Romeinen 8:31-39
De apostel besluit deze uitnemende bespreking van de voorrechten der gelovigen met een heilig zegelied in naam van alle heiligen. Nadat hij ons in den brede de verborgenheid van Gods liefde voor ons in Christus voorgesteld heeft, en gewezen op de buitengewoon grote en kostelijke voorrechten, waarin wij ons door Hem mogen verheugen, besluit hij gelijk een redenaar met: Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Welk gebruik zullen wij nu maken van al hetgeen hier gezegd werd? Hij spreekt als iemand, die verbaasd staat over en geheel opgaat in de zaak, en haar overpeinst en bewondert. Hij verwondert zich over de hoogte en diepte, de lengte en breedte der liefde van Christus, die alle verstand te boven gaat. Hoe meer wij van andere dingen weten, des te minder verwonderen wij er ons over, maar hoe meer wij ingeleid worden in bekendheid met de verborgenheden des Evangelies, des te meer worden wij met bewondering daarvan vervuld. Indien Paulus niet meer wist wat hij van deze dingen zeggen moest, dan is het niet bevreemdend dat wij het nog veel minder weten. En wat zegt hij? Indien Paulus ooit gezegevierd heeft in de aanschouwing van de dingen der eeuwigheid, dan was het hier! Met zulk een heilige hoogte en moed des geestes, met zulk een overvloed en keur van uitdrukkingen vertroost hij zich zelven en al Gods kinderen bij de beschouwing van al deze voorrechten als nergens elders. In het algemeen: hij zendt de uitdaging, hij werpt den handschoen in het strijdperk, hij prikkelt al de vijanden van de heiligen om het ergste te doen dat in hun macht staat: Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? De grond voor deze uitdaging is dat God voor ons is, daarin vat hij al de genoemde voorrechten samen. Dit behelst alles: God is voor ons, niet alleen met ons verzoend, niet alleen niet tegen ons, maar in verbond met ons, en dus aan onze zijde gebracht, al Zijn eigenschappen zijn voor ons, al Zijn beloften zijn voor ons. Alles wat Hij is, en heeft, en doet, is voor Zijn volk. Hij maakt alle dingen voor hen. Hij is voor hen ook wanneer het schijnt dat Hij tegen hen handelt. En als dat zo is: wie zal tegen ons zijn? Zo tegen ons zijn, dat hij de overhand over ons kan krijgen of onze gelukzaligheid verhinderen kan? Zij mogen nog zo groot, zo sterk, zo talrijk, zo machtig en zo kwaadaardig zijn, wat kunnen zij doen? Indien God voor ons is en wij in Zijne liefde blijven, dan mogen wij met heilige vrijmoedigheid alle machten der duisternis verachten. Laat Satan alles doen wat hij kan, hij is geketend, laat de wereld al doen wat in haar vermogen is, zij is overwonnen, de machten en overheden zijn ten onder gebracht en ontwapend, en door het kruis van Christus is over hen getriomfeerd. Wie zal ons durven bestrijden, zo God zelf voor ons strijdt? Dit zeggen wij tot deze dingen, dit is het gevolg dat wij uit deze stelling trekken. In het bijzonder:
I. In al onze behoeften is reeds voorzien, vers 32. Die ook zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, enz.. Wie kan tegen ons zijn om ons van onze vertroostingen te beroven? Wie kan ons den stroom afsnijden, wanneer wij vrijen toegang hebben tot de bron?
1. Merk op wat God voor ons gedaan heeft, en waarop dus onze hoop gegrond is. Hij heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard. Toen deze op zich nam onze verlossing te bewerken, was de Vader gewillig Hem af te staan, Hij achtte die gave niet te kostelijk om te besteden voor de zaligheid van arme zielen. Daaraan kunnen wij zien dat Hij ons liefgehad heeft, dat Hij Zijn Zoon, Zijn eigen Zoon, Zijn enigen Zoon, ons niet onthouden heeft, gelijk Hij zelf eens van Abraham getuigde, Genesis 22:12. Indien niets minder den mens kon redden, dan gaf Hij Hem over, al was het ook uit Zijn schoot, liever dan dat de mens verloren zou gaan. En zo heeft Hij Hem voor ons allen overgegeven, dat is: voor al de uitverkorenen, voor ons allen: niet alleen voor ons welzijn, maar in onze plaats, als een slachtoffer om een verzoening te zijn voor onze zonden. Toen Hij dat op zich genomen had, spaarde Hij Hem niet. Ofschoon het Zijn eigen Zoon was, behaagde het den Heere Hem te verbrijzelen, toen Hij zonde gemaakt werd voor ons, oek eptei sato. Hij spaarde niet, Hij schold niets kwijt, tot den laatsten penning van die grote schuld vorderde Hij in. Zwaard, ontwaak tegen Mijn herder! Hij spaarde Zijn eigen Zoon niet, die Hem diende, ten einde ons te kunnen sparen, ofschoon wij Hem nooit iets anders dan ondienst gedaan hadden.
2. Wat mogen wij daarom verwachten dat Hij voor ons doen zal? Hij zal ons met Hem alle dingen schenken.
A. Dat sluit in zich dat Hij ons Christus zal geven, want de andere dingen worden met Hem gegeven, niet alleen met Hem gegeven voor ons, maar met Hem gegeven aan ons. Hij, die zich zelven zoveel moeite voor ons deed dat Hij de verlossing mogelijk maakte, zal zeker niet aarzelen daarvan ook de toepassing ons te schenken.
B. Hij zal ons met Hem gaarne alle dingen geven, alle dingen die Hij ziet dat nuttig en nodig voor ons zijn, alle goede dingen, en meer mogen wij niet begeren, Psalm 34:11. En de oneindige wijsheid zelf zal beoordelen wat al dan niet goed en nodig is voor ons.
Gaarne geven, gaarne, zonder terughouding, Hij is bereid om te geven, komt ons met Zijn gunstbewijzen tegemoet, en gaarne: om niet, zonder betaling, zonder geld en zonder prijs.
Hoe zal Hij niet? Kan men zich voorstellen dat Hij, die het grootste deed, het kleinere niet zou doen ? Dat Hij, die zulk een grote gave schonk toen wij nog vijanden waren, ons enig goed en nuttig ding zou weigeren nadat wij door Hem Zijn kinderen en vrienden geworden zijn. Zo mogen wij door het geloof spreken tegen onze vrees voor gebrek. Hij, die een kroon en een koninkrijk voor ons bereid heeft, zal ons zeker genoeg geven om de moeilijkheden op den weg daarheen te overwinnen. Hij, die de erfenis van kinderen voor ons bestemd heeft als wij meerderjarig zullen geworden zijn, zal het ons aan het nodige in den tussentijd niet doen ontbreken.
II. Wij hebben een antwoord gereed op alle beschuldigingen en een zekerheid tegen alle verdoemenis, vers 33, 34. Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? Beschuldigt de wet hen? Beschuldigt hun eigen geweten hen? Beschuldigt de duivel, de aanklager der broederen, hen voor onzen God dag en nacht? Dit antwoord is voldoende om alle beschuldigingen tot zwijgen te brengen: God is het, die rechtvaardig maakt. De mensen mogen zich zelven rechtvaardigen gelijk de Farizeeën deden, daarom kunnen de beschuldigingen tegen hen nog wel van volle kracht zijn, maar als God rechtvaardigt, dan is alles beantwoord. Hij is de Rechter, de Koning, de beledigde partij, en zijn oordeel is overeenkomstig de waarheid. Vroeger of later zal de gehele wereld er toe gebracht worden met Hem in te stemmen. Wij kunnen dus al onze beschuldigers uitdagen om hun aanklacht te komen indienen. Dit brengt hen allen tot zwijgen, het is God, de rechtvaardige, getrouwe God, die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? Ofschoon zij hun beschuldiging niet kunnen volhouden, zullen zij bereid zijn om te verdoemen, maar wij hebben een voorspraak, die zal maken dat het vonnis niet uitgevoerd worden kan, een pleitbezorger tegen wie niets in `t midden gebracht worden kan. Christus is het die gestorven is, enz. Het is uit kracht van ons deelgenootschap aan Christus, onze betrekking tot Hem, en onze vereniging met Hem dat wij deze zekerheid hebben. 1. Zijn dood. Christus is het, die gestorven is. Door de verdienste van Zijn dood betaalde Hij onze schuld, en de betaling door den borg is de voldoende verwering tegen een vordering van de schuld. Christus is het, de bekwame, alvoldoende Zaligmaker.
2. Zijne opstanding: Ja, wat meer is, die ook opgestaan is. Dit is nog veel groter bemoediging, want het is het overtuigend bewijs dat de goddelijke gerechtigheid door de verdienste van Zijn dood voldaan werd. Zijn opstanding was Zijn kwitantie, Zijn wettelijke kwijtschelding. Daarom vermeldt de apostel die met de bijvoeging: Ja, wat meer is. Indien Hij gestorven, maar niet opgestaan was, zouden wij gebleven zijn die wij waren.
3. Zijn zitten aan de rechterhand Gods. Die ook ter rechterhand Gods is, een nader bewijs dat Hij Zijn werk verricht heeft, en een machtige bemoediging voor ons met betrekking tot alle beschuldigingen, dat wij in het gerechtshof een Vriend, zulk een Vriend, hebben. Ter rechterhand Gods, dat toont aan, dat Hij daar gereed is, steeds te bereiken, en dat Hij daar regeert, alle macht is Hem gegeven. Onze vriend zelf is onze rechter.
4. Dat Hij daar voor ons tussen treedt. Hij is daar niet zonder in ons belang te stellen, Hij vergeet ons daar niet. Die ook voor ons bidt. Hij neemt daar onze belangen waar, Hij is onze voorspraak, Hij antwoordt op al onze beschuldigingen, Hij draagt onze verdediging voor, Hij doet dat met goeden uitslag, Hij verschijnt in onze plaats, Hij dient onze verzoeken in. Is dit alles geen overvloedige reden van vertroosting? Wat zullen wij tot deze dingen zeggen? Is dit naar de wijze der mensen, o Heere God? Welke plaats wordt hier gelaten voor twijfel en ongerustheid? Wat zijt gij verslagen, o mijne ziel? Sommigen verstaan onder de beschuldigingen en veroordeling, waarvan hier gesproken wordt, die, welke de heiligen ondergingen in hun lijden van de mensen. De eerste Christenen werden van de zwartste misdaden beschuldigd. Ketterij, afval, opstand, ja wat niet al! Daarom werden zij door de regerende machten veroordeeld. "Maar dat doet er niet toe", zegt de apostel, "indien wij staande blijven voor de rechtbank Gods, dan hindert het ons niet veel hoe de mensen over ons oordelen." Tegen alle harde banvonnissen, boosaardige lasteringen en onrechtvaardige veroordelingen van de mensen kunnen wij getroost overstellen onze rechtvaardiging voor God door Christus Jezus, die overvloedig tegen die alle opweegt, 1 Corinthiërs 4:3 4..
III. Wij hebben goede verzekering dat wij in dezen gezegenden staat zullen blijven en volharden, vers 35-39. De bezorgdheid der heiligen dat zij hun vastigheid in Christus zullen verliezen, is menigmaal zeer ontmoedigend en verontrustend, en brengt hun veel stoornis, maar hier is iets, dat hun bevreesdheid kan stillen en maken dat de stormen bedaren. Niets kan hen daarvan scheiden. Wij ontvangen hier dienaangaande van den apostel:
1. Een moedige uitdaging aan alle vijanden der heiligen om hen te scheiden, indien hun dat mogelijk is, van de liefde van Christus.
Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Dat zal niemand en niets, vers 35-37. God heeft ons Zijne liefde bewezen in het geven van Zijn eigen Zoon voor ons, en daarin niet geaarzeld, hoe zouden wij ons kunnen inbeelden dat enig ander ding ons van die liefde zou scheiden of aftrekken? Merk hier op: A. De tegenwoordige verdrukkingen van hen, die ondersteld worden geliefden van Christus te zijn. Zij ontmoeten op allerlei wijzen verdrukkingen, zij zijn in benauwdheid, zij weten niet waar ergens ter wereld zij enige hulp of tegemoetkoming zullen verkrijgen. Zij worden vervolgd door een nijdige, kwaadaardige wereld, die altijd gehaat heeft degenen, die Christus liefhad. Zij worden gekweld met honger, zij lijden gebrek door naaktheid, zij worden beroofd van alle gewone gemakken des levens, zij zijn blootgesteld aan de grootste gevaren, tegen hen is het zwaard van de regeringen uitgetrokken, gereed om hun bloed te vergieten en te baden in hun bloed. Kan enige zaak slechter en droever staan? Het wordt toegelicht door ene aanhaling uit Psalm 44:23 :Want om uwentwil worden wij den gansen dag gedood, wij zijn geacht als schapen ter slachting. Daarin ligt opgesloten, dat wij er niet als over iets vreemds over moeten denken, zelfs niet over den vinnigsten, bloedigsten aanval. Wij zien dat de Oud-Testamentische heiligen hetzelfde lot ondergingen, evenzo werden de profeten vervolgd, die voor ons geweest zijn. Den gansen dag gedood, dat is: wij zijn alle dagen, den gansen dag, blootgesteld aan en in verwachting van den dodelijken slag. Er is zeker elke dag, ja elk deel van elke dag, een of ander van Gods kinderen bloedende en stervende onder de woede van vervolgende vijanden. Wij worden geacht als schapen ter slachting. Zij maken er niet meer zwarigheid van om een Christen te vermoorden als om een schaap te slachten. Schapen worden geslacht niet omdat zij schadelijk zijn bij hun leven, maar omdat zij nuttig zijn na hun dood. Maar de Christenen doodt men om zich zelven te vermaken en voldoening te geven aan eigen kwaadaardigheid.
Zij eten mijn volk op, alsof zij brood aten, Psalm 14:4.
B. De onbekwaamheid van al deze dingen om ons te scheiden van de liefde van Christus. Zullen zij, kunnen zij, dat doen? Neen, in generlei wijze. Dat alles zal den band van liefde en vriendschap, die tussen Christus en de ware gelovigen gelegd is, niet kunnen doorsnijden.
a. Christus wil en zal ons om dat alles niet minder liefhebben. Al deze bezwaren zijn zeer goed bestaanbaar met de sterke en voortdurende liefde van den Heere Jezus. Zij zijn evenmin de oorzaak als het bewijs voor de verflauwing Zijner liefde. Toen Paulus werd gegeseld, geslagen, gevangen gezet en gestenigd, had Christus hem daarom minder lief? Werd Zijn gunst daardoor onderbroken? Zijn glimlach enigszins verduisterd? Zijn gemeenschap verkoeld? Toen Paulus voor Nero gebracht werd, hebben alle mensen hem verlaten, maar de Heere stond hem bij. 2 Timotheus 4:16, 17. Waarvan de vervolgende vijanden ons ook kunnen beroven, zij kunnen ons de liefde van Christus niet ontnemen, zij kunnen de bewijzen Zijner liefde niet onderscheppen, zij kunnen Zijne gemeenschap niet afbreken of uitsluiten. Laat hen daaraan het ergste doen wat zij kunnen, zij kunnen den waren gelovige niet ellendig maken.
b. Wij kunnen en zullen Hem er niet minder om liefhebben, en wel om deze reden: wij weten dat Hij er ons niet minder om liefheeft. De liefde denkt geen kwaad, voedt geen wantrouwende gedachten, komt niet tot kwade gevolgtrekkingen, heeft geen onvriendelijke onderstellingen, en neemt alles wat liefde geeft als goed-bedoeld aan. Een waarachtig Christen heeft er Christus niet minder lief om als hij voor Hem lijdt, en denkt nooit kwaad van Christus al moet hij ook alles om Zijnentwil verliezen.
C. De overwinning van de gelovigen in dit alles, vers 37. Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars. a. Wij zijn overwinnaars, ofschoon wij al den dag gedood worden, zijn wij toch overwinnaars. Een vreemde wijze van overwinnen, maar het was de wijze van Christus, Hij behaalde de overwinning over de machten en overheden, aan het kruis. Het is een zekerder en edeler wijze van verovering door geloof en lijdzaamheid, dan door vuur en zwaard. De vijanden zelf hebben meermalen erkend dat zij verslagen en ten einde raad gebracht waren door den onoverwinlijken moed en de standvastigheid der martelaren, die de zegevierendste vorsten op die wijze te boven gingen, doordien zij hun leven niet liefhadden, zelfs tot den dood, Openbaring 12:11.
b. Wij zijn meer dan overwinnaars. Door het lijdzaam verdragen van deze onze beproevingen zijn wij niet alleen overwinnaars, maar meer dan overwinnaars, dat is: wij zegevieren. Meer dan overwinnaars zijn zij die overwinnen: Ten eerste. Met weinig verlies. Veel overwinningen zijn duur gekocht, maar wat verliezen de lijdende heiligen? Niets anders verliezen zij dan hetgeen het goud verliest in den smeltkroes, niets anders dan het schuim. Het is geen groot verlies wanneer men de dingen verliest die niet zijn, een lichaam dat uit de aarde aards is.
Ten tweede. Met groot gewin. De buit is buitengewoon groot, heerlijkheid, eer en vrede, een onvergankelijke kroon der gerechtigheid. In dit alles hebben de heiligen gezegevierd, niet alleen zijn zij niet gescheiden van de liefde van Christus, maar zij hebben van die liefde de tederste en gevoeligste ondervindingen en omhelzingen genoten. Wanneer de verdrukkingen overvloedig waren, dan waren de vertroostingen nog veel meer overvloedig, 2 Corinthiërs 1:5. Er zijn er geweest, die meer dan overwinnaars zich toonden, temidden van de meest bovenmatige verdrukking. Hij die op de brandstapel een paal omhelsde en uitriep: "Welkom, kruis van Christus! welkom, eeuwig leven!" Hij die een brief schreef uit de gevangenis en er boven zette: "Uit den verrukkelijken boomgaard." Hij die uitriep: "Ik voel in deze vlammen niet meer pijn dan wanneer ik op een bed van dons lag." Zij die, toen haar enkele minuten voor haar marteldood gevraagd werd hoe het haar ging, antwoordde: "Goed en heerlijk! Ik ga naar den hemel!" Zij allen die glimlachend naar den brandstapel gingen en psalmzingend in de vlammen stonden, -zij allen waren meer dan overwinnaars.
c. Het is alleen door Christus, die ons liefgehad heeft. De verdienste van Zijn dood heeft uit al deze verdrukkingen den prikkel weggenomen, de Geest Zijner genade geeft ons krachten en bekwaamt ons om ze met heiligen moed en standvastigheid te verdragen, die geeft ons bijzondere vertroosting en ondersteuning. Wij zijn dus overwinnaars niet in eigen kracht, maar door de genade die in Christus Jezus is. Wij zijn overwinnaars krachtens ons deelgenootschap aan de door Christus behaalde overwinning. Hij heeft voor ons de wereld overwonnen, Johannes 16:33, zowel haar goede als kwade dingen, zodat wij niets anders te doen hebben dan de overwinning voort te zetten en den buit te verdelen. Wij zijn dus meer dan overwinnaars.
2. Een rechtstreekse en besliste gevolgtrekking uit het geheel. Want ik ben verzekerd, vers 38. Hiermede wordt te kennen gegeven een volkomen, sterke en gewillige overtuiging, geboren uit de ondervinding van de kracht en zoetheid van de goddelijke liefde. En thans somt hij al de dingen op, die verondersteld kunnen worden misschien scheiding te zullen maken tussen Christus en de gelovigen, en besluit dat geen hunner daartoe bij machte is.
A. Noch dood, noch leven, zomin de verschrikkingen des doods aan de ene zijde als de gemakken en genietingen des levens aan den anderen kant, zomin de vreze des doods als de hoop op het leven. B. Noch engelen, noch overheden, noch machten. Zowel de goede engelen als de kwade worden overheden en machten genoemd, de goede Efeze 1:21, Colossenzen 1:16, de kwade Efeziërs 6:12, Colossenzen 2:15. De goede engelen zijn belangstellende vrienden, de kwade onverzoenlijke vijanden.
C. Noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, evenmin het gevoel van de tegenwoordige bezwaren als de vrees voor toekomende moeiten. De tijd zal ons niet scheiden en de eeuwigheid zal het niet doen. De tegenwoordige dingen scheiden ons af van de toekomende, en de toekomende scheiden ons van de tegenwoordige, maar geen van beide van de liefde van Christus, wiens gunst is verspreid zowel in de tegenwoordige als in de toekomende dingen.
D. Noch hoogte, noch diepte, evenmin de hoogte van voorspoed en onderscheiding, als de diepte van tegenspoed en miskenning, niets in den hemel boven, geen stormen en geen onweders, niets op aarde beneden, geen rotsen, geen zeeën, geen holen.
E. Noch enig ander schepsel, geen enkel ding, dat genoemd of bedacht kan worden. Zij zullen en kunnen ons niet scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heere. Zij kunnen onze liefde tot God en Gods liefde tot ons niet afsnijden of van elkaar scheiden, niets kan of zal dat doen, uitgenomen de zonde. Merk op: de liefde die bestaat tussen God en de ware gelovigen, is door Christus Jezus. Hij is de Middelaar van onze liefde, het is in en door Hem dat God ons kan liefhebben en wij God kunnen liefhebben. Dat is de grond van de standvastigheid onzer liefde, daardoor rust God in Zijne liefde, Zefanja 3:17, omdat Jezus Christus, in wie Hij ons liefheeft, dezelfde is gisteren, heden en in eeuwigheid. Toen Hugh Kennedy, een uitnemend Christen te Ayr in Schotland, op zijn sterfbed lag, vroeg hij om een Bijbel. Maar ontdekkende dat zijn ogen reeds het licht verloren hadden, zei hij: Sla voor mij het achtste hoofdstuk van den brief aan de Romeinen op en leg mijn vinger bij de woorden: "Ik ben verzekerd dat noch dood noch leven enz." "Nu", vroeg hij, "ligt mijn vinger er bij?" En toen men hem daarop toestemmend antwoord gaf, vervolgde hij: "Welnu, God zij met u, mijne kinderen, ik heb met u ontbeten, ik zal mijn avondmaal houden met mijnen Heere Jezus Christus, nog dezen avond". En zo ontsliep hij.