Lukas 21:5-19
Zie hier:
I. Met welk een bewondering sommigen van de uitwendige pracht en heerlijkheid van den tempel hebben gesproken, en van dezen waren sommigen ook Christus' discipelen, en zij maakten er Hem opmerkzaam op, dat hij met schone stenen en begiftigingen versierd was, vers 5. De buitenzijde was opgebouwd van fraaie stenen, en van binnen was hij versierd en verrijkt met de geschenken, voor dat doel geofferd, en die waren er in opgehangen. Zij dachten dat hun Meester even getroffen zou zijn door die dingen, als zij het waren, en er ook de verwoesting, evenals zij, van zou betreuren. Als wij spreken van den tempel, dan behoort het te wezen van Gods tegenwoordigheid er in en van de inzettingen Gods, die er in bediend worden, en de gemeenschap, die Zijn volk er met Hem heeft. Als wij spreken van de kerk, dan is het iets erbarmelijks, om ons gesprek te laten lopen over hare sieraden, ceremoniën en inkomsten, de waardigheid en het gezag van hare ambtsdragers en regeerders, want des Konings dochter is geheel verheerlijkt inwendig.
II. Met welk een geringschatting Christus er van gesproken heeft, en met welk een zekerheid, dat hij eerlang verwoest zal worden, vers 6. Wat deze dingen aangaat, die gij aanschouwt, die kostelijke dingen, waarvoor gij zulk een liefde koestert, er zullen dagen komen, in welke niet een steen op den anderen steen zal gelaten worden. Dat gebouw, hetwelk zo schoon is, dat, naar men zou denken, niemand het van zich zou kunnen verkrijgen om het te verwoesten, en zo sterk schijnt te zijn, dat men zou denken, dat niemand bij machte zou wezen het neer te werpen, zal toch volslagen verwoest worden. En dit zal geschieden zodra de geestelijke tempel der Evangeliekerk (die van deze schaduw het wezen is) in de wereld zal beginnen te bloeien. Indien wij door het geloof het verdwijnen en vergaan voorzien van alle uitwendige heerlijkheid, dan moeten wij er ons hart niet op zetten zoals zij, die zo ver niet kunnen of niet willen voor zich uitzien.
III. Met welk een nieuwsgierigheid zij, die Hem omringden, vroegen naar den tijd, wanneer die grote verwoesting zal plaatshebben: Meester! wanneer zullen dan deze dingen zijn? vers 7. Het is natuurlijk voor ons te willen weten wat in de toekomst zal gebeuren, en wanneer het zal gebeuren, hetgeen ons echter niet toekomt te weten, daar het van veel groter belang voor ons is te vragen wat onze plicht is bij het vooruitzicht van die dingen, en hoe wij er ons op kunnen voorbereiden, hetgeen ons wèl toekomt te weten. Zij vragen: Welk is het teken, wanneer deze dingen zullen geschieden? Zij vragen niet om een teken, dat zij terstond kunnen zien, geen teken voor heden om de voorzegging te bevestigen, en hen er toe te brengen om het te geloven (daarvoor was Christus' woord hun genoeg), maar wat in de toekomst het teken zal zijn van de naderende vervulling der voorzegging, waardoor zij er aan herinnerd kunnen worden. Christus had hen geleerd op die tekenen der tijden te letten.
IV. Hoe duidelijk en volledig Christus deze vragen beantwoordt, voor zoveel het nodig was om hen voor te lichten omtrent hun plicht, want alle kennis is begerenswaardig, die bevorderlijk is aan plichtsbetrachting.
1. Zij moeten verwachten te horen van valse Christussen en valse profeten, en valse profetieën, vers 8 :Velen zullen er komen onder Mijn naam, Hij zegt niet in Mijn naam, hoewel er toch ook bedriegers waren, die voorgaven een opdracht van Hem te hebben ontvangen, zoals in Handelingen 19:13, maar die zich den titel en de hoedanigheid van Messias wederrechtelijk zouden toe-eigenen. Velen gaven voor de Joodse kerk en natie van de Romeinen te zullen bevrijden, en den tijd te bepalen, wanneer die bevrijding gewrocht zou worden, waardoor grote menigten in een strik gevallen zijn. Zij zullen zeggen hoti ego eimi -Ik ben het, of ik ben, alsof zij dien onmededeelbaren naam van God wilden aannemen, waarmee Hij zich bekend heeft gemaakt, toen Hij kwam om Israël uit Egypte te verlossen: Ik ben. En om het volk aan te moedigen hen te volgen, voegden zij er bij: "De tijd is nabij gekomen, wanneer aan Israël het koninkrijk weer opgericht zal worden, en allen, die mij willen volgen, zullen er in delen." Hieromtrent nu geeft Hij hun een nodige waarschuwing.
a. "Ziet, dat gij niet verleid wordt, denkt niet dat Ik zal wederkomen in uitwendige pracht en heerlijkheid, om den troon des koninkrijks in bezit te nemen. Neen, niets van dien aard moet gij verwachten, want Mijn koninkrijk is niet van deze wereld." Toen zij ijverig en bezorgd vroegen: Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn? was Christus' eerste woord: Ziet, dat gij niet verleid wordt. Zij, die het weetgierigst zijn omtrent de dingen Gods (hoewel het zeer goed is dit te wezen) zijn het meest in gevaar om verleid te worden, en hebben het meest nodig op hun hoede te zijn.
b. "Gaat dan hen niet na. Gij weet dat de Messias gekomen is, en gij moet niet uitzien naar een anderen, daarom behoort gij niet eens naar hen te luisteren, moet gij niets met hen van doen hebben." Indien wij zeker zijn dat Jezus is de Christus, en dat Zijne leer het Evangelie van God is, dan moeten wij doof zijn voor alle geroep omtrent een anderen Christus en een ander Evangelie.
2. Zij moeten verwachten te horen van grote schuddingen en beroeringen onder de volken, en van veel ontzettende oordelen over de Joden en hun naburen.
a. Er zullen bloedige oorlogen wezen, vers 10. Het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, een deel van het Joodse volk tegen het andere deel, of liever, het gehele volk tegen de Romeinen. Aangemoedigd door de valse Christussen, hebben zij goddelooslijk gepoogd het Romeinse juk af te werpen door de wapenen op te vatten tegen de Romeinse machten. Toen zij de vrijheid hadden verworpen, waarmee Christus hen vrij heeft willen maken, werden zij aan zich zelven overgelaten, om zich door zondige middelen de burgerlijke vrijheid te verschaffen, en daar die middelen zondig waren, konden zij er ook geen voorspoed op hebben.
b. Er zullen aardbevingen zijn, "grote aardbevingen in verscheidene plaatsen, die niet slechts het volk zullen verschrikken, maar huizen en steden zullen verwoesten, en vele mensen onder het puin zullen begraven."
c. Er zullen hongersnoden en pestilentiën zijn, de gewone nasleep van oorlog, die de vruchten der aarde vernielt en, door de mensen aan slecht weer bloot te stellen, terwijl zij dan ook weinig of slecht voedsel hebben, besmettelijke ziekten veroorzaakt. God heeft velerlei middelen om een tergend en weerstrevend volk te straffen. Met de vier soorten van oordelen, waarvan de Oud Testamentische profeten zo dikwijls spreken, wordt ook door de Nieuw Testamentische profeten gedreigd, want hoewel in Evangelietijden geestelijke oordelen meer algemeen zijn, maakt God toch ook wel gebruik van tijdelijke oordelen.
d. Er zullen ook schrikkelijke dingen en grote tekenen van den hemel geschieden, ongewone verschijnselen in de wolken, kometen, die de gewone aanschouwens verschrikken en altijd beschouwd werden als voortekenen van kwaad. Hieromtrent nu luidt de waarschuwing: Wordt niet verschrikt. Anderen zullen er door verschrikt worden, maar gij, wordt niet verschrikt. Wat betreft die schrikkelijke verschijnselen, zij moeten u geen vrees aanjagen, uw oog ziet verder, ziet boven den zichtbaren hemel, dringt door tot den troon van Gods regering in de hoogste hemelen. "Ontzet u niet voor de tekenen des hemels, dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten, Jeremia 10:2. En wat betreft de hongersnoden en pestilentiën, gij valt in de handen Gods, die aan de Zijnen beloofd heeft, dat zij in de dagen des hongers verzadigd zullen worden, en dat Hij hen zal redden van de zeer verderflijke pestilentie, vertrouwt dus op Hem en vreest niet. Ja, wanneer gij zult horen van oorlogen, als er strijd is van buiten en van binnen vrees, zo weest dan toch niet verschrikt, gij kent het ergste wat deze oordelen u kunnen doen, en daarom weest er niet bevreesd voor, want: Ten eerste. Het is in uw belang om nog zoveel mogelijk uw voordeel te doen met hetgeen is, of komt, want door uwe vrees kan er toch niets aan veranderd worden, deze dingen moeten eerst geschieden, er is niets aan te verhelpen, gij zult wijs handelen, als gij u verlichting bezorgt door u te schikken naar de omstandigheden." Ten tweede. "Er is nog erger te wachten, gij moet u niet vleien met de gedachte, dat gij spoedig het einde zult zien van deze moeilijkheden, neen, gij zult dit niet zo spoedig zien als gij denkt, nog is terstond het einde niet, het is niet terstond, niet plotseling. Weest niet verschrikt, want indien gij zo spoedig begint mismoedig te worden, hoe zult gij dan staande kunnen blijven onder hetgeen nog verder over u komen zal?"
3. Zij moeten verwachten zelf tot tekenen en wonderen in Israël gesteld te worden. De vervolging, die zij zullen hebben te ondergaan, zal een voorteken zijn der verwoesting van de stad en den tempel, die Hij nu voorzegd had. Ja meer, dit zal het eerste teken zijn van hun naderend verderf: "Voor dit alles zullen zij hun handen aan ulieden slaan. Het oordeel zal beginnen van het huis Gods, gij moet het eerst lijden, tot waarschuwing van hen, opdat, zo zij nog tot denken instaat zijn, zij zullen bedenken en bij zich zelven overleggen: Indien dit aan het groene hout gedaan wordt, wat zal aan het dorre geschieden?" Zie 1 Petrus 4:17, 18. Maar dat is niet alles, dit moet niet slechts beschouwd worden als het lijden van de vervolgden, maar als de zonde van de vervolgers. Voordat Gods oordelen over hen gebracht zijn, zullen zij de maat hunner ongerechtigheid vol maken, door de handen aan u te slaan." Het verderf, de ondergang van een volk, wordt altijd ingeleid door zijn zonde, en niets brengt een zekerder of ontzettender verderf dan de zonde der vervolging. Dat is een teken, dat Gods toorn tot het einde komt over een volk, als hun toorn tot het einde komt tegen Gods dienstknechten. Wat dit nu betreft:
a. Christus zegt hun welke harde dingen zij zullen te lijden hebben om Zijns naams wil, overeenkomende met hetgeen Hij hun gezegd had, toen Hij hen voor het eerst riep om Hem te volgen, Mattheus 10.. Zij moeten weten welk loon hun te wachten staat, opdat zij kunnen neerzitten en de kosten overrekenen. Aan Paulus, die van hen allen het meest gearbeid en het meest geleden heeft, thans niet onder hen zijnde, werd door Christus zelven gezegd, hoeveel hij lijden moest om Zijnen naam, Handelingen 9:16, zo nodig is het dat allen, die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, op vervolging zullen rekenen. De Christenen, die oorspronkelijk Joden waren geweest, en met hen gelijken eerbied hadden voor het Oude Testament en al het wezenlijke van hun Godsdienst, slechts ten opzichte der ceremoniën met hen verschillende, konden denken dat zij op een zachte behandeling hunnerzijds mochten rekenen, maar Christus zegt hun dat niet te verwachten: "Neen, zij zullen het ijverigst zijn om u te vervolgen. Zij zullen hun eigen kerkelijke macht tegen u gebruiken, u overleveren in de synagogen om er gegeseld te worden, en gebrandmerkt met hun anathema's. Zij zullen den toorn der overheden tegen u gaande maken, zij zullen u overleveren in de gevangenissen, opdat gij voor koningen en stadhouders getrokken zult worden, om Mijns naams wil, ten einde door hen te worden gestraft. Uw eigen bloedverwanten zullen u overleveren, vers 16, uwe ouders, broeders, en magen, en vrienden, zodat gij niet zult weten in wie vertrouwen te stellen, of waar veiligheid te vinden. Uw Godsdienst zal tot een halsmisdaad verklaard worden, en gij zult geroepen worden om tot den bloede toe tegen te staan. Sommigen uit u zullen zij doden, wel verre dat gij eer of rijkdom moet verwachten, moet gij niets anders verwachten dan den dood in de meest- afschrikkende vormen. Wat meer is: Gij zult van allen gehaat worden om Mijns naams wil". Dat is erger dan de dood, en het is vervuld geworden toen de apostelen niet slechts tot den dood werden verwezen, maar tot een schouwspel zijn geworden der wereld en geacht werden als uitvaagsel der wereld, en aller afschrapsel, 1 Corinthiërs , 4:9, 13. Zij werden van allen gehaat, dat is: van alle slechte mensen, die het licht des Evangelies niet konden verduren (omdat het hun boze daden ontdekte), en zij dus al diegenen haatten, die dat licht brachten, zij zouden hen gaarne hebben willen verscheuren. De boze wereld, die het haatte om hervormd te worden, haatte Christus, den groten hervormer, en, om Zijnentwil, ook al de Zijnen. De oversten der Joodse kerk, die wel wisten dat, zo het Evangelie ingang vond onder de Joden, het met hun wederrechterlijk verkregen en misbruikte macht gedaan zou zijn, hebben er zich met alle kracht tegen gesteld, het in een slechten reuk gebracht, en aldus de predikers en belijders er van gehaat gemaakt bij het volk.
b. Hij moedigt hen aan om kloekmoedig stand te houden onder hun beproevingen, voort te gaan met hun werk, in weerwil van den tegenstand, dien zij van alle kanten zullen ontmoeten. God zal voor zich zelven en voor hen eer en heerlijkheid uit hun lijden doen voortkomen: "Dit zal u overkomen tot ene getuigenis", vers 13. Dat gij aldus tot een merkteken gesteld en openlijk vervolgd wordt, zal ten gevolge hebben, dat men op u en uwe leer des te meer zal acht geven, er zal naar uwe leer en uwe wonderen des te meer navraag worden gedaan. Dat gij voor koningen en stadhouders gesteld zult worden, zal u de gelegenheid geven om hun het Evangelie te prediken, die anders nooit onder het geklank er van gekomen zouden zijn. Dat gij zulke zware dingen lijdt, en gehaat wordt door mensen van de slechtste levenswijze, zal een getuigenis wezen dat gij goed zijt, want anders zouden zulke mensen uwe vijanden niet zijn. Uwe kloekmoedigheid, uwe blijmoedigheid en uwe standvastigheid onder lijden zullen een getuigenis voor u zijn, dat gij gelooft wat gij predikt, dat gij door Goddelijke kracht wordt ondersteund, en dat de Geest van God op u rust. God zal u bijstaan, u erkennen en u te hulp komen in uw lijden. Gij zijt Zijne voorspraken of pleitbezorgers, en gij zult wel voorzien worden van instructies, vers 14, 15. In plaats van uw hart er toe te zetten om een antwoord te beramen op de beschuldigingen, die tegen u worden ingebracht, of op de ondervraging, waaraan gij zult worden onderworpen voor de kerkelijke of burgerlijke gerechtshoven, moet gij integendeel voornemen in uw hart, van tevoren niet te overdenken, hoe gij u verantwoorden zult, steunt niet op uwe gevatheid of uw vernuft, uw beleid en uwe voorzichtigheid, mistrouwt de onmiddellijke en buitengewone hulp niet der Goddelijke genade, wanhoopt niet haar te zullen ontvangen. Denkt er niet aan om u in de zaak van Christus door uw eigen verstand en de gewone hulp der Goddelijke voorzienigheid te redden, zoals gij dit wellicht zoudt kunnen, als het slechts uw eigen zaak gold, maar rekent op een bijzondere hulp der Goddelijke genade, want die beloof Ik u: Ik zal u mond en wijsheid geven. Hieruit blijkt, dat Christus God is, want het is Gods kroonrecht wijsheid te geven, en Hij is het, die den mens den mond gemaakt heeft. Mond en wijsheid tezamen stellen den mens volkomen instaat om te dienen en te lijden, wijsheid om te weten wat te zeggen, en een mond, om het te zeggen, zoals het behoort gezegd te worden. Het is een groot geluk om beide stof en woorden te hebben, om er God mede te eren en er goed mede te doen, een voorraadschuur in het hart te hebben, wèl voorzien van nieuwe en oude dingen, en een deur der sprake, om die dingen te voorschijn te brengen. Zij, die Christus' zaak bepleiten, kunnen er op rekenen dat Hij hun mond en wijsheid zal geven, waar zij ook geroepen worden om er voor te pleiten, maar inzonderheid als zij om Zijns naams wil voor de overheden gebracht worden. Er wordt niet gezegd dat Hij een engel van den hemel zal zenden, om voor hen te antwoorden, hoewel Hij dit zou kunnen, maar dat Hij hun mond en wijsheid zal geven om hen instaat te stellen zelf te antwoorden, hetgeen hun een grotere eer aandoet, en van hen eist dat zij de gaven en bekwaamheden gebruiken, waarvan Christus hen voorzien heeft, en het strekt des te meer tot eer en heerlijkheid Gods, die zich lof heeft toebereid uit den mond der kinderkens, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden. Als Christus aan Zijne getuigen mond en wijsheid geeft, zijn zij instaat om voor Hem en voor zich zelven datgene te zeggen, hetwelk hun tegenstanders niet instaat zijn te weerleggen of te weerstaan, zodat zij beschaamd gemaakt en tot zwijgen gebracht zijn. Dit is op merkwaardige wijze vervuld geworden terstond na de uitstorting van den Heiligen Geest, door wie Christus Zijnen discipelen dezen mond en die wijsheid gegeven heeft, toen de apostelen voor de priesters en oversten gebracht werden, en zij hun zo geantwoord hebben, dat zij er door beschaamd gemaakt werden, Handelingen 4:5 en Handelingen 6.. "Door al het leed en de moeite, die zij u zullen aandoen, zult gij toch geen wezenlijk nadeel ondervinden, vers 18, Doch niet een haar uit uw hoofd zal verloren gaan." Zullen sommigen van hen hun hoofd verliezen, en dan toch geen haar verliezen? Het is een spreekwoordelijke uitdrukking, waardoor de grootste veiligheid en onschendbaarheid wordt te kennen gegeven, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament wordt zij dikwijls in dien zin gebruikt. Sommigen denken dat dit betrekking heeft op het levensbehoud van al de Christenen, die er onder de Joden waren, toen dezen door de Romeinen werden omgebracht. De geschiedschrijvers zeggen dat geen enkele Christen bij die gelegenheid is omgekomen. Anderen brengen het in verband met den dood van grote menigten om den wille van Christus, en nemen het dan in overdrachtelijken zin, zoals Christus gezegd heeft: Die zijne ziel zal verloren hebben om mijnentwil, zal haar vinden. "Niet een haar uit uw hoofd zal verloren gaan, of, Ten eerste, Ik zal er kennis van nemen." Daarom had Hij gezegd: Ook uwe haren des hoofds zijn allen geteld, Mattheus 10:30. Er wordt rekening van gehouden, zodat er geen van verloren gaat, zonder dat Hij het mist. Ten tweede, "Het zal wezen met een geëvenredigde vergoeding." Wij achten niet datgene verloren, hetwelk voor goede doeleinden wordt aangewend en voordeel oplevert. Als wij om Christus' naams wil het lichaam laten, dan is het toch niet verloren, integendeel, het is wèl besteed. Ten derde. "Het zal overvloedig beloond worden, als de rekening van winst en verlies wordt opgemaakt, dan zult gij bevinden dat niets verloren gegaan is, maar dat gij integendeel groot gewin hebt in dadelijke vertroosting, inzonderheid in de vreugde van een eeuwig leven." Zodat wij, hoewel om Christus' wil verliezen lijdende, in het einde toch niets door Hem zullen verliezen. "Daarom is het uw plicht en uw belang om, temidden van uw eigen lijden en van het lijden der natie, een heilige oprechtheid en kalmte van gemoed te bewaren, waardoor gij altijd rustig kunt zijn, vers 19 :"Bezit uwe zielen in uwe lijdzaamheid", verkrijgt en behoudt bezit van uwe ziel." Sommigen lezen dit als een belofte: "Gij kunt, of zult uwe zielen bezitten." Het komt alles op hetzelfde neer. Ten eerste. Het is onze plicht en ons belang om ten allen tijde, maar inzonderheid in tijden van gevaar en beproeving, ons het bezit onzer zielen te verzekeren, niet slechts opdat zij niet verderven en voor eeuwig verloren zullen gaan, maar ook thans niet in verwarring zullen geraken, en ons bezit er van niet gestoord of gehinderd worde. "Bezit uwe zielen, weest meesters van uzelven, behoudt het gezag en de heerschappij van het verstand, en houdt de opbruising der hartstochten in bedwang, opdat noch smart noch vrees titanisch over u kunne heersen, of u het bezit en het genot van uzelven kunne ontroven." Als wij in moeilijke tijden van niets anders het bezit kunnen houden, zo laat ons ons verzekeren van hetgeen, waarvan wij ons kunnen verzekeren, en het bezit blijven behouden van onze zielen. "Zet, in tijden van lijden, geduld op wacht ter bewaring van uwe zielen, houdt daardoor uwe zielen kalm en in een goede stemming, en sluit al die indrukken buiten, die u zouden kunnen verontrusten en uwen vrede verstoren."