Handelingen 13:42-52
Het doel van deze geschiedenis zijnde om de apostelen, en inzonderheid Paulus, te rechtvaardigen (gelijk hij het zelf uitvoerig gedaan heeft in Romeinen 11) tegenover den blaam, door de Joden op hem geworpen, wegens zijn prediken van het Evangelie aan de Heidenen, wordt er hier op gewezen, dat zij met alle voorzichtigheid hierin te werk zijn gegaan, en na ernstig overleg, waarvan wij hier een voorbeeld hebben.
I. Sommigen van de Joden waren zo zeer in toorn ontstoken tegen de prediking van het Evangelie, niet aan de Heidenen, maar aan hen zelven, dat zij het niet konden dragen het te horen, maar uitgingen uit de synagoge, terwijl Paulus nog predikte, vers 42, in minachting van hem en van zijne leer, en tot beroering van de gemeente. Waarschijnlijk fluisterden zij onder elkaar, om elkaar hier toe aan te sporen. Dit nu toonde:
1. Openbaar ongeloof, een even duidelijke belijdenis van ongeloof, als het komen om het Evangelie te horen het is van geloof. Aldus hebben zij openlijk hun minachting te kennen gegeven van Christus en Zijne leer en Zijne wet.
Zij schaamden zich niet en wisten ook niet van schaamrood te maken, en aldus poogden zij vooroordelen in te blazen in het gemoed van anderen tegen het Evangelie, zij gingen uit om ook anderen op hun verderfelijke wegen te trekken.
2. Een hardnekkig ongeloof. Zij gingen uit de synagoge, niet slechts om te tonen, dat zij het Evangelie niet geloofden, maar omdat zij besloten waren het niet te willen geloven, en daarom buiten het gehoor gingen van hetgeen de strekking had hen te overtuigen. Zij stopten hun oren, zoals de dove adder. Rechtvaardiglijk werd hun dus het Evangelie ontnomen, nadat zij zelven er zich aan hadden onttrokken, zij hebben zich zelven uitgeworpen uit de kerk, eer zij er uitgeworpen werden, Want het is voorzeker waar, nooit verlaat God de mensen, voor en aleer zij Hem verlaten hebben.
II. De Heidenen waren even gewillig het Evangelie te horen, als deze ruwe en kwalijk gezinde Joden waren, om buiten het gehoor er van te komen. Zij baden, dat deze woorden, of woorden van dezelfde strekking, tegen den naasten sabbat hun gesproken zouden worden, in de week er tussen in, zoals sommigen het verstaan, op den tweeden en vijfden dag van de week, die in sommige synagogen hun leesdagen waren. Maar uit vers 44 blijkt dat het de volgende sabbatdag was, waarop zij samen zijn gekomen. Zij baden:
1. Dat hun dezelfde aanbieding gedaan mocht worden, die aan de Joden gedaan was. In zijne leerrede had Paulus het woord der zaligheid gebracht aan de Joden en Jodengenoten, maar hij had toen niet van de Heidenen gesproken, en daarom baden zij, dat hun vergeving van zonden door Christus gepredikt mocht worden, zoals zij den Joden gepredikt was. Wat de Joden versmaadden, daar hebben zij naar verlangd. Dit rechtvaardigt Paulus in zijn prediken tot hen, nl. dat hij er toe uitgenodigd was, zoals Petrus er door Cornelius toe uitgenodigd was. Wie zou kunnen weigeren het brood des levens te prediken tot hen, die er zo ernstig en dringend om vroegen, en datgene aan de armen te geven aan de deur, wat de kinderen aan tafel onder hun voeten wierpen? 2. Dat hun hetzelfde onderricht gegeven mocht worden. Zij hadden de leer van Christus gehoord, maar hebben haar op het eerste horen niet begrepen, en zij konden zich ook alles wat zij gehoord hadden niet herinneren, en daarom baden zij, dat het hun nogmaals gepredikt mocht worden. Het is goed, dat het woord van Christus ons herhaald wordt. Wat wij gehoord hebben, moeten wij begeren nogmaals te horen, opdat het diep wortel in ons schiete, en de nagel, die ingeslagen is, vast omklemd worde, als een nagel in ene vaste plaats. Dezelfde dingen te horen moet ons niet verdrietig zijn, omdat het veilig is, Filippenzen 3:1. Het verzwaart de boze gezindheid der Joden, dat de Heidenen begeerden dikwijls te horen, wat zij-de Joden-niet eenmaal wilden horen, en het looft de goede gezindheid der Heidenen, dat zij het slechte voorbeeld, door de Joden hun gesteld, niet gevolgd hebben.
III. Er waren sommigen, ja velen onder de Joden en de Jodengenoten, op wie de prediking van het Evangelie ene goede uitwerking had. Zij, die de zaak van der Joden verwerping van het Evangelie nog zwaarder voorstelden, riepen, zoals gewoonlijk in dergelijke gevallen: "Zo is dan nu al het volk Gods verstoten, afgesneden!" "Neen," zegt Paulus, "dat is niet zo, want zeer vele Joden hebben Christus aangenomen, hij zelf was een hunner, Romeinen 11:1-5. Zo was het ook hier: Velen van de Joden en van de Godsdienstige Jodengenoten volgden Paulus en Barnabas, en ontvingen nog verder onderricht en bemoediging van hen.
1. Zij onderwierpen zich aan de genade Gods, en werden toegelaten tot het voordeel en de vertroosting er van, dit ligt opgesloten in de vermaning, die zij ontvingen om er bij te blijven. Zij volgden Paulus en Barnabas, zij werden hun discipelen, of liever de discipelen van Christus, wiens agenten zij waren. Zij, die zich bij Christus voegen, zullen zich voegen bij zijne dienstknechten, en hen volgen. En hoewel Paulus en Barnabas tot de Heidenen gezonden waren, hebben zij toch diegenen uit de Joden welkom geheten, die gewillig waren om zich door hen te laten onderwijzen, zo van harte hebben zij het goede gewenst voor al de Joden en hun vrienden.
2. Zij werden vermaand en aangemoedigd om hierin te volharden. Paulus en Barnabas spraken tot hen met alle vrijmoedigheid en in alle vriendschap, vermaanden hen te blijven bij de genade Gods, vast te houden hetgeen zij hadden ontvangen, te volharden in hun geloof aan het Evangelie der genade, en hun gebruik maken van de middelen der genade. En aan hen, die er aldus in volharden, zal de genade Gods ook nooit ontbreken.
IV. Op den volgenden sabbatdag werd de prediking door ene talrijke en belangstellende schare bijgewoond, vers 44. Bijna de gehele stad (waarvan het merendeel der inwoners Heidenen waren) kwam te zamen om het woord Gods te horen.
1. Paulus en Barnabas zullen waarschijnlijk op de weekdagen niet werkeloos gebleven zijn, maar alle gelegenheden hebben aangegrepen (gelijk, naar sommigen denken, de Heidenen het wensten,) om hen met Christus bekend te maken. en grote verwachtingen van Hem te doen koesteren. Zij hebben het Evangelie gediend in bijzondere gesprekken, zowel als in hun openbare redevoeringen. De wijsheid roept in het voorste van het gewoel, aan de deuren der poorten, zowel als in de synagogen, Spreuken 1:20, 21.
2. Dit bracht een groten samenloop van mensen naar de synagoge op den sabbatdag. Sommigen kwamen uit nieuwsgierigheid, daar de zaak nieuw was, anderen kwamen, omdat zij verlangden te zien wat de Joden doen zouden, als hun het Evangelie voor de tweede maal wordt aangeboden, en velen kwamen, die iets van het woord Gods hadden gehoord, en meer verlangden te horen, en het te horen, niet als het woord van mensen, maar als het woord van God, door hetwelk wij geregeerd en geoordeeld moeten worden. Dit nu heeft Paulus gerechtvaardigd in zijn prediken tot de Heidenen, dat hij bij hen het meest moedgevende gehoor vond. Dáár waren de velden wit om te oogsten, waarom zou hij er dan de sikkel niet in zenden?
V. Hierover werden de Joden in heftigen toorn ontstoken, niet alleen wilden zij zelven het Evangelie niet ontvangen, maar zij waren heftig verontwaardigd op hen, die het gingen horen, vers 45. De Joden, de scharen ziende, en bedenkende welk ene aanmoediging dit was voor Paulus om voort te gaan met zijn werk, als hij zag hoe deze lieden kwamen, gevlogen als duiven tot hare vensters, en hoe waarschijnlijk het was, dat er op sommigen van die grote menigte gewerkt zou worden, ja dat de meesten van hen Christus zullen omhelzen-werden zij met nijdigheid vervuld.
1. Zij misgunden den apostelen den invloed, dien zij hadden op het volk. Zij werden verontrust en geërgerd, toen zij zagen, hoe de synagoge gevuld werd, als de apostelen er gingen prediken. Het was dezelfde geest, die in de Farizeeën werkte ten opzichte van Christus, als zij zagen, dat de gehele wereld Hem naliep, barstte hun het hart. Toen het koninkrijk der hemelen geopend werd, wilden zij niet alleen zelven niet ingaan, maar zij waren nog toornig op hen, die het wèl wilden.
2. Zij weerstonden de leer, die de apostelen predikten, zij weerspraken hetgeen van Paulus gezegd werd, maakten vittende aanmerkingen op hen, vonden in alles wat hij zei dit of dat te berispen, wedersprekende en lasterende -antelegon antilegontes - tegensprekende, spraken zij tegen. Zij deden dit met de uiterste kwaadwilligheid en woede, zij bleven bij hun tegenspraak, en niets kon hen tot zwijgen brengen. Zij spraken tegen om maar tegen te spreken, en ontkenden het klaarblijkelijkste. En als zij geen schijn van grond aan hun tegenwerping wisten te geven, dan barstten zij uit in vuile taal tegen Christus en Zijn Evangelie, Hem lasterende en het Evangelie lasterende. Van de taal van vleselijk gezinde mensen, die de dingen die des Geestes Gods zijn, niet begrijpen, en ze daarom tegenspreken, vervielen zij in de taal van vlees geworden duivelen, en lasterden ze. Gewoonlijk zullen zij, die beginnen met tegenspreken, eindigen met lasteren.
VI. Hierop hebben de apostelen zich openlijk en plechtig ontheven verklaard van hun verplichting tegenover de Joden, en vrij te zijn om het woord der zaligheid aan de Heidenen te brengen, zelfs met de stilzwijgende toestemming van de Joden zelven. Laat nooit een Jood de schuld op de apostelen werpen, dat het koninkrijk Gods tot de Heidenen gebracht is, want aan die klacht van hen is voor altijd door hun eigene daad het zwijgen opgelegd, want hetgeen zij hier deden staat die klacht eens voor altijd in den weg. Den Joden werd het Evangelie aangeboden, en zij weigerden het aan te nemen, dus hebben zij niets in te brengen tegen de Heidenen, als zij het wèl ontvangen. Bij deze verklaring wordt gezegd, vers 46, dat Paulus en Barnabas vrijmoedigheid gebruikten. Zij werden vrijmoediger dan zij geweest waren, toen zij nog schroomden om met gunst op de Heidenen te zien, uit vrees van ergernis te geven aan de Joden, en hun een struikelblok in den weg te leggen. Er is voor de predikers van het Evangelie een tijd, wanneer zij evenveel van de stoutmoedigheid moeten tonen van den leeuw, als van de voorzichtigheid van de slang, of de oprechtheid der duive. Als de tegenstanders van Christus' zaak stoutmoedig beginnen te worden, dan betaamt het den voorstanders niet terughoudend en lafhartig te zijn. Zolang er nog hoop is om een invloed ten goede te oefenen, op hen, die tegenstaan, moeten zij met zachtmoedigheid onderwezen worden, 2 Timotheus 2:25, maar als deze methode gedurende langen tijd te vergeefs beproefd werd, dan moeten wij vrijmoedigheid gebruiken, en hun zeggen, wat voor hen het gevolg zal zijn van hun tegenstand. De onbeschaamdheid van de vijanden van het Evangelie moet in plaats van deszelfs vrienden te verschrikken, hen kloekmoedig maken, want zij weten, dat zij ene goede zaak voorstaan, en op wie zij vertrouwen om hen door te helpen. Daar nu Paulus en Barnabas hun in alle oprechtheid de Evangelie-genade hadden aangeboden, geven zij hun nu in alle oprechtheid kennis er van, dat zij besloten hebben het tot de Heidenen te brengen, of zij hen enigszins (zoals Paulus zegt, Romeinen 11:14) tot jaloersheid mochten verwekken.
1. Zij erkennen, dat de Joden recht hadden op de eerste aanbieding: "Het was nodig, dat eerst tot u het woord Gods gesproken zou worden, tot u, aan wie de belofte gedaan werd, tot u die van de verlorene schapen van het huis Israël's zijt, tot wie Christus zich eerst achtte gezonden te zijn." En zijn last aan de predikers van Zijn Evangelie om te beginnen van Jeruzalem, Lukas 24:47, was een stilzwijgende aanwijzing voor allen, die naar andere landen gingen, om te beginnen met de Joden, welker de wetgeving is en daarom ook de prediking van het Evangelie. Laat eerst de kinderen verzadigd worden. Markus 7:27.
2. Zij leggen hun de weigering er van ten laste: "nademaal gij hetzelve verstoot, nademaal gij het niet wilt aannemen, ja het zelfs niet kunt dragen, dat het u wordt aangeboden, en dit als ene belediging opvat." Als de mensen het Evangelie verstoten, het van zich wegdoen, neemt God het rechtvaardiglijk van hen weg, waarom zou manna gegeven worden aan hen, die er van walgen, en het licht brood noemen, of waarom zouden de voorrechten van het Evangelie opgedrongen worden aan hen, die ze afwijzen, en zeggen: Wij hebben geen deel aan David, hierin oordeelt gij uzelven des eeuwigen levens niet waardig. In zekeren zin moeten wij allen ons het eeuwige leven niet waardig achten, want er is niets in ons, en er wordt niets door ons gedaan, waardoor wij zeggen kunnen het te verdienen, en hiervan moeten wij ons bewust worden gemaakt. Maar de bedoeling hier is: "Gij laat blijken, dat gij niet geschikt zijt voor het eeuwige leven, gij werpt al uwe aanspraken en hoop weg, geeft uwe verwachting er van op, daar gij het niet wilt aannemen uit de handen van Hem, in wiens handen de Vader het gegeven heeft-krinete -spreekt gij dit vonnis uit over u zelven, en uit uwen mond zult gij geoordeeld worden. Gij wilt het niet ontvangen door Christus, door wie alleen het te verkrijgen is, zo zal dus uw oordeel zijn, gij zult het niet hebben."
3. Hierop gronden zij hun prediking van het Evangelie aan de onbesnedenen: "Daar gij het eeuwige leven niet wilt hebben, zoals het u aangeboden wordt, is onze weg nu duidelijk.
Ziet, wij keren ons tot de Heidenen. Indien de een niet wil, zal de ander wèl willen. Indien zij, die het eerst tot de bruiloft werden genodigd, niet willen komen, dan moeten wij van de wegen en heggen diegenen gaan uitnodigen, die wèl willen, want de bruiloft moet vervuld zijn met aanzittende gasten. Indien de naaste bloedverwant niet doen wil wat des naasten bloedverwants is, dan moet hij er zich niet over beklagen, dat een ander het wèl wil, Ruth 4:4.
4. Zij rechtvaardigen zich hierin door ene volmacht van God, vers 47. "Want alzo heeft ons de Heere geboden, de Heere Jezus heeft ons bevolen van Hem te getuigen eerst in Jeruzalem en Judea, en daarna, tot aan de uiterste einden der aarde, het Evangelie te prediken aan alle creaturen, alle volken te onderwijzen." Dit is overeenkomstig hetgeen voorzegd is in het Oude Testament, als de Messias, in het vooruitzicht van het ongeloof der Joden, gereed was te zeggen: Ik heb te vergeefs gearbeid, werd Hem, tot Zijne voldoening gezegd, dat, hoewel Israël zich niet laat verzamelen, Hij nochtans verheerlijkt zal worden, dat Zijn bloed niet te vergeefs gestort zal worden, noch Zijne verlossing te vergeefs zal zijn aangebracht, en Zijn Geest niet te vergeefs gezonden zal worden, want Ik heb U gesteld tot een licht der Heidenen, niet slechts U verwekt, maar U gesteld om een Licht der Heidenen te zijn, niet slechts een schijnend Licht voor een tijd, maar een blijvend Licht, gesteld tot een Licht, opdat Gij zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde." Christus is niet slechts de Zaligmaker, maar de Zaligheid, Hij is onze Gerechtigheid, ons Leven en onze Sterkte. Overal, waar Christus bestemd is om de Zaligheid te zijn, is Hij gesteld tot een Licht, Hij verlicht het verstand, en aldus redt Hij de ziel en maakt haar zalig. Hij is, en zal zijn, Licht en Zaligheid voor de Heidenen, tot aan de einden der aarde. Allen, tot welke natie ook behorende, zullen Hem welkom wezen uit alle natiën hebben sommigen van Hem gehoord, Romeinen 10:18, en alle natiën zullen ten laatste Zijn koninkrijk worden. Deze profetie is reeds ten dele vervuld in de oprichting van het koninkrijk van Christus in het eiland, dat wij bewonen hetwelk, als het ware, aan het einde der aarde is gelegen, in een hoek der wereld, en zij zal al meer en meer vervuld worden, als de tijd komt voor het ingaan van de volheid der Heidenen.
VII. De Heidenen hebben met blijdschap aangenomen wat de Joden met minachting van zich wierpen, vers 48, 49. Nooit ging een land verloren uit gebrek aan erfgenamen. Door den val der Joden is de zaligheid den Heidenen geworden, hun verwerping is de verzoening der wereld, en hun vermindering is de rijkdom der Heidenen, zoals de apostel aantoont in Romeinen 11:11, 12, 15. De Joden, de natuurlijke takken, werden afgebroken, en de Heidenen, die de takken waren van den wilden olijfboom, zijn toen in hun plaats ingeënt, vers 17, 19. Nu wordt ons hier gezegd hoe de Heidenen deze gelukkige verandering ten hun gunste hebben welkom geheten.
1. Zij hebben er de vertroosting van aangenomen: als nu de Heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich. Het was ene goede tijding voor hen, dat zij toegang konden hebben tot het verbond en de gemeenschap met God, door een duidelijker, korteren en beteren weg dan door zich te onderwerpen aan de ceremoniële wet, en door aanneming van den Joodsen Godsdienst, dat de middelmuur des afscheidsels verbroken was, en dat zij even welkom waren aan de voorrechten en weldaden van het koninkrijk van den Messias als de Joden zelven, en delen mochten in hun belofte, zonder te komen onder hun juk. Dit was inderdaad ene verkondiging van grote blijdschap aan al het volk. Dat de mogelijkheid der zaligheid voor ons geopend is, behoort ene reden van grote blijdschap voor ons te zijn, toen de Heidenen hoorden, dat hun de aanbieding der genade gedaan zou worden, dat hun het woord der genade gepredikt zou worden, en hun de middelen der genade zouden geschonken worden, waren zij verblijd, "Nu is er hoop voor ons," zeiden zij. Velen zuchten en treuren onder twijfelingen, of zij wel deel hebben aan Christus, maar de gouden scepter is hun toegereikt, en zij worden uitgenodigd, om er de spits van aan te raken.
2. Zij prezen God er voor, zij prezen het woord des Heeren, dat is: Christus (zoals sommigen het opvatten) het essentiële Woord, zij vatten een groten, diepen eerbied voor Hem op, en gaven uitdrukking aan de hoge gedachten, die zij van Hem koesterden. Of liever: het Evangelie, hoe meer zij er van wisten, hoe meer zij het bewonderden. O welk een licht, welk ene kracht, welk een schat brengt dit Evangelie met zich! Hoe voortreffelijk zijn deszelfs waarheden, deszelfs wetten, deszelfs beloften! Hoe ver overtreffen zij alle andere inzettingen! Hoe Goddelijk en hemels blijkt zijn oorsprong! Aldus prezen zij het woord des Heeren, en dat is het, dat Hij zelf boven Zijn gansen naam groot gemaakt heeft, Psalm 138:2 2) Zij prezen het woord des Heeren. a. Omdat nu de kennis er van verspreid werd, en niet tot de Joden alleen beperkt was. Het is de heerlijkheid van het woord des Heeren, dat, hoe verder het zich verspreidt, met hoe helderder glans het schittert, hetgeen toont, dat het niet is als het licht ener kaars, maar als dat van de zon, als zij uitgaat in hare kracht.
b. Omdat de kennis er van nu tot hen was gebracht. Diegenen spreken het best tot eer van het woord des Heeren, die spreken uit eigen ervaring, die zelven onder de macht er van zijn gekomen, en door de liefelijkheid er van vertroost zijn geworden.
3. Velen van hen werden niet slechts belijders van het Christelijk geloof, maar oprecht gehoorzaam aan het geloof: daar geloofden zo velen als er geordineerd, waren tot het eeuwige leven. Door Zijn Geest heeft God oprecht geloof gewerkt in hen, voor wie Hij in Zijn raad de zaligheid had bestemd en verordineerd, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid.
a. Diegenen geloofden, aan wie God genade schonk om te geloven, die Hij door ene stille, verborgene, doch machtige werking tot onderwerping heeft gebracht aan het Evangelie van Christus, gewillig heeft gemaakt ten dage Zijner heirkracht. Diegenen zijn tot Christus gekomen, die de Vader heeft getrokken, en voor wie de Geest de Evangelieroeping krachtig heeft gemaakt, er kracht van uitwerking aan heeft gegeven. Het wordt genoemd: het geloof der werking Gods, Colossenzen 2:12, en wordt gezegd gewrocht te zijn door dezelfde kracht, die Christus uit de doden heeft opgewekt, Efeze 1:19, 20.
b. God gaf deze genade om te geloven aan al diegenen onder hen, die geordineerd waren tot het eeuwige leven, (want die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen, Romeinen 8:30 ) of zo velen als er gezind en bereid waren voor het eeuwige leven, zo velen als in zorge of bekommernis waren omtrent hun eeuwigen staat en er naar streefden om zich van het eeuwige leven te verzekeren, geloofden in Christus, in wie God dat leven gelegd heeft, 1 Johannes 5:11, en die er de enige Weg toe is, en het was de genade Gods, die het in hen heeft gewrocht. Zo hebben al die gevankelijk weggevoerden-en dezen alleen-zich de weldaad van de proclamatie van Cyrus ten nutte gemaakt, wier geest God verwekte, dat zij optrokken om te bouwen het huis des Heeren, die te Jeruzalem woont, Ezra 1:5. Diegenen zullen er toe gebracht worden, om in Christus te geloven, die door Zijne genade geschikt zijn gemaakt voor het eeuwige leven, en al hun streven daarop richten.
4. Toen zij geloofden, deden zij alles wat zij konden, om de kennis van Christus en Zijn Evangelie onder hun naburen te verspreiden, vers 49). En het woord des Heeren werd door het gehele land uitgebreid. Toen het met zo grote blijdschap was aangenomen in de hoofdstad, heeft het zich weldra over alle delen des lands verbreid. Deze pas bekeerden waren bereid, om aan anderen mede te delen, hetgeen waarvan zij zelven zo vervuld waren. De Heere gaf te spreken en toen was der boodschappers van goede tijdingen ene grote heirschaar, Psalm 68:12. Zij, die zelven kennis aan Christus verkregen hebben, zullen doen wat zij kunnen, om anderen bekend met Hem te maken. Zij, die in grote en rijke steden wonen, en het Evangelie hebben ontvangen, moeten er zich niet meester van willen maken voor zich alleen, alsof het, evenals geleerdheid en filosofie, alleen bestemd was tot vermaak van het meer beschaafde deel van het mensdom, de hogere klasse, neen, zij moeten doen wat zij kunnen, om het te doen verkondigen op het land, onder het gewone deel des volks, de armen en ongeleerden, die even goed als zij zelven, zielen hebben, welke behouden en zalig gemaakt moeten worden.
VIII. Paulus en Barnabas, het zaad ener Christelijke kerk aldaar gezaaid hebbende, verlieten de plaats, om elders hetzelfde te gaan doen. Wij lezen niets van wonderen, die zij aldaar gewrocht hebben, om hun leer te bevestigen, en het volk van de waarheid er van te overtuigen, want hoewel God toenmaals van deze methode van overtuiging gewoonlijk gebruik heeft gemaakt, kon Hij toch, als het Hem behaagde, Zijn werk ook zonder haar doen, en geloof te werken door den onmiddellijken invloed van Zijn Geest, was zelf het grootste wonder voor hen. in wie het gewerkt werd. Maar het is wel waarschijnlijk, dat zij wonderen gedaan hebben, want wij bevinden, dat zij ze deden in de volgende plaats, waar zij aankwamen, Hoofdstuk 14:3. Nu wordt ons hier gezegd: 1 Hoe de ongelovige Joden de apostelen uit het land verdreven. Eerst keerden zij hun den rug toe, en daarna hebben zij de verzenen tegen hen verheven, vers 50. Zij verwekten vervolging tegen Paulus en Barnabas, spoorden het grauw aan om hen te vervolgen op hun wijze door hen te beledigen op straat, zij porden de magistraten aan om hen te vervolgen op hun wijze, door hen gevangen te zetten en te straffen. Als zij niet konden weerstaan de wijsheid en den Geest, door welken zij spraken, namen zij de toevlucht tot deze brutale, onmenselijke wijze van handelen, het laatste wapen van een hardnekkig ongeloof. Satan en zijne dienaren zijn het meest in woede ontstoken tegen de predikers van het Evangelie, als zij hen met voorspoed zien arbeiden, en daarom zullen zij dan vervolging tegen hen verwekken. Zo is het gewone lot geweest van de beste mensen in de wereld, te moeten lijden voor goed doen, vervolgd te worden in plaats van te worden bevorderd voor de goede diensten, die zij het mensdom hebben bewezen. Merk op:
a. Wat zij deden om hun last en moeite te veroorzaken: Zij maakten op de Godsdienstige en achtbare vrouwen, namen dezen tegen hen in. De Joden zelven konden niet veel invloed uitoefenen, maar zij wendden zich tot enige aanzienlijke vrouwen in de stad, die den Joodsen Godsdienst wel genegen waren, en proselieten waren van de poort, en daarom Godsdienstige vrouwen genoemd. Overeenkomstig den aard van hare sekse, waren deze vrouwen op haar manier zeer ijverig, en het was gemakkelijk om haar door leugenachtige verhalen en valse voorstellingen tegen het Evangelie van Christus in te nemen, alsof het allen Godsdienst wilde vernietigen, terwijl het in werkelijkheid den Godsdienst volmaakt. Het is goed achtbare vrouwen Godsdienstig te zien, wel gezind voor de aanbidding Gods, hoe minder zij in de wereld te doen hebben, hoe meer zij behoren te doen voor hare ziel, en hoe meer tijd zij behoren door te brengen in gemeenschapsoefening met God. Maar het is treurig, als zij onder schijn van ijver voor God, vijandschap koesteren tegen Christus, zoals dezen hier gedaan hebben. Hoe! vrouwen vervolgsters! Kunnen zij de tederheid en het mededogen verloochenen van hare sekse? Hoe! achtbare vrouwen! Kunnen zij aldus hare eer en achtbaarheid bezoedelen, zich onteren, door zo iets laags te doen! Maar wat nog het vreemdste is van alles: Godsdienstige vrouwen! Zullen zij Christus' dienstknechten doden, en denken, daarmee Gode een dienst te doen? Laten zij dus, die ijver hebben, wel toezien, dat het een ijver zij met verstand. Door deze Godsdienstige en achtbare vrouwen hebben zij ook de voornaamsten van de stad, de magistraten en de oversten, die de macht in handen hadden, tegen de apostelen ingenomen, en dezen lieten zich als werktuigen dezer kwaadwillige partij gebruiken, die zelven het koninkrijk der hemelen niet wilden ingaan, noch degenen, die ingaan zouden, lieten ingaan.
b. Hoe ver zij hierin gegaan zijn, zo ver, dat zij hen uitwierpen uit hun landpalen. Zij verbanden hen buiten hun rechtsgebied, zodat het niet door vreze maar door geweld was, dat zij uitgedreven werden. Dat was ene methode door de besturende voorzienigheid Gods gebruikt, om de eerste grondleggers der kerk te weerhouden van al te lang aan ene plaats te blijven, zo als Mattheus 10:23. Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de andere, opdat gij des te eerder de reis door de steden Israël's kunt eindigen. Dit was ook ene methode, door God gebruikt, om hen, die welgezind waren, nog warmer genegenheid voor de apostelen te doen opvatten, want het is natuurlijk voor ons om medelijden te hebben met hen, die vervolgd worden, en nog betere gedachten te koesteren van hen die lijden, als wij weten, dat zij onrechtvaardig lijden, en dan zijn wij ook des te meer bereid hen te helpen. De uitwerping van de apostelen uit hun landpalen, deed de mensen vragen, wat voor kwaad zij gedaan hadden, en wellicht heeft hun dit meer vrienden verwekt, dan wanneer zij oogluikend in hun landpalen waren toegelaten. 2. Hoe de apostelen de ongelovige Joden verlieten, en verwierpen, vers 51. Zij schudden het stof van hun voeten af tegen dezelve. Toen zij de stad uitgingen verrichtten zij deze plechtigheid voor de ogen van hen, die in de poort zaten, of toen zij buiten hun landpalen traden, deden zij het voor de ogen van hen, die gezonden waren, om hen het land te zien verlaten. Hiermede verklaarden zij, dat zij niets meer met hen van doen wilden hebben, niets van het hun wilden medenemen, daar zij niet het hun, maar hen gezocht hadden. Zij zijn stof, zo laten zij dan hun stof voor hen zelven houden, hun zal het niet aankleven. Zij drukten hun afschuw uit voor hun ongeloof, en gaven te kennen, dat, hoewel zij Joden waren van geboorte, in hun ogen toch niet beter waren dan Heidenen en onheiligen, omdat zij het Evangelie van Christus hadden verworpen. Evenals Joden en Heidenen, indien zij geloven, even welbehaaglijk zijn aan God en goede mensen, zo zijn zij ook, indien zij niet geloven, even verfoeilijk. Aldus hebben zij hen getrotseerd, en hun verachting uitgedrukt van hen en van hun boosaardigheid, die zij beschouwden als machteloos. Het was zo veel als tot hen te zeggen: "Doet het ergste wat in uwe macht is, wij vrezen u niet, wij weten wie wij dienen, en op wie wij ver trouwen." Aldus hebben zij een getuigenis achtergelaten, dat hun ene schone, oprechte aanbieding was gedaan van de genade des Evangelies, die in den dag des oordeels tegen hen zal getuigen. Dat stof zal bewijzen, dat de predikers van het Evangelie onder hen geweest zijn, maar door hen werden uitgeworpen. Christus had hun bevolen dit te doen, en om deze reden, Mattheus 10:14, Lukas 9:5. Nadat zij hen verlaten hadden, kwamen zij te Iconium, niet zo zeer om er veilig te zijn, als wel om er te arbeiden. 3. In welke gemoedsgesteldheid zij de pas bekeerden te Antiochië lieten, vers 52. Toen de discipelen zagen met welk een moed en blijmoedigheid Paulus en Barnabas niet alleen den smaad en de beledigingen verdroegen, die hun waren aangedaan, maar in weerwil hiervan hun' arbeid voortzetten, werden zij evenzo aangemoedigd en bezield. Zij waren blijmoedig. Men zou gedacht hebben, dat de discipelen, toen Paulus en Barnabas uitgeworpen werden, en het hun wellicht op straffe des doods verboden was terug te keren, vervuld zouden zijn van droefheid en vreze, niet anders verwachtende dan dat, zo de planters van het Christendom heengaan, de planting weldra te niet zou gaan, of wel, dat het nu hun beurt zou wezen om verbannen te worden, en voor hen zou dit harder en smartelijker wezen, omdat het hun land was. Maar neen, zij werden vervuld met blijdschap in Christus, zij waren er zo van verzekerd, dat Christus Zijn werk in hen, en onder hen zou voortzetten en voleinden, en dat Hij hen of voor benauwdheid en moeilijkheid zou bewaren, of er hen in zou ondersteunen, dat al hun vrees als verzwolgen werd in hun gelovige blijdschap. Zij waren ook zeer kloekmoedig, verwonderlijk bezield met ene heilige vastberadenheid om Christus te blijven aankleven, welke moeilijkheden zij hierbij ook zouden ontmoeten. Dit schijnt inzonderheid bedoeld te zijn met de uitdrukking: zij werden vervuld met den Heiligen Geest, want die uitdrukking wordt ook gebruikt ter aanduiding van Petrus' kloekmoedigheid, Hoofdstuk 4:8, en die van Stefanus, Hoofdstuk 7:55, en die van Paulus Hoofdstuk 13:9. Hoe meer wij de vertroostingen en bemoedigingen ervaren van de kracht der Godzaligheid, en hoe meer ons hart daarvan vervuld is, hoe beter wij bereid zijn om het hoofd te kunnen bieden aan de moeilijkheden, die wij op den weg der Godsvrucht zullen ontmoeten.