Richteren 12:1-7
I. Hier is het onredelijke misnoegen van de mannen van Efraïm tegen Jeftha, omdat hij hen niet te hulp had geroepen tegen de Ammonieten, teneinde met hem in de eer en de buit te delen, vers 1. Op de bodem van de twist lag hoogmoed, alleen door deze komt twisting. Hoogmoedige mensen denken dat alle eer verloren is, die hen voorbijgaat, en-wie zal voor nijdigheid bestaan? De Efraïmieten hadden dezelfde twist met Gideon, Hoofdstuk 8:I, die uit Manasse was, aan hun zijde van de Jordaan, zoals Jeftha uit Manasse was aan gene zijde van de Jordaan. Efraïm en Manasse waren nader aan elkaar verwant dan de andere stammen, daar beide zonen waren van Jozef, en toch waren zij meer dan de andere stemmen ijverzuchtig op elkaar. Jakob had zijn handen gekruist en aan Efraïm de voorrang gegeven boven Manasse, daar zijn profetische blik doordrong tot aan de tijd van het rijk van de tien stammen, waarvan Efraïm het hoofd was, na hun afval van het huis van David, en deze stam, niet tevreden met die eer in de belofte, was misnoegd als er intussen aan Manasse enigerlei eer geschiedde. Het is te betreuren dat bloedverwantschap, die een beweegreden meest zijn voor liefde en vrede, ooit een aanleiding zou zijn (gelijk dit toch maar al te dikwijls het geval is) voor twist en onenigheid. "Een broeder is wederspanniger dan een sterke stad, en de geschillen zijn als een grendel van een paleis." De toorn van de Efraïmieten op Jeftha was:
1. Zonder oorzaak en onrechtvaardig. Waarom hebt gij ons niet geroepen, om met u te gaan? Om een goede reden, omdat het de mannen van Gilead waren, die hem tot hun overste hadden gemaakt, en niet de mannen van Efraïm, zodat hij geen macht of verlof had om hen te roepen. Indien zijn poging mislukt ware uit gebrek aan hun hulp, dan zouden zij het terecht in hem hebben kunnen afkeuren, dat hij er niet om gevraagd heeft, maar toen het werk gedaan was, en goed gedaan was, de Ammonieten onderworpen waren, en Israël verlost was, is er niets verkeerds geschied, al waren hun handen ook niet gebruikt voor het werk.
2. Hij was wreed en beledigend, zij vergaderden samen op onstuimige wijze, trokken over de Jordaan tot aan Mizpa in Gilead, waar Jeftha woonde, en hun woede kan door niets minder tot bedaren worden gebracht dan door zijn huis te verbranden, en hem er bij. Vervloekt zij hun toorn, want hij is heftig. De toorn, waarvoor de minste reden bestaat, is gewoonlijk het heftigst. Jeftha was nu een overwinnaar over de gemeenschappelijke vijand van Israël, en zij hadden behoren te komen om hem geluk te wensen, en hem de dank van hun stam over te brengen voor de goede diensten door hem gedaan, maar wij moeten het niet vreemd achten als ons kwaad wedervaart van hen, jegens wie wij ons verdienstelijk hebben gemaakt. Jeftha treurde thans over de ramp in zijn gezin, en zij hadden moeten komen om hem deelneming te betuigen en te troosten, maar wrede lieden scheppen er behagen in om aan hen, die in droefheid zijn nog meer droefheid toe te voegen. In deze wereld is het einde van de ene benauwdheid dikwijls het begin van een andere, en daarom moeten wij nooit roemen, alsof wij ons harnas al hadden losgemaakt.
II. Jeftha's warme verdediging. Hij heeft niet gepoogd hen tevreden te stellen, zoals Gideon in een gelijk geval gedaan heeft, de Efraïmieten waren nu beledigender dan zij toen waren, en Jeftha was niet zo kalm en nederig van gemoed als Gideon. Of zij zich nu al of niet willen tevreden laten stellen, Jeftha zorgt er in alle geval voor:
1. Om zich te rechtvaardigen. Hij toonde aan dat zij geen reden hadden om met hem te twisten, want: a. Het was niet om roem te behalen, dat hij voor deze strijd was uitgetrokken, maar ter noodzakelijke verdediging van zijn land, waarmee de kinderen Ammons zeer twistig waren.
b. Hij had de Efraïmieten genodigd om zich met hem te verenigen, hoewel hij hen niet nodig had, noch onder enigerlei verplichting was om hun die eerbied te betonen, maar zij hadden de dienst geweigerd: ik heb ulieden geroepen, maar gij hebt mij uit hun hand niet verlost. Al zou hetgeen, waar zij hem van beschuldigden, waar zijn geweest, dan zou dit toch nog geen gegronde reden zijn geweest om met hem te twisten, maar het schijnt niet waar te zijn geweest, en zoals dus de zaak nu was, had hij meer reden om met hen te twisten, wegens hun verlaten van Israëls algemene belangen in een tijd van nood. Het is niets nieuws dat zij, die het schuldigst zijn, het luidst de onschuldigen beschuldigen.
c. De onderneming was zeer hachelijk, en zij hadden meer reden om medelijden met hem te hebben, dan om toornig op hem te zijn, ik stelde mijn ziel in mijn hand, dat is: "in hetgeen ik deed heb ik mij aan het uiterste gevaar blootgesteld, daar ik slechts zo'n klein leger onder mijn bevelen had." De eer, die zij hem benijdden, was duur genoeg gekocht, zij behoefden hem haar met te misgunnen, weinigen van hen zouden zich zo ver gewaagd hebben.
d. Hij eigent zich de eer niet toe van de overwinning, maar schrijft haar uitsluitend toe aan God. De Heere gaf ze in mijn hand. Indien het nu Gode behaagd heeft om tot Zijn eer en heerlijkheid gebruik van mij te maken, is dit dan voor u een reden om er beledigd door te zijn? Hebt gij oorzaak om tegen mij te strijden? Is dit niet eigenlijk een strijden tegen God, in wiens hand ik slechts een onwaardig werktuig geweest ben?"
2. Toen dit rechtmatig antwoord (wel niet zo zacht een antwoord als dat van Gideon) hun toorn niet heeft vermogen af te wenden, droeg hij zorg beide om zichzelf tegen hun woede te verdedigen, en om hun onbeschaamdheid te straffen met het zwaard, krachtens zijn gezag als richter Israëls.
A. De Efraïmieten hadden niet slechts met Jeftha getwist, maar toen zijn vrienden en naburen het voor hem opnamen, hebben zij hen beledigd en uitgescholden. "Gij Gileadieten," zeiden zij minachtend, "gij, die hier aan de andere kant van de Jordaan woont, zijt slechts de vluchtelingen, of de ontlopenen, van Efraïm het schuim en uitvaagsel van de stammen van Jozef, waarvan Efraïm het hoofd is, het uitschot of afval van het geslacht, en als zodanig wordt gij onder de Efraïmieten en Manassieten beschouwd. Wie geeft er iets om u? Wie telt u? Al uw naburen weten wat gij zijt, niets meer dan weggelopenen en vagebonden, gescheiden van uw broederen, en hier in deze hoek gejaagd." De Gileadieten waren even ware Israëlieten als alle anderen, en op dit tijdstip hadden zij zich bijzonder onderscheiden, zowel in hun verkiezing van Jeftha, als in de oorlog met Ammon, meer dan alle andere geslachten Israëls, en toch worden zij nu laaghartig en onrechtvaardig voor vluchtelingen uitgemaakt. Het is uitermate slecht om op smadelijke wijze te spreken van personen of landen, zoals maar al te dikwijls gedaan wordt, inzonderheid van personen of landen, die in uitwendige ongunstige omstandigheden zijn, dikwijls ontstaan hieruit twisten, zoals dit ook hier het geval was. Zie ook welk een slecht ding een beledigende tong is, die scheldnamen uit en vuile taal spreekt. zij is "een vuur, dat de loop van de natuur in brand steekt, en van de hel wordt ontstoken," Jakobus 3:6, en menigmaal zal zij aanstoten tegen zichzelf zoals dit ook hier geschiedt, Psalm 64:9. Indien deze Efraïmieten zich het armzalige genoegen hadden willen ontzeggen van de Gileadieten vluchtelingen te noemen, zij zouden er veel bloedvergieten mee hebben voorkomen, want "een smartend woord doet de toorn oprijzen, " en wie weet hoe een klein vuur een grote hoop hout zal aansteken?
B. Deze belediging brengt het bloed van de Gileadieten in beweging, de smaad, hun zowel als hun overste aangedaan, moet gewroken worden.
a. Zij versloegen hen in het veld, vers 4. Zij streden met Efraïm, en Efraïm slechts een ruw samenraapsel van volk zonder aanvoerder zijnde, versloegen zij Efraïm, en sloegen hen op de vlucht.
b. Zij sneden hun de terugtocht af, en voltooiden alzo hun wrake, vers 5, 6. De Gileadieten, die misschien beter dan de Efraïmieten bekend waren met de veren van de Jordaan zetten ze af met sterke wachten, die bevel ontvingen, om ieder Efraïmiet, die ze wilde passeren, te doden. Hier was:
Ten eerste, veel wreedheid in hun verdelging. Voorzeker was de straf, door velen voltrokken toen zij hen versloegen in het veld, voldoende, deze strengheid om ook allen te doden, die ontkomen waren, was niet nodig. Zal dan het zwaard eeuwiglijk verteren? Of Jeftha hiervoor geprezen moet worden, weet ik niet, misschien zag hij dat het een daad van noodzakelijke gerechtigheid was.
Ten tweede. Veel slimheid om hen te ontdekken. Het schijnt dat de Efraïmieten, hoewel zij dezelfde taal spraken als de andere Israëlieten, zich hadden aangewend om de Hebreeuwse letter Shin uit te spreken zoals de letter Samech wordt uitgesproken, en zij hadden zich dit zo sterk aan gewend dat zij, zelfs om hun leven te redden, haar niet anders konden uitspreken. Wij leren spreken door navolging, zij, die het eerst s voor sh gebruikten, deden dit, òf omdat het korter was, òf omdat zij het mooier vonden, en hun kinderen leerden spreken zoals zij spraken, zodat men een Efraïmiet er aan kon kennen evenals wij in Engeland (en evenzo in alle andere landen) iemand aan zijn spraak kunnen kennen, en kunnen zeggen uit welke landstreek hij afkomstig is. Hieraan werden dus de Efraïmieten ontdekt. Als zij een man aanhielden, die zij verdachten een Efraïmiet te zijn, en hij ontkende het, dan lieten zij hem schibboleth zeggen, maar als hij dit niet kon, maar sibboleth zei, dan werd hij gekend als Efraïmiet, en terstond gedood. Schibboleth betekent een rivier of stroom. Vraag verlof om over schibboleth, de rivier, te gaan." Met hen, die aldus omkwamen bedroeg het volle getal van de gedoden twee en veertig duizend, vers 6. Aldus werd een nieuwe muiterij van die toornige stam voorkomen.
Letten wij nu op de rechtvaardigheid Gods in de straf van deze hoogmoediger en hartstochtelijke stam, die in verscheidene opzichten beantwoordde aan hun zonde.
1. Zij waren trots op de eer van hun stam, roemden er in dat zij Efraïmieten waren, maar hoe spoedig worden zij er toe gebracht om zich hun stam te schamen, of bevreesd te zijn om te zeggen dat zij er toe behoorden! Zijt gij een Efraïmiet? Neen, nu liever tot elke anderen stam behoord, dan tot dezen.
2. Zij waren in woede de Jordaan overgetrokken, om Jeftha's huis met vuur te verbranden, maar nu komen zij even gluiperd tot de Jordaan terug, als zij er in luidruchtige woede overgetrokken waren, en werd hun het wederkeren naar hun huizen voor altijd belet. 3. Zij hadden de Gileadieten smadelijk de ongelukkige ligging van hun land voor de voeten geworpen, daar het op zo verre afstand lag, en nu lijden zij onder een gebrek, dat aan hun land eigen was, door niet instaat te zijn het woord shibboleth uit te spreken.
4. Zij hadden de Gileadieten ten onrechte vluchtelingen genoemd, en nu zijn zij zelf in alle werkelijkheid vluchtelingen geworden, en, in het Hebreeuws wordt in vers 5 hetzelfde woord gebruikt voor de Efraïmieten, die ontkwamen, of die vloden, dat zij in minachting hadden gebruikt voor de Gileadieten, hen vluchtelingen noemende. Laat hem, die de steen des smaads onrechtvaardiglijk op een ander wentelt, verwachten dat hij rechtvaardig op hemzelf wederkeren zal.
Eindelijk. Wij hebben hier het einde van Jeftha's regering. Hij heeft Israël slechts zes jaren gericht, en toen is hij gestorven, vers 7. Misschien heeft de dood van zijn dochter hem zo doen vervallen, dat hij daarna nooit meer het hoofd opgericht heeft, werden zijn dagen er door verkort, en zo is hij met droefenis ten grave nedergedaald.