorden, vers 12, Gij hebt wel gezien. God prees hem omdat hij zo opmerkzaam en zo vlug van begrip was, dat hij dadelijk gezien had dat het een amandeltak was, ofschoon dit zijn eerste visioen was, zijn geest was dus in staat om de dingen goed te onderscheiden. Profeten moeten goede ogen hebben, en zij, die goed zien, worden geprezen, niet zij, die alleen goed spreken. Gij hebt een haastige boom gezien, hetgeen betekent dat ik wakker zal zijn (haasten zal) over Mijn woord om dat te doen. Jeremia zal profeteren hetgeen hij nog zelf vervuld zien zal. Wij hebben de uitlegging hiervan in Ezechiël 7:10 en 11:"De tak heeft gebloeid, de hovaardij heeft gegroend, het geweld is op gerezen tot een tak van de goddeloosheid." De maat van Jeruzalems ongerechtigheid werd haastig gevuld, en-alsof de verwoesting te lang sluimerde-zo waken zij om haar vol te maken, nu zal Ik haasten om te vervullen hetgeen Ik tegen hen gesproken heb.
2. Hij toont hem van waar de bedoelde verwoesting opkomen zou. Jeremia wordt ten tweeden male gevraagd: Wat ziet gij Gij ziet een kokenden pot boven het vuur, vers 13, welke Jeruzalem en Juda voorstelt in grote beroering, gelijk kokend water, door de inval, die het Chaldese leger doen zal. Zij zullen gezet worden tot een vurige oven, Psalm 21:10, in de hitte zullen zij verdwijnen gelijk kokend water, dat zichtbaar verdampt en al minder en minder wordt, of dat op `t punt staat van over te koken, zo zullen zij uit hun stad en hun land getrokken worden als water uit een pot boven het vuur, van kwaad tot erger. Sommigen denken dat deze spotters daarop zinspeelden als zij zeiden: "Deze stad zou de pot en wij het vlees zijn," Ezechiël 11:3. Het voorste deel of de opening van het fornuis of de haard, waarboven deze pot stond te zieden, was tegen het noorden, want vandaar zou het vuur en de brandstof komen, die de pot zouden doen koken. Zo wordt dit visioen verklaard. vers 14 :Van het noorden zal zich dit kwaad opdoen over alle inwoners des lands. Het was reeds lang besloten door de gerechtigheid Gods en reeds lang verdiend door de zonden des volks, en toch had tot nu toe het goddelijk geduld het uitgesteld, het, als het ware, tegengehouden. De vijanden hadden het bedoeld, maar God had hen verhinderd. Maar nu worden alle beletselen weggenomen, het kwaad zal zich opdoen, de vreeslijke zaak zal geschieden, en de vijand zal opkomen gelijk een stroom. Het zal een algemene ellende zijn, het zal komen over af de inwoners des lands, van de hoogste tot de laagste, want zij hebben allen hun weg verdorven.
Merk op dat deze storm van het noorden komt, vanwaar "gewoonlijk het mooie weer komt," Job 37:22. Toen er vriendschap bestond tussen Hizkia en de koning van Babel, beloofden zij zich veel voordeel uit het noorden, maar het komt geheel anders uit: hun ellende komt uit het noorden. De heftigste stormen komen soms van die kant, vanwaar wij mooi weer verwachtten. Dit wordt verder uitgelegd vers 15. Hier zien wij
a. Het opkomen van het leger, dat Juda zal overstromen en woest maken: Ik roep alle geslachten van de koninkrijken van het noorden, zegt de Heere. Al de noordelijke rijken zullen zich met Nebukadnezar verenigen en met hem aan deze inval deel nemen. Zij liggen verspreid, maar God, die de harten aller mensen in Zijn hand heeft, zal hen tot elkaar brengen. Zij liggen op grote afstand van Juda, maar God, die de schreden van alle mensen bestiert, zal hen roepen, en zij zullen komen, al zijn ze ook nog zo ver weg. Gods oproepingen zullen gehoorzaamd worden, zij, die Hij roept, zullen komen. Wanneer hij werk van enige aard te doen heeft, zal Hij er de werktuigen voor vinden, al zou Hij ze van de uiterste einden van de aarde halen. En dat de legers, die in het veld zouden gebracht worden, voldoende talrijk en sterk zouden zijn, blijkt daaruit dat Hij niet alleen de koninkrijken van het noorden, maar al de geslachten in deze koninkrijken, in Zijn dienst nemen zal, niet één man, die recht van lijf en leden is, zal achtergelaten worden.
b. De optocht van dit leger. De aanvoerders van de troepen van de verschillende volken zullen ieder zijn eigen plaats innemen in de belegering van Jeruzalem en de overige steden van Juda. Zij zullen een ieder zijn troon, of zetel, zetten. Wanneer een stad belegerd wordt, noemen wij dat: De vijand ligt er voor. Zij zullen hun kampen opslaan voor de deur van de poorten van Jeruzalem en tegen al haar muren rondom, om te beletten dat de bewoners naar buiten komen of levensmiddelen binnen gebracht worden, en hen zo door gebrek te doen omkomen.
3. Hij zegt hem duidelijk wat de oorzaak was van al deze oordelen, het waren de zonden van Jeruzalem en van de steden van Juda (vers 16.) Ik zal vonnis tegen hen vellen (zo kan het gelezen worden, of: Ik zal oordelen over hen uitspreken, -een vonnis, een veroordeling, -ter wille van al hun boosheid. Dat is het waardoor de sluisdeuren worden opengezet, zodat een stroom van onheilen over hen komt. Zij hebben God verlaten, zij hebben hun verbond met Hem verbroken, zij hebben aan andere goden gewierookt, nieuwe goden, vreemde goden, en allen valse goden, indringers, overweldigers, de schepselen van hun eigen verbeelding, en zij hebben zich gebogen voor de werken hunner handen. Jeremia was jong en had nog slechts weinig van de wereld gezien, misschien wist hij nog niet, of kon niet geloven aan hoe schandelijke afgoderij de kinderen zijns volks schuldig waren, maar God zegt het hem opdat hij mocht weten om welke redenen Hij hen moest bestraffen en waarop Zijn bedreigingen gegrond waren, en opdat hij zelf zou toestemmen dat het vonnis overeenkomstig het misdrijf was, als hij het in Gods naam over hen ging uitspreken.
II. God wekt Jeremia op en moedigt hem aan om zich met alle kracht en ernst aan zijn taak te wijden. Hem wordt een belangrijke opdracht gegeven. Hij wordt in Gods naam als wapenheraut gezonden om de oorlog aan de oproerige onderdanen te verklaren, want het behaagt God tevoren te waarschuwen voor Zijn oordelen, opdat de zondaren nog kunnen opwaken om Hem berouwvol tegemoet te komen en daardoor Zijn toorn af te wenden, zodat zij indien ze dat niet doen, niet te verontschuldigen zijn. Bij deze opdracht wordt hem het bevel gegeven, vers 17 :Gij dan, gord uw lenden, maak u vrij van alle dingen die u onbekwaam zouden maken of hinderen kunnen in deze dienst, versterk u met bereidheid en vastberadenheid, en word niet door twijfelzucht omsingeld. Hij moet het vlug doen. Maak u op! Hij moet ijverig zijn: "Maak u op, spreek tot hen tijdig en ontijdig. Hij moet moedig zijn: Wees niet verslagen voor hun aangezicht, evenals vers 8. In een woord: hij moet getrouw zijn, een vereiste van gezanten is dat zij getrouw zijn.
1. In twee dingen moet hij getrouw zijn.
a. Hij moet spreken al wat hem opgedragen wordt. Spreek tot hen alles wat Ik u gebieden zal. Hij mag niets vergeten als gering, of vreemdsoortig, of de moeite niet waard, elk woord van God is gewichtig. Hij mag niets verbergen uit vrees van beledigend te zullen zijn, hij mag niets wijzigen onder voorwendsel van het fatsoenlijker of aannemelijker te maken, maar zonder er iets af of bij te doen, moet hij de gehele raad Gods verkondigen.
b. Hij moet het zeggen aan allen tot welke hij gezonden is, hij moet het niet in een hoekje aan enige weinige bijzondere vrienden in het oor fluisteren, die het goed opnemen zullen, maar hij moet tegen de koningen van Juda spreken, al zijn zij goddeloze koningen, en hij moet getuigen tegen de zonden ook van de vorsten des volks, want ook de aanzienlijkste mensen zijn niet gevrijwaard tegen de oordelen van Gods mond en hand. Ja, hij mag ook de priesters niet sparen, ofschoon hij zelf priester was, en van hem dus verwacht werd dat hij de waardigheid van die orde ophouden zou, maar hij mag hen in hun zonden niet vleien. Hij moet staan tegen het volk des lands, voorzover dat tegenover de Heere stond, ofschoon het zijn eigen volk was.
2. Twee redenen worden hier gegeven waarom hij aldus handelen moest.
a. Omdat hij reden had om Gods toorn te vrezen, indien hij ontrouw handelde: Wees niet verslagen voor hun aangezicht, zodat ge uw werk zoudt verzuimen of voor de vervulling van uw plicht terugdeinzen, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla, door u in uw lafhartigheid te verlaten. Zij, die meer te rade gaan met hun eigen aanzien, gemak en veiligheid dan met hun werk en plicht, worden rechtvaardig door God aan zichzelf overgelaten, waardoor zij zelf de schande van hun lafheid over zich brengen. Dat Ik niet met u handel naar uw flauwhartigheid en u in stukken breek: zo lezen sommigen deze woorden. Daarom zegt de profeet: Heere, wees mij niet tot een verschrikking, ( Hoofdstuk 17:17). De vreze Gods is het beste middel tegen de mensenvrees. Laat ons altijd bevreesd zijn om God te beledigen, die nadat Hij gedood heeft, macht heeft om in de hel te werpen, dan zullen wij weinig gevaar lopen van te vrezen voor het aangezicht van de mensen, die niet meer dan het lichaam kunnen doden, (Lukas 12:4, 5, zie Nehemia 4:14). Het is beter om alle mensen ter wereld dan om God alleen tot vijand te hebben.
b. Omdat hij geen reden had om voor de toorn van de mensen te vrezen, indien hij getrouw was, want de God, die hij diende, zou hem beschermen en hem er door helpen, zodat zij zijn geestdrift niet zouden doven of hem van zijn werk afkeren, zijn mond niet konden stoppen of hem het leven benemen, totdat hij zijn getuigenis geëindigd had, vers 18. Deze jonge profeet werd door God gemaakt tot een onneembare stad, versterkt met ijzeren pilaren en omringd met koperen muren, hij valt de vijand aan met bestraffingen en bedreigingen, en houdt hen in vrees. Zij vallen hem van alle zijden aan, de koningen en vorsten bestoken hem met hun macht, de priesters donderen tegen hem hun kerkelijke banvloeken, en het volk des lands schiet in de vorm van lasterlijke en harde woorden zijn pijlen op hem af, maar hij staat pal en zij vermogen tegen hem niet, hij blijft hun tegenpartij, vers 19. Zij zullen tegen u strijden, maar tegen u niet vermogen, want Ik ben met u, spreekt de Heere, om u uit te helpen. Zij, die er zeker van zijn dat God met hen is-en dat is Hij indien zij met Hem zijn-hebben nooit reden om bevreesd te zijn, en mogen het niet zijn, wie ook tegen hen is.