19. En Ik was als een lam 1) dat; zich vertrouwend overgeeft, omdat het geen kwaad vermoedt, als een os, die geleid wordt om te slachten; want ik wist niet, dat zij gedachten tegen Mij dachten, zo als zij deden, zeggende: laat ons den boom met zijne vrucht, dezen Profeet met zijne zo lastige strafprediking, verderven, en laat ons hem uit het land der levenden uitroeien, dat zijn naam niet meer gedacht worde.
1) Dat deze woorden zien op de profetie omtrent Christus in Jesaja 53:7 blijkt duidelijk, zo als dan ook werkelijk in de gehele persoonlijkheid van Jeremia, in `t bijzonder in zijn lijden en zijne vervolgingen ene voorafschaduwing van Christus ligt. De oude kerkvaders sedert Justinus en Tertullianus hebben in de tweede helft van het vers ene nog meer bepaalde profetie omtrent Christus gezien, waarin het "uitroeien uit het land der levenden" aan Jesaja 53:8 herinnert. Zij volgden ene andere lezing, die zij alzo vertaalden: "laat ons het hout op het brood leggen. " Onder hout verstonden zij het kruis, onder het brood den Heere Jezus als het brood des levens (Johannes 6:32). Zo werd de plaats tot ene tijdelijke profetie van den kruisdood van Christus, die zij ook tevens voor de leer van het sacrament gebruikten. Zij zeiden: even als de Heere reeds hier in het O. T. Zijn lichaam profetisch als het brood had voorgesteld, zo heeft Hij later in het N. T. de type vervullende, Zijn verheerlijkt lichaam in het aardse brood gelegd, En deelt Hij dit onder het brood aan ons mede, waarom ook het brood des Heeren lichaam wordt genoemd.
De vertaling "een lam, een os", zou beter vervangen worden door "een argloos lam", "een schootlam", "een tam gemaakt lam. " . Bij de Arabieren en ook bij de Hebreën had men veeltijds een huislam, dat zeer aan het huisgezin gewend was en zich gewillig liet leiden, ook zelfs dan als men het ter slachtbank voerde. Hierbij vergelijkt de Profeet zich, om daarmee te kennen te geven, dat hij er volstrekt geen erg in had gehad, dat men tegen zijn leven had zamengespannen.