Jeremia 15:1-9
Bijna nergens vinden we aangrijpender uitdrukkingen van goddelijke gramschap tegen een tergend volk dan we hier in deze verzen aantreffen. De profeet had ernstig voor hen gebeden en enigen onder hen aangetroffen, die het met hem eens waren, en toch was er nog niet zoveel als wat uitstel gewonnen en ook niet de minste verzachting van het oordeelt Dit antwoord wordt gegeven op het gebed van de profeet, dat de beslissing gevallen, en het vonnis onherroepelijk was, en dat het binnenkort zou worden voltrokken. Merk hier nu op:
I. Welke de zonde was, waarop dit strenge vonnis berustte.
1. Een vroegere ongerechtigheid wordt hier in herinnering gebracht, dat wat Manasse deed te Jeruzalem, vers 4. Wat dat was, is ons bekend gemaakt, en ook dat het daarom was, dat Jeruzalem werd verwoest, 2 Koningen 24:3, 4. Het was om zijn afgoderij, "en het onschuldig bloed, dat hij vergoten had, zodat hij Jeruzalem met onschuldig bloed vervuld had, daarom wilde de Heere niet vergeven." Hij wordt genoemd de zoon van Jehizkia, omdat zijn verwantschap met zulk een goede vader een grote verzwaring van zijn zonde was. Zijn schuld werd er groter door inplaats dat dit als een verontschuldiging gold. Het grootste gedeelte van een geslacht was sinds Manasse's tijd voorbijgegaan, toch wordt zijn zonde in rekening gebracht, zoals God bij de laatste verwoesting van Jeruzalem "al het rechtvaardige bloed, op de aarde vergoten," over het volk bracht om aan te tonen hoe zwaar de bloedschuld zal neerkomen op het mensdom en op voldoening blijft wachten, hetzij vroeger of later, en dat uitstel geen afstel is.
2. Dit vonnis is tevens gegrond op het in aanmerking nemen van hun tegenwoordige verhardheid. Let er op, hoe hun zonde wordt beschreven, vers 6. Gij hebt Mij verlaten, Mijn dienst en uw plicht jegens Mij verzaakt, gij zijt achterwaarts gegaan in de weg van tegenspreking, zijt geworden het tegengestelde van hetgeen gij behoorde te zijn en van hetgeen waartoe God u door Zijn wet zou hebben voorgeleid.
Merk op, hoe de verhardheid wordt beschreven, vers 7 : Zij zijn van hun wegen niet wedergekeerd, die wegen, waar hun eigen hart naar uitgaat, om weer te keren naar de wegen van Gods geboden. Daar is genade voor dezulken, die afgedwaald zijn, als zij willen wederkeren, maar welke gunst kunnen zij verwachten, die in hun afvalligheid volharden?
II. Wat het vonnis is. Het is zodanig, dat het niet minder inhoudt dan volkomen verdelging.
1. God zelf verlaat hen en heeft een afkeer van ze: "Mijn ziel zal tot dit volk niet wezen." Hoe kan het verwacht worden, dat de heilige God een blijvend behagen in zulken zou hebben die een ingewortelden afkeer van Hem hebben? Het is niet in hartstocht, maar met een rechtvaardige en heilige verontwaardiging, dat Hij zegt: "Drijft ze weg van Mijn aangezicht," zoals dat, hetwelk in de hoogste mate lelijk en walgelijk is, en "laat ze uitgaan, want Ik wil nooit meer door hen lastig gevallen worden."
2. Hij wil niet toestaan, dat enige bemiddeling voor hen geprobeerd worde, vers 1 :Al stond Mozes en Samuël voor Mijn aangezicht, om Mij door gebed of offerande met hen te verzoenen, dan zou Ik Mij toch niet kunnen laten overhalen ze in Mijn gunste toe te laten. Mozes en Samuël waren even grote gunstelingen des Hemels als zegen voor deze aarde, en ze stonden in `t bijzonder bekend om de goeden uitslag van hun bemiddeling tussen God en Zijn overtredend volk. Menigmaal zouden ze verdelgd geworden zijn, indien Mozes niet voor hen in de bres gesprongen was en aan de gebeden van Samuël waren zij hun leven verschuldigd, 1 Samuël 12:19. Toch zou zelfs hun tussenbeiden treden hier niet baten, neen, nu niet eens al waren zij nu in een staat van volmaaktheid. Veel minder zou Jeremia's tussenkomst helpen, die nu nog was "een man van gelijke beweging als anderen". Het stellen van dit geval: "Al stond Mozes en Samuël voor Mijn aangezicht," veronderstelt, dat zij het niet doen en bevat een aanwijzing, dat de heiligen in de hemel geen tussenpersonen zijn voor de heiligen op aarde. Het is het voorrecht van het Eeuwig Woord de enige Middelaar te zijn in "de andere wereld," wat ook Mozes en Samuël en anderen op deze wereld waren.
3. Hij veroordeelt ze allen tot de een of andere straf.
Als God ze voor Zijn aangezicht wegdrijft, waarhenen zullen zij uitgaan? vers 2. Zeker nergens zullen ze veilig zijn of op hun gemak maar terwijl ze door `t een oordeel getroffen worden, zal `t andere hen vervolgen tot ze aan alle kanten door kwaad zich omringd vinden zodat ze niet kunnen ontkomen: "Wie ten dood, ten dode. Met dood wordt hier de pestilentie bedoeld", Openbaring 6:8, want het is de dood zonder zichtbare middelen veroorzaakt. "Wie ten dood, ten dode, of wie tot het zwaard, ten zwaarde." leder mens zal omkomen op die wijze als God aangewezen heeft: de wet, die zegt, dat de overtreder moet sterven, bepaalt ook welke dood voor hem wordt aangewezen. Of, hij, die zelf een bepaalde straf kiest, laat hem die ondergaan, maar straf moet ieder van hen ondergaan, en niemand zal ontkomen. Het is een keuze als die David gelaten werd, waardoor hij zeer bang was, 2 Samuël 24:14. Gevangenschap wordt het laatst genoemd, omdat, zoals sommigen menen, die `t ergste van alle oordelen is. Het houdt in: beide een verwikkeling en een onafgebroken opeenvolging van ellenden. Het oordeel, dat wijst op een sterven door het zwaard wordt nogmaals herhaald vers 3, en het wordt daar genoemd als het eerste van een viertal vreselijke verdelgingen, waarmee God bezoeking over hen zal doen. Zoals officieren met hun soldaten kunnen doen wat ze willen, en macht over hen hebben, zo zullen deze gerichten macht hebben over `t volk. Evenals zij, die aan `t zwaard ontkomen door pestilentie, hongersnood of gevangenschap, zullen afgesneden worden, zo zullen ook degenen, die door het zwaard vallen, door de goddelijke wraak worden afgesneden, die zondaren tot aan de andere zijde van de dood vervolgt, daar zullen in de stad zijn "honden om weg te slepen en in het veld het gevogelte des hemels en het gedierte van de aarde om te verslinden". En, indien daar mochten zijn, die meenden aan dit gericht te kunnen ontkomen dan zullen ze tot een zeer sprekend voorbeeld gesteld worden: En Ik zal ze overgeven tot een beroering aan alle koninkrijken van de aarde, vers 4 evenals Kaïn, die "zwervende en dolende werd op de aardbodem", opdat hij allen tot een afschrik zou zijn.
4. Zij zullen vallen zonder dat zij ook maar enige steun ontvangen. Wie kan iets tot hun hulpe doen? want
a. God, zelfs hun eigen God (dit was Hij geweest) zegt tegen hen: "Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken." Dit wijst op een opzettelijke, vooraf overdachte slag, die zich ver uitstrekken en diep wonden zal. Ik ben des berouwens moede geworden vers 6, dit is een vreemde uitdrukking. Door hun gedrag hadden zij God zo tot toorn verwekt, voornamelijk door hun trouweloze betoning van berouw, dat zij zelfs grenzenloos geduld hadden uitgeput. God had Zijn gramschap dikwijls afgekeerd, wanneer zij op `t punt was over hen los te barsten, maar nu wil Hij geen uitstel meer verlenen. Ellendig is de toestand derzulken, die zo lang tegen Gods genade hebben gezondigd, dat zij die ten laatste hebben verbeurd. b. Hun eigen land drijft hen uit en is "bereid ze uit te spuwen zoals Hij voor hen de Kanaänieten heeft gedaan, want aldus werd gedreigd", Leviticus 18:28 :"Ik zal ze wannen met een wan in de poorten des lands in hun eigen poorten, waardoor zij verstrooi! zullen worden, of in de poorten van de aarde, in de steden van alle volken rondom hen, vers 7."
c. Hun eigen kinderen, die hen bij moesten staan, als zij met de vijand in de poort spreken zullen van hen afgesneden worden: "Ik zal Mijn volk van kinderen beroven, zodat zij weinig hoop zullen hebben, dat het volgend geslacht hun zaken weer goed zal maken, want Ik zal Mijn volk verderven." En, als de inwoners gedood worden, zal het land spoedig verlaten zijn. Over dit droevig gedeelte wordt nog uitgeweid in de verzen 8 en 9, waar we vinden.
d. Dat hun verwoester over hen komen zal. Als God bloedig werk te doen heeft, zal Hij daar ook bloedige werktuigen voor vinden: Nebukadnezar wordt hier genoemd "een verwoester op de middag," niet een dief in de nacht, die bang is ontdekt te worden, maar iemand, die zonder vreze door zal breken en alle muren van recht en eigendom zal verwoesten en dit op klaarlichte dag: "Ik heb over de moeder doen komen, een jongeling, een verwoester" (zo lezen sommigen het), want Nebukadnezar was, toen hij voor `t eerst in Juda viel, slechts een jongeling, in `t eerste jaar van zijn regering. Wij lezen het zo: "Ik heb over hen doen komen, zelfs over de moeder van de jongelingen, een verwoester," dat is over Jeruzalem, een moederstad, die een zeer talrijk gezin van jongelingen had, of wel zo: die inval was in `t bijzonder vreselijk voor die moeders, die vele strijdbare zonen bezaten, die nu hun leven moesten wagen op de hoge plaatsen in `t veld, en waarschijnlijk daar zouden vallen, daar ze een ongelijke partij voor de vijand waren. Dit natuurlijk tot onuitsprekelijke smart van hun arme moeders, die hen met zeer veel tederheid hadden grootgebracht. Dezelfde God, die de verwoester over de stad deed komen, "liet hem haar overvallen, dat is: de buit, aan de verwoester overgegeven, zal hij haastelijk en door verrassing verkrijgen, en dan komen verschrikkingen over de stad". Wat er oorspronkelijk staat is zeer kort- "de stad met verschrikkingen. Ach die stad! Welk een ontsteltenis zal er de heersen! O verschrikkingen zullen dan iedereen aangrijpen!" Dan zullen de stad en verschrikkingen, die zo ver van elkaar verwilderd schenen, tot elkaar worden gebracht. "Ik zal haastelijk op haar (op Jeruzalem) doen vallen, een wachter en verschrikkingen, zo" leest Gataker het, want het woord wordt gebruikt voor een wachter, Daniël 4:13 en 23, ook de Chaldeeuwse soldaten werden wachters genoemd, Jeremia 4:16.
e. De verwoesting aangericht door de verwoester. Ene vreselijke slachting wordt hier beschreven. In de eerste plaats worden de vrouwen van haar mannen beroofd: "Hun weduwen zijn Mij meerder geworden dan zand van de zeeën", zo talrijk zijn zij nu geworden. Het was beloofd, dat de mannen van Israël (want deze werden slechts geteld) zouden zijn als het zand van de zee in menigte, maar nu zullen zij afgesneden worden en zal het getal hunner vrouwen alzo zijn. Maar merk op, God zegt "Zij zijn Mij meerder geworden." Hoewel de echtgenoten door het zwaard van de gerechtigheid werden afgesneden, werden hun arme weduwen in de armen van Zijn barmhartigheid vergaderd, van Hem, die het zich een erenaam rekende, te zijn "De God van de weduwen." De weduwen zijn onder degenen, voor wie God in bijzondere mate mededogen en bezorgdheid heeft. In de tweede plaats worden de ouders beroofd van hun kinderen. "Zij, die zeven zonen baarde, waarvan zij verwachtte, dat zij de steun en vreugde van haar ouderdom zouden zijn, is nu zwak geworden, toen zij vernam, dat ze allen door het zwaard op een dag gedood waren, haar jongens, waarvoor ze zo vele jaren gezwoegd en gezorgd had". "Zij, die vele kinderen had, is krachteloos geworden" 1 Samuël 2:5. Zie nu eens hoe onzeker het is, dat kinderen tot troost zullen zijn, en laat ons daarom ons in hen verblijden "als niet verblijdende." Als de kinderen gedood worden, "blaast de moeder haar ziel uit, want haar leven ging geheel op in `t hun: Haar zon is ondergegaan, als het nog dag was": Zij wordt van al haar moedervreugd beroofd, juist nu zij meende, dat zij er `t meest van genieten zou. "Zij is nu beschaamd en schaamrood, nu ze bedenkt, hoe trots ze was op haar zoons, hoezeer zij ze liefhad, en hoeveel zij zichzelf van hen beloofde. Sommigen verstaan onder deze zwak geworden moeder, Jeruzalem, dat de dood van zijn inwoners even hartstochtelijk beklaagt als ooit een arme moeder haar kinderen beweerde. Velen zijn nu reeds gedood. "Hunlieder overblijfsel, dat nog ontkomen is en bewaard werd, naar men hoopte, tot zaad voor een ander geslacht, zelfs dit zal Ik aan het zwaard overgeven voor het aangezicht hunner vijanden (zo als de veroordeelde boosdoener aan de schout wordt overgegeven om terechtgesteld te worden)", zegt de Heere, de Rechter van hemel en aarde, die naar waarheid oordeelt, daar zijn we zeker van, hoewel het oordeel streng schijnt.
5. Zij zullen vallen, zonder dat men medelijden met hen heeft, vers 5. "Want wie zou medelijden met u hebben, o Jeruzalem? Als uw God u weggedreven heeft van Zijn aangezicht en Zijn barmhartigheden een einde hebben genomen en van u genomen zijn, dan zullen noch uw vijanden, noch uw vrienden enig medelijden voor u gevoelen. Zij zullen geen medegevoel voor u hebben, zij zullen u noch bewenen noch smart over u hebben, zij zullen om uwentwille niet bezorgd zijn, zij zullen niet bezorgd zijn, zij zullen niet aftreden om u naar vrede te vragen. Want:
a. Hun vrienden, waarvan zij mochten verwachten, dat zij hun deze vriendelijke diensten zouden bewijzen, waren allen in deze rampen ingewikkeld en hadden genoeg te doen om over zichzelf te jammeren.
b. Het was duidelijk voor al hun buren, dat zij al deze ellende door hun verhardheid in de zonde over zich gebracht hadden en dat zij haar gemakkelijk hadden kunnen voorkomen door berouw en bekering, waartoe ze dikwijls tevergeefs waren geroepen, en daarom "wie kan medelijden met ze hebben? O, Israël! gij hebt uzelf verwoest." Zij zullen voor altijd omkomen, die gered zouden hebben kunnen worden op zulke gemakkelijke voorwaarden en het niet hebben gewild.
c. God zal hun ellende volkomen doen zijn. Hij zal hun vrienden, zoals hij deed met die van Job op een afstand van hen houden, en Zijn hand Zijn rechtvaardige hand moet men erkennen in alle onvriendelijkheden van onze vrienden evengoed als in alle beledigingen, ons aangedaan door onze vijanden.