Handelingen 7:30-41
Stefanus gaat voort met zijne geschiedenis van Mozes, en laat nu iemand oordelen, of dit de woorden zijn van iemand, die Mozes lastert. Neen, er kon op geen meer eervolle wijze van hem gesproken worden. Hier is:
I. Het visioen, dat hij zag van de heerlijkheid Gods in het doornenbos, vers 30. Als veertig jaren vervuld waren, gedurende welken tijd Mozes als levend begraven was in Midian. Hij was nu oud geworden, en naar men zou denken, tot geen dienstwerk meer bekwaam of geschikt, opdat het nu zou blijken, dat, alles wat hij wrocht, het voortbrengsel was van de Goddelijke kracht en de Goddelijke belofte, zo als het bleek, dat Izaak een kind was der belofte, door zijn geboren worden uit ouders, oud en wel bedaagd, wordt hij nu, op tachtigjarigen leeftijd, bekleed met het ere-ambt, waartoe hij was geboren, ter beloning van zijne zelfverloochening, toen hij veertig jaren oud was, Merk op:
1. Waar God hem verschenen is: in de woestijn van den berg Sinaï vers 30. En toen Hij hem aldaar verscheen, was dat heilig land, vers 33, dat door Stefanus opgemerkt wordt als ene bestraffing voor hen, die zich verhovaardigden op den tempel, de heiligeplaats, alsof nergens anders dan daar gemeenschap met God verkregen kon worden, terwijl God toch Mozes ontmoette en zich aan Hem openbaarde in ene ver afgelegene onbekende plaats in de woestijn van Sinaï. Diegenen bedriegen zich, die denken, dat God aan plaatsen is gebonden j Hij kan Zijn volk in ene woestijn brengen, en daar tot hun hart spreken.
2. Hoe Hij hem verscheen: in een vlammend vuur, want onze God is een verterend vuur, en toch werd het doornenbos, waarin dat vuur was, en hoewel het ene brandbare stof is, niet verteerd, dat gelijk het den toestand voorstelde van Israël in Egypte, waar zij in het vuur der verdrukking waren en toch niet werden verteerd, wellicht ook beschouwd kan worden als een type van Christus' vleeswording, en de verbinding van de Goddelijke en de menselijke natuur, God, geopenbaard in het vlees, was als de vuurvlam in het doornenbos.
3. Welken indruk dit maakte op Mozes. Hij verwonderde zich over het gezicht, vers 31. Het was een verschijnsel, dat al zijne Egyptische geleerdheid niet in staat was voor hem te verklaren. Hij had de nieuwsgierigheid om het te gaan bezien: ik zal mij daarheen wenden, en zien dat grote gezicht, maar hoe dichter hij naderde, hoe meer hij door verbazing werd aangegrepen, en hij werd zeer bevende, en durfde het niet bezien, want hij bemerkte spoedig, dat het gene vurige meteoor was, maar de Engel des Heeren, en geen andere dan de Engel des Verbonds, de Zone Gods zelf. Dit deed hem sidderen. Stefanus was beschuldigd van lasterlijke woorden te spreken tegen Mozes en God, Hoofdstuk 6:11, als of Mozes een kleine god was, maar hieruit blijkt nu, dat hij een man was van gelijke bewegingen als wij, dat hij inzonderheid ook aan vrees onderhevig is geweest bij de verschijning der Goddelijke majesteit en heerlijkheid.
II. De verklaring, die hij hoorde van het verbond van God, vers 32. Ene stem des Heeren geschiedde tot hem, want het geloof is uit het gehoor. En die stem luidde: Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams, en de God Isaak's, en de God Jakobs, en daarom: 1. "Ik ben Dezelfde, die Ik was". Het verbond, dat God enige eeuwen te voren met Abraham gemaakt heeft, was: Ik zal u een God zijn, een algenoegzaam God. "Nu", zegt God, "is dat verbond nog in volle kracht, het is niet te niet gedaan of vergeten, maar Ik ben, gelijk Ik was, de God Abrahams, en thans zal Ik dit doen blijken", want al de gunsten en al de eer, die God aan Israël geschonken en bewezen heeft, waren gegrond op het verbond met Abraham, en zijn er uit voortgevloeid.
2. "Ik zal Dezelfde zijn, die Ik geweest ben". Want indien de dood van Abraham, Izaak en Jakob de verbondsbetrekking tussen God en hen niet kon verbreken (gelijk hieruit blijkt, dat zij er niet door verbroken kon worden) dan kan dit ook niet door iets anders, en dan zal Hij een God wezen:
A. Van hun zielen, die nu afgescheiden zijn van hun lichamen. Onze Heiland heeft hiermede den toekomenden staat bewezen, Mattheus 22:31, 32. Abraham is dood, en toch is God nog zijn God, dus leeft Abraham nog. God heeft in deze wereld nooit voor hem gedaan, wat aan de wezenlijke bedoeling en aan de volle strekking van die belofte beantwoordt, dat Hij de God van Abraham zou zijn. En daarom moet het voor hem in de andere wereld gedaan worden. Dit nu is het leven en de onsterfelijkheid, die aan het licht gebracht zijn door het Evangelie, ter volle overtuiging van de Sadduceeën, die het ontkenden. Diegenen dus, die het Evangelie verdedigden, en het trachtten te verbreiden, waren er zo verre vandaan om Mozes te lasteren, dat zij Mozes de grootst mogelijke eer bewezen, evenals aan de heerlijke openbaring van God in het doornenbos.
B. Van hun zaad. God heeft, door zich aldus als den God hunner vaderen te verklaren, Zijne goedheid te kennen gegeven voor hun zaad, en dat zij beminden zullen zijn om der vaderen wil, Romeinen 11:28, Deuteronomium 7:8. Nu hebben de predikers van het Evangelie dit verbond gepredikt, de belofte, door God gedaan aan de vaderen, tot welke belofte diegenen van de twaalf geslachten, die volhardden God te dienen, hoopten te komen, Hoofst. 26:6, 7. En zullen zij, onder schijn van de heilige plaats en de wet te beschermen en hoog te houden, het verbond tegenstaan, dat gemaakt was met Abraham en zijn zaad, zijn geestelijk zaad, voordat de wet was gegeven, en lang voordat de heilige plaats gebouwd was? Daar Gods eer en heerlijkheid altijd bevorderd, en ons roemen voor altijd tot zwijgen moet worden gebracht, wil God, dat onze verlossing, onze zaligheid, zij door belofte, en niet door de wet. Dus hebben de Joden, die de Christenen vervolgden onder voorwendsel, dat zij de wet lasterden, zelven de belofte gelasterd, en hun eigene zegeningen, die er in waren opgesloten, verzaakt.
III. De opdracht, die God hem gaf, om Israël uit Egypte te verlossen. De Joden stelden Mozes in mededinging met Christus, en beschuldigden Stefanus van een Godslasteraar te zijn, omdat hij dit ook niet deed. Maar Stefanus toont hier aan, dat Mozes een voornaam type is geweest van Christus, daar hij Israël's bevrijder was. Toen God zich als den God van Abraham had verklaard, heeft Hij:
1. Mozes geboden ene eerbiedige houding aan te nemen: "Ontbind de schoenen van uwe voeten. Treed niet in heilige zaken, met lage, koude, gewone denkbeelden. Bewaar uwen voet, Prediker 4:17. Wees niet haastig en roekeloos in uw naderen tot God, treed zachtkens."
2. Stelt Hij Mozes aan tot een zeer gewichtigen dienst. Als hij bereid is bevelen te ontvangen, verkrijgt hij zijne opdracht. Hem wordt gelast aan Farao verlof te vragen voor Israël om uit zijn land te trekken, en om dit verzoek krachtig aan te dringen, vers 34. Merk op, dat God nota neemt van hun lijden en van hun gevoel onder dat lijden: Ik heb duidelijk gezien de mishandeling mijns volks, en Ik heb hun zuchten gehoord. Vol van mededogen let God op de benauwdheid Zijner kerk, en op het zuchten van Zijn verdrukt volk, en hun verlossing komt voort uit Zijn mededogen. Merk ook op Zijn vast besluit om hen te verlossen door de hand van Mozes, Ik ben neergekomen om hen te verlossen. Hoewel God aan alle plaatsen is, schijnt Hij deze uitdrukking: Ik ben neergekomen om hen te verlossen te gebruiken, omdat die verlossing typisch was van hetgeen Christus deed, toen Hij, voor ons mensen, en ter onzer verlossing, neergekomen is van den hemel, Hij, die opgevaren is, is eerst nedergedaald. Mozes is de man, die gebruikt moet worden, kom herwaarts, Ik zal u naar Egypte zenden, en als God hem zendt, zal Hij hem steunen en voorspoedig maken.
IV. Zijn handelen ingevolge deze opdracht, waarin hij een type was van den Messias. En Stefanus wijst hier wederom op de minachting, die zij hem betoond hebben, de beledigingen, die zij hem hebben aangedaan, en hun weigering om hem als een heerser over hen te hebben, hetgeen alles grotelijks strekte, om wat hij deed ter hunner verlossing te verheerlijken.
1. God heeft hem geëerd, dien zij hebben gesmaad, vers 35. Dezen Mozes, welken zij verloochend hadden, wiens vriendelijke aanbiedingen en goede diensten zij met verachting afwezen, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? Het is te veel voor u, gij zoon van Levi, Numeri 16:3, diezelfden Mozes heeft God tot een overste en verlossergezonden door de hand des Engels, die hem verschenen was in het doornenbos. Dit kan verstaan worden, hetzij dat God tot hem zond door de hand des Engels, of, dat hij, door de hand des Engels, die met hem ging, een volkomen verlosser is geworden. Door dit voorbeeld nu wilde Stefanus aan den raad te kennen geven, dat deze Jezus, dien zij nu verloochenden, zoals hun vaderen Mozes verloochend hebben, zeggende: Wie heeft u tot een Profeet en Koning gesteld? Wie heeft u deze macht gegeven? door dezen zelfde God verhoogd is om een Vorst en Zaligmaker te zijn, een Overste en een Verlosser, zoals de apostelen hun korten tijd geleden gezegd hebben, Hoofdstuk 5:30, 31, dat de steen, die van u, de bouwlieden, veracht is, tot een hoofd des hoeks is geworden, Hoofdstuk 4:11.
2. Door hem heeft God hun gunst betoond, en hij was zeer ijverig om hen te dienen, hoewel zij hem verworpen hadden. God zou hun rechtvaardiglijk zijn dienst hebben kunnen ontzeggen, en hij zou rechtvaardiglijk hebben kunnen weigeren hen te dienen, maar het is alles vergeten, het wordt hun niet eens verweten, vers 36. Niettegenstaande dit alles, heeft hij hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land van Egypte, die later voortgezet werden ter voltooiing van hun bevrijding, naar dat de toestand het vereiste, in de Rode Zee, en in de woestijn, veertig jaren. Het is zo verre van hem Mozes te lasteren, dat hij hem bewondert als een heerlijk werktuig in de hand Gods ter formering van de Oud-Testamentische kerk. Maar het doet volstrekt niets af aan zijne rechtmatige ere, om te zeggen, dat hij slechts een werktuig was, en dat hij overtroffen wordt door dezen Jezus. Hij moedigt deze Joden aan om zich met dien Jezus te verenigen, onder Zijn invloed te komen, vertrouwende, dat zij in Zijne gunst aangenomen zullen worden, en nut en voordeel van Hem zullen ontvangen, zoals het volk van Israël verlost werd door Mozes, hoewel zij hem eens verworpen hadden.
V. Zijne profetie van Christus en Zijne genade, vers 37. Hij was niet slechts een type van Christus, (velen zijn dit geweest, zonder dat zij wellicht Zijn dag voorzien hebben.) Maar Mozes heeft van Hem gesproken, vers 37. Deze is die Mozes, die tot de kinderen Israël's gezegd heeft: De Heere, uw God, zal u een' Profeet verwekken uit uwe broederen. Daarvan wordt gesproken als van een der grootste eerbewijzen, die God hem heeft aangedaan (ja als die, welke alle anderen overtrof) dat Hij door hem den kinderen Israël's kennis gaf van den groten Profeet, die in de wereld komen zou, dat hij hun verwachting van Hem opwekte en hun de verplichting oplegde om Hem te ontvangen en aan te nemen. Als er gesproken wordt van hun uitleiding door hem uit Egypte, dan geschiedt het met een nadruk van eerbewijs: Deze is die Mozes! Exodus 6:26. En zo ook hier: Deze is die Mozes! Nu strookte dit volkomen met Stefanus' doel, door te verzekeren, dat Jezus de zeden der ceremoniële wet zou veranderen, was hij er zo ver vandaan Mozes te lasteren, dat hij hem in werkelijkheid de grootst mogelijke eer aandeed, door aan te tonen, hoe de profetie van Mozes vervuld was, hetgeen zo duidelijk was, dat, gelijk Christus zelf tot hen gezegd had, indien zij Mozes geloofden, zij ook Hem zouden geloven, Johannes 5:46.
1. Mozes heeft hun in den naam van God gezegd, dat er een Profeet onder hen verwekt zou worden, een uit hun eigene natie, die hem gelijk zou wezen, Deuteronomium 18:15, 18, een Overste en een Verlosser, een Rechter en een Wetgever, evenals hij, die dus de macht en het gezag zou hebben, om de zeden te veranderen, die hij had overgeleverd, en, als de Middelaar eens beteren verbonds, dat in betere beloften bevestigd is.
2. Hij beveelt hun aan dien Profeet te horen, Zijne voorschriften aan te nemen, de veranderingen toe te laten, die Hij in hun zeden zou maken, en zich in alles aan Hem te onderwerpen. En dit zal de grootste ere zijn, die gij Mozes en zijne wet kunt bewijzen, die gezegd heeft: naar hem zult gij horen, en die gekomen is, om getuige te zijn van de herhaling van dat bevel door ene stem uit den hemel bij Christus' verheerlijking op den berg, toen hij door zijn zwijgen zijne instemming er mede te kennen gaf, Mattheus 17:5.
VI. De uitnemende diensten, welke Mozes het volk van Israël bleef bewijzen, nadat hij het middel geweest was om hen uit te voeren uit Egypte, vers 38. En ook hierin was hij een type van Christus, die hem echter in zover overtreft, dat het gene lastering is te zeggen: "Hij heeft macht, om de zeden te veranderen, die Mozes overgeleverd heeft". Het was Mozes' ere:
1. Dat hij in de kerk der woestijn was, al de zaken er van heeft hij veertig jaren lang bestuurd, hij was koning in Jeshurun, Deuteronomium 33:5. Het leger van Israël wordt hier genoemd: de vergadering -of de kerk-in de woestijn, want het was een heilig gezelschap, tot een lichaam, ene maatschappij, gemaakt door ene Goddelijke handvest, onder ene Goddelijke openbaring. De kerk in de woestijn was ene kerk, hoewel nog niet volkomen geformeerd, zoals zij zijn zou, toen zij in Kanaän kwam' maar ieder deed wat al in zijne ogen recht was, Deuteronomium , 12:8, 9. Het was Mozes' ere, dat hij in die kerk was, en menigmaal is zij door Mozes' voorbede bewaard gebleven van verdelgd te worden. Maar Christus is de Voorzitter en Leidsman van ene voortreffelijker en heerlijker kerk, dan die in de woestijn geweest is, en Hij is er meer in, als het leven en de ziel er van, dan Mozes in die der woestijn geweest kon zijn.
2. Dat hij met den Engel was, die tot hem sprak op den berg Sinaï, en met onze vaderen. Hij was twee maal gedurende veertig dagen op den heiligen berg met den Engel des verbonds, Michael onzen Vorst. Mozes heeft van aangezicht tot aangezicht met God gesproken, maar nooit is hij in Zijn schoot geweest, zoals Christus van eeuwigheid af geweest is. Of wel, deze woorden kunnen aldus genomen worden: Mozes was in de kerk in de woestijn, maar het was met den Engel, die tot hem sprak op den berg Sinaï, dat is: in het brandende doornenbos, want dit wordt gezegd in de woestijn van den berg Sinaï geweest te zijn, vers 30. Die Engel is voor hem heengegaan, was hem ten Gids, anders zou hij Israël's leidsman niet hebben kunnen wezen. Daarvan spreekt God, Exodus 23:20, Ik zal een Engel voor uw aangezicht zenden, en Exodus 33:2. Zie ook Numeri 20:16. Hij was in de kerk met den engel, zonder wie hij de kerk niet had kunnen dienen, maar Christus is zelf die Engel, die met de kerk in de woestijn geweest is, en dus heeft Hij macht en gezag boven Mozes.
3. Dat hij de levende woorden ontving, om ons die te geven, niet slechts de tien geboden, maar ook de andere instructies, als de Heere sprak tot Mozes, zeggende: Spreek tot de kinderen Israël's. De woorden Gods zijn levende woorden, zeker en onfeilbaar, en van onbetwistbaar gezag en verplichting. Zij moeten geraadpleegd worden als orakelen, of Godsspraken, en alle onze geschillen moeten er door beslist worden. Het zijn levende woorden, want het zijn de woorden van den levenden God, niet van de stomme, dode afgoden der Heidenen, het woord, dat God spreekt, is geest en leven, niet alsof de wet van Mozes leven kon geven, maar zij toonde den weg ten leven: Wilt gij in het leven ingaan, onderhoud de geboden. Mozes heeft ze van God ontvangen, en heeft aan het volk niets anders als Godsspraak overgeleverd, dan hetgeen hij eerst van God had ontvangen. De levende woorden, die hij van God ontving, heeft hij getrouwelijk aan het volk gegeven, om opgemerkt en bewaard te worden. Het was het voornaamste voorrecht der Joden, dat hun de woorden Gods waren toevertrouwd, en het was door de hand van Mozes, dat zij hun werden overgegeven. Gelijk Mozes hun niet dat brood heeft gegeven, zo heeft hij hun ook niet die wet uit den hemel gegeven, Johannes 6:32, maar God heeft hun haar gegeven, en Hij, die hun door Zijn knecht Mozes die zeden heeft gegeven, zou ongetwijfeld, als Hem dit behaagde, die zeden door Zijn Zoon Jezus kunnen veranderen, die meer levende woorden ontvangen heeft om ons te geven, dan Mozes.
VII. De minachting, die daarna, en in weerwil hiervan, hem door het volk werd betoond. Zij, die Stefanus ten laste leggen tegen Mozes te hebben gesproken, zouden goed doen met te verantwoorden wat hun eigene voorouders hebben gedaan, en-zij treden in hun voetstappen.
1. Zij wilden hem niet gehoorzaam zijn, maar zij verwierpen hem, vers 39. Zij murmureerden tegen hem, rebelleerden tegen hem, weigerden zijne bevelen te gehoorzamen, en waren soms bereid hem te stenigen. Mozes heeft hun in waarheid ene voortreffelijke wet gegeven, maar er is uit gebleken, dat zij nimmermeer degenen kon heiligen, die daar toegaan, Hebr. 10:1, want met hun harten zijn zij naar Egypte wedergekeerd, en gaven de voorkeur aan hun knoflook en uien aldaar, boven het manna, dat zij onder de leiding van Mozes hadden, of de melk en honing, waarop zij hoopten in Kanaän. Hun verborgen misnoegen tegen Mozes, en hun neiging voor Egypte waren in werkelijkheid een terugkeren naar Egypte, zij zijn er wedergekeerd in hun hart. Velen, die voorgeven naar Kanaän te gaan, door een schijn op te houden van den Godsdienst te belijden, keren op hetzelfde ogenblik in hun hart terug naar Egypte, zoals de vrouw van Lot naar Sodom, en zij zullen als deserteurs worden behandeld, want God ziet het hart aan. Indien nu de zeden, die Mozes hun overgeleverd heeft, niet hebben vermocht hen te veranderen. verwondert u dan niet, dat Christus komt om de zeden te veranderen, en ene meer geestelijke wijze van aanbidding in te voeren. 2. Zij maakten een gouden kalf, dat, behalve de belediging. die er aan God mede aangedaan werd, ook een grote smaad was voor Mozes, want het was om die overweging, dat zij het kalf maakten: want wat dezen Mozes aangaat, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet wat hem geschied is, daarom maak ons goden van goud, alsof een kalf het ontbreken van Mozes kon vergoeden, en in staat was om voor hen uit te gaan naar het Beloofde Land. Zo hebben zij dan een kalf gemaakt in de dagen, toen hun de wet was gegeven, en brachten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen. Zo trots waren zij op hun nieuwen god, dat zij neder zaten om te eten en te drinken, en daarna opstonden om te spelen! Uit dit alles blijkt, dat er zeer veel was, dat de wet niet doen kon, dewijl zij door het vlees krachteloos was. Het was dus nodig, dat deze wet vervolmaakt zou worden door ene betere hand, en hij was geen lasteraar tegen Mozes, die zei, dat Christus dit gedaan heeft.