Galaten 3:1-5
De apostel handelt hier met hen, die het geloof in Christus omhelsd hebben, en toch nog voortgaan met het zoeken van de rechtvaardigmaking door de werken der wet, dat is die steunen op hun eigen gehoorzaamheid aan de zedelijke voorschriften, voor hun rechtvaardigheid voor God, en voor zoveel die gebrekkig was, hun toevlucht namen tot de wettelijke offeranden en reinigingen. Dezen bestraft hij eerst scherpelijk, en tracht daarna hen te overtuigen door de waarheid aan het licht te stellen. Dat is de rechte wijze van handelen, wanneer wij een fout of een dwaling bestraffen, moeten wij de mensen overtuigen dat het ene fout of een dwaling is. Hij bestraft hen, en de bestraffing is scherp en vurig, hij noemt hen uitzinnige Galaten, vers 1. Ofschoon zij als Christenen kinderen der Wijsheid waren, als bedorven Christenen waren zij kinderen der dwaasheid. Ja, hij vraagt: wie heeft u betoverd? Hij beschouwt hen als begoocheld door de kunstgrepen en listen van hun verleidende leraren, en zover verleid, dat ze geheel tegen hun beginsel in handelden. Datgene, waarin hun uitzinnigheid en betovering bleek, was dat zij de waarheid niet meer gehoorzaam waren, dat is, dat zij niet bleven in den evangelischen weg ter rechtvaardigmaking, waarin zij onderwezen waren en die zij beleden hadden te omhelzen. Het is niet genoeg de waarheid te kennen en te zeggen dat wij haar geloven, maar wij moeten haar gehoorzamen ook, wij moeten ons van harte aan haar onderwerpen en standvastig bij haar blijven. Dezen zijn geestelijk betoverd, die, wanneer de waarheid zoals zij in Jezus is duidelijk hen voorgesteld is, haar niet willen gehoorzamen. Verschillende dingen bewezen en verergerden de uitzinnigheid van deze Galaten.
1. Jezus Christus is hun tevoren geschilderd geweest, als onder hen gekruist zijnde, dat is, onder hen was de leer van het kruis gepredikt en het sacrament van des Heeren avondmaal bediend, in welke beide Christus hun als gekruist voorgesteld was. Nu was het de grootste dwaasheid, welke begaan worden kon door hen die gemeenschap hadden met zulke heilige verborgenheden en toegang tot zulke grote plechtigheden, om de waarheden niet gehoorzaam te zijn, die op zulke wijze onder hen verkondigd en verzegeld was. De beschouwing van de eer en de voorrechten, ons als Christenen verleend, behoren ons terug te houden van de dwaasheid van afvallen en terugglijden.
2. Hij beroept zich op de ondervindingen, die zij hadden van de werking des Geestes in hun zielen, vers 2. Hij drukt hun op het hart dat zij, nadat zij Christenen geworden waren, den Geest ontvangen hadden, dat velen onder hen deelgenoten gemaakt waren aan den heiligenden invloed niet alleen, maar ook aan de wonderbare gaven des Heiligen Geestes, welke de duidelijkste bewijzen waren van de waarheid van den Christelijken godsdienst en zijn verscheidene leerstellingen, en voornamelijk van deze, dat de rechtvaardigmaking alleen door Christus is en niet uit de werken der wet, want die waarheid is een van de voornaamste grondslagen des geloofs. Om hen te overtuigen hoe uitzinnig het van hen was deze leer te verlaten, wenst hij van hen te weten langs welken weg zij deze genade en gaven verkregen hadden. Was dat uit de werken der wet, dat is uit de prediking dat deze noodzakelijk zijn ter rechtvaardigmaking? Dat konden zij niet beweren, want die leer was hun toen nog niet verkondigd, en bovendien hadden zij, als heidenen, niet de minste aanspraak op rechtvaardigmaking langs dien weg. Of was het uit de prediking des geloofs? Dat is, uit de prediking dat het geloof in Christus het enige middel tot rechtvaardigmaking is. Indien zij de waarheid zeggen wilden, zouden zij verplicht zijn dat toe te stemmen, en daarom was het buitengemeen onredelijk ene leer te verwerpen, waarvan zij bij ondervinding zulke gezegende gevolgen kenden. Merk op: A. De gewone weg, waarlangs de Geest aan de mensen gegeven wordt, is de prediking des Evangelies. En:
B. Zij zijn zeer uitzinnig, die zich laten afvoeren van de leer, welke hun zoveel geestelijke zegeningen gebracht heeft.
3. Hij roept hen op om hun vroeger en hun tegenwoordig gedrag te beschouwen en dan zelf te beoordelen of zij niet zeer uitzinnig en onredelijk handelden, vers 3, 4: hij zegt hun dat zij begonnen zijn met den Geest, maar nu zoeken te voleindigen met het vlees. Zij hadden de leer van het Evangelie omhelsd, door welke zij den Geest ontvangen hadden en waarin de enige weg tot rechtvaardigmaking was geopenbaard. Zij waren dus wèl begonnen, maar nu keerden zij zich tot de wet en verwachtten tot hoger trap van volkomenheid opgevoerd te worden door het houden der wet te voegen bij het geloof in Christus, teneinde rechtvaardig gemaakt te worden, hetgeen slechts kon uitlopen op beschaming en teleurstelling, want dat was, in plaats van een verbetering van het Evangelie een verdraaiing ervan. Terwijl zij zochten in dien weg gerechtvaardigd te worden, waren zij er zover af van op die wijze betere Christenen te worden, dat zij gevaar liepen in `t geheel geen Christenen te blijven, want zij braken daardoor met de andere hand af wat ze met de ene hand opgebouwd hadden, en maakten ongedaan wat zij in de Christelijke leer gedaan hadden. Ja hij herinnert hun dat zij niet alleen de Christelijke leer omhelsd, maar er ook voor geleden hadden, en dat hun dwaasheid nu des te erger zou zijn, indien zij die leer verlieten, want dan zou alles tevergeefs geleden zijn, het zou blijken dat zij wel uitzinnig waren geweest door zoveel te lijden voor iets dat ze verlieten, en al hun lijden zou vergeefs en zonder voordeel voor hen zijn.
A. Het is de dwaasheid van afvalligen, dat zij al de zegeningen verliezen, die ze door den godsdienst verkregen en waarvoor zij geleden hebben.
B. Het is zeer dwaas een leven van diensten en lijden, van sabbatten, en ceremoniën en sacramenten tevergeefs door te leven, terwijl de vorige rechtvaardigmaking vergeten wordt.
4. Hij herinnert hun dat zij bedienaren hadden gehad (en in de eerste plaats hemzelf), die met goddelijke zending tot hen gekomen waren, want hij had hun den Geest verleend en krachten onder hen gewerkt, en hij beroept zich op hun getuigenis, dat dit niet geschied was uit de werken der wet, maar uit de prediking des geloofs. De leer, door hem verkondigd en door wonderdadige gaven en bedelingen des Geestes bevestigd was die der rechtvaardigmaking door het geloof in Christus en niet door de werken der wet, dat was hun zeer goed bekend en daarom waren zij des te minder te verontschuldigen wanneer zij een leer verzaakten, die op zo buitengewone wijze onder hen bevestigd was, en haar inruilden tegen ene. die al zulke bewijzen ontbeerde.