Handelingen 13:14-41
Perge in Pamfylië was ene plaats, inzonderheid vermaard wegens een tempel, die daar voor de godin Diana opgericht was, maar er wordt ons niets meegedeeld van hetgeen Paulus en Barnabas daar gedaan hebben, er wordt alleen gezegd, dat zij er kwamen, vers 13, en dat zij er van heengingen, vers 14. Maar in de geschiedenis van de reizen der apostelen, wordt, evenals in die van Christus, veel overgeslagen, dat der vermelding waard zou geweest zijn, omdat, indien alles geschreven was geworden, de wereld zelf de geschrevene boeken niet zou bevatten. Maar de volgende plaats, waar wij hen vinden, is een ander Antiochië, gezegd in Pisidië te zijn, om het te onderscheiden van het Antiochië in Syrië, van waar zij uitgezonden waren. Pisidië was ene provincie van Klein Azië, grenzende aan Pamfylië, dit Antiochië was er waarschijnlijk de hoofdstad van. Er woonden daar zeer vele Joden, en aan hen moest het Evangelie het eerst gepredikt worden, en in deze verzen hebben wij de leerrede, die Paulus voor hen heeft uitgesproken. Waarschijnlijk is zij in substantie wat de apostelen in alle plaatsen voor de Joden gepredikt hebben, want om met hen te handelen was het de gepaste manier om hun te tonen, dat het Nieuwe Testament, hetwelk zij hen wensten te doen geloven en aannemen, nauwkeurig overeenstemt met het Oude Testament, dat zij niet slechts geloofden, maar waarvoor zij ijverden. Wij hebben hier:
I. Het binnentreden van Paulus en Barnabas in ene Godsdienstige samenkomst der Joden te Antiochië, vers 14. Hoewel zij kortelings zo veel voorspoed gehad hebben in de bekering van een Romeinsen stadhouder, hebben zij toch, toen zij te Antiochië kwamen, niet naar den voornaamsten overheidspersoon gevraagd, en zijn hem niet het hof gaan maken: neen, zij hebben zich tot de Joden gewend, hetgeen wederom een bewijs is van hun genegenheid voor hen, en hun begeerte naar hun welvaren.
1. Zij namen hun dag der Godsverering waar, den sabbatdag, den Joodsen sabbat.
Den eersten dag der week namen zij waar onder elkaar, als den Christelijken sabbat, maar als zij met de Joden wilden samenkomen, dan moet het op den zevenden dag zijn, dien zij dus bij zulke gelegenheden, vooralsnog, hebben waargenomen. Want door den dood van Christus is de ceremoniële wet wel gestorven, maar het was in de puinhopen van Jeruzalem, dat zij begraven moest worden, en daarom was het, hoewel het zedelijke begrip van het vierde gebod geheel overgebracht was op den Christelijken sabbat, volstrekt niet ongepast om zich bij de Joden te voegen in hun heiliging van den sabbat.
2. Zij vergaderden met hen in hun plaats der Godsverering, in de synagoge. De sabbatdagen moeten geheiligd worden in plechtige samenkomsten, zij zijn voornamelijk ingesteld voor den openbaren eredienst, de sabbatdag is ene heilige samenroeping, en daarom moet er geen dienstwerk op gedaan worden. Paulus en Barnabas waren vreemdelingen, maar overal waar wij komen, moeten wij onderzoek doen naar de getrouwe aanbidders van God en ons met hen verenigen (gelijk deze apostelen hier gedaan hebben) als degenen, die gemeenschap willen onderhouden met alle heiligen. Hoewel zij vreemdelingen waren, werden zij toch toegelaten in de synagoge, en konden zij er neerzitten. Er behoort zorg voor gedragen te worden, dat in plaatsen van openbare Godsverering, plaats is voor vreemdelingen, zelfs voor de armsten, want van hen, van wie wij niets anders weten, weten wij toch dit, dat zij kostelijke zielen hebben en de Christelijke liefde gebiedt ons zorgzame belangstelling voor hen te koesteren. II. Hoe zij uitgenodigd werden om te prediken.
1. De gewone dienst van de synagoge was geëindigd, vers 15. De wet en de profeten waren gelezen, van ieder een gedeelte, dat voor dien dag bestemd was. Als wij bijeen komen om God te aanbidden, dan moeten wij dit doen, niet alleen door gebed en lofzegging, maar ook door het lezen en het horen van het woord Gods, daarmee geven wij Hem de ere Zijns naams, als onzen Heere en Wetgever.
2. Toen dit gedaan was, werd hun door de oversten der synagoge verzocht voor hen te prediken, vers 15. Zij zonden een bode tot hen met deze beleefde boodschap: Mannen, broeders, indien daar enig woord van vertroosting tot het volk in u is, zo spreekt. Het is waarschijnlijk, dat de oversten der synagoge hen hadden ontmoet, en reeds een onderhoud met hen hadden gehad, en zo zij al gene neiging hadden tot het Evangelie, hadden zij ten minste de nieuwsgierigheid om Paulus te horen prediken, en daarom gaven zij hem niet slechts verlof, maar verzochten hem om de gunst een woord der vertroosting tot het volk te spreken. Het blote lezen der Schrift in de openbare bijeenkomsten volstaat niet, de Schrift moet ook verklaard worden, en naar aanleiding der Schrift moeten woorden van vermaning en vertroosting tot het volk worden gesproken. Dit is het uitspreiden van het net en het volk te helpen om te doen wat nodig is om het woord nuttig voor hen te maken- dat is: het op zich zelven toe te passen. Zij, die het opzicht hebben in zulke vergaderingen en er gezag uitoefenen, behoren er voor te zorgen, dat er een woord van vermaning en vertroosting tot het volk worde gesproken, telkenmale als zij samenkomen. Zulk een woord van vermaning van een vreemden leraar, van wie men echter weet, dat hij een oprecht dienaar des Heeren is, kan soms van zeer krachtige uitwerking wezen. Paulus heeft waarschijnlijk dikwijls in de synagoge gepredikt, ook wanneer hij er niet door de oversten der synagogen toe werd uitgenodigd, want hij heeft dikwijls gesproken in veel strijds, 1 Thessalonicenzen 2:2. Maar dezen hier waren edeler en ruimer van hart dan oversten van de synagogen gewoonlijk waren.
III. De rede, die Paulus op verzoek van de oversten der synagoge in de synagoge heeft uitgesproken. Met blijdschap heeft hij gebruik gemaakt van de hem aangebodene gelegenheid, om Christus aan zijne volksgenoten, de Joden, te prediken. Hij heeft hun niet gezegd, dat hij een vreemdeling was, en dat het dus zijn werk niet was, en hij heeft tot zich zelven niet gezegd, dat hij kwaadwilligheid jegens zich kon opwekken door Christus te prediken onder de Joden, neen, hij stond op, als iemand, die bereid en besloten is te spreken, en wenkte met de. hand, om hen te bereiden en op te wekken tot horen. Hij wenkte met de hand, als een redenaar, niet slechts stilte en aandacht begerende, maar pogende ook genegenheid op te wekken, en te tonen, dat hij meende, wat hij ging zeggen. Het kan ook wezen, dat het verzoek tot hen gericht, om een woord van vertroosting te spreken tot het volk, niet naar den zin was van sommigen in de synagoge, die daarom gezind waren zich tegen de oversten te verzetten, en het niet wilden gedogen dat Paulus zou prediken, waardoor enig tumult ontstond, hetwelk Paulus door die handbeweging trachtte tot bedaren te brengen, waarmee hij tevens een bescheiden verzoek tot hen richtte om hem een geduldig en onpartijdig gehoor te verlenen: "Gij Israëlitische mannen, die Joden zijt van geboorte, en gij, die God vreest, die tot den Joodsen Godsdienst bekeerd zijt, hoort toe, schenkt mij uwe aandacht, want ik heb u iets te zeggen, dat uwen eeuwigen vrede raakt, en ik zou wensen het niet te vergeefs tot u te zeggen." Nu is deze voortreffelijke rede hier vermeld, om aan te tonen, dat zij, die het Evangelie predikten aan de Heidenen, dit niet gedaan hebben, voor en aleer zij hun uiterste pogingen hadden aangewend om de Joden te bewegen er het nut en voordeel van te ontvangen, en dat zij volstrekt geen vooroordeel hadden opgevat tegen de Joodse natie, noch enigerlei begeerte hadden, dat zij zouden omkomen, maar wel, dat zij zich zouden bekeren en leven. Alles wordt in deze rede aangeroerd, dat geschikt is, om het verstand der Joden te overtuigen, of hun genegenheid op te wekken, en hen te bewegen Christus als den beloofden Messias aan te nemen.
1. Hij erkent hen als het bevoorrechte volk van God, dat Hij in bijzondere betrekking tot zich heeft doen komen, en waarvoor Hij grote dingen gedaan had. De Joden van de verstrooiing, die in andere landen woonden, waren meer in gevaar om zich met de volken te vermengen, en waren daarom waarschijnlijk ijveriger voor het behoud van hun eigenaardigheid, het bijzondere, dat hen kenmerkte, dan zij, die in hun eigen land woonden, en daarom heeft Paulus ter hunner eer hier goede nota van genomen.
A. Dat de God der gehele aarde op zeer bijzondere wijze de God was van Zijn volk Israël, een God in verbond met hen, en dat Hij hun Zijne gedachten en Zijn wil heeft geopenbaard, zoals aan geen ander volk of natie, zodat zij hierdoor onderscheiden werden van, en geëerd werden boven, al hun naburen, daar zij door bijzondere wetten geregeerd werden, en hun bijzondere beloften gedaan waren.
B. Dat Hij hun vaderen had verkoren om Zijne vrienden te zijn, Abraham is de vriend van God genaamd geworden, om Zijne profeten te zijn, door wie Hij Zijne gedachten openbaarde aan Zijne kerk, en om de bewaarders te zijn van Zijn verbond met de kerk. Hij heeft hen hieraan herinnerd, om hen te doen weten, dat de reden, waarom God hen bevoorrecht heeft, hoewel zij het niet verdienden, was, dat Hij blijven wilde bij Zijne verkiezing van hun vaderen, Deuteronomium 7:7, 8. Zij waren beminden. zuiver en alleen, om der vaderen wil, Romeinen 11:28.
C. Dat Hij dat volk heeft verhoogd, hen grotelijks heeft geëerd, hen tot een volk gemaakt heeft, hen uit het niet heeft opgeheven, toen zij vreemdelingen waren in het land van Egypte, en er in hen niets was, dat hen in Gods gunst kon aanbevelen. Zij moeten dit gedenken, en er uit afleiden, dat God hun niets verschuldigd was, want het was ex mero motu -vanwege Zijn eigen welbehagen, en niet uit overweging van enigerlei verdienste van hen, dat hun de Goddelijke gunst was geschonken, die Hij daarom ook, naar Zijn welbehagen herroepen kan, en God doet hun geen onrecht, als Hij ten laatste de omtuining wegneemt, van het bijzondere, dat hen van andere volken onderscheidt. Maar zij waren Zijne schuldenaars, en zij zijn gehouden en verplicht om de verdere ontdekkingen, die Hij hun doen zal van Zijn' wil, aan te nemen, en hen, die Hij tot Zijne kerk nog zou toevoegen, toe te laten.
D. Dat Hij hen met een hogen arm uitgeleid heeft uit Egypte, waar zij niet slechts vreemdelingen, maar gevangenen waren, hen had verlost door zeer vele wonderen, wonderen van genade jegens hen, en van oordelen over hun verdrukkers, door tekenen en wonderen, Deuteronomium 4:34, en ten koste van zeer vele levens, al de eerstgeborenen uit Egypte, Farao en zijn heir, in de Rode Zee. Ik heb Egypte gegeven tot uw losgeld, Ik heb mensen in uw plaats gegeven, Jesaja 43:3, 4.
E. Dat Hij veertig jaren lang hun zeden had verdragen in de woestijn, vers 18. Etropophorêsen. Sommigen denken, dat het gelezen moet worden als etrophophorêsen Hij heeft hen opgevoed, omdat dit het woord is, dat in de Septuaginta gebruikt wordt voor de vaderlijke zorg, die God heeft gedragen voor Zijn volk, Deuteronomium 1:31. Beide betekenissen kunnen er in opgesloten zijn, want, a. God heeft zeer veel voorziening voor hen getroffen gedurende die veertig jaren in de woestijn: wonderen waren hun dagelijks brood, en bewaarden hen voor den hongerdood, hun heeft niets ontbroken.
b. Hij heeft zeer veel geduld met hen geoefend, zij waren een tergend, murmurerend, ongelovig volk, en toch verdroeg Hij hen, en liet op het gebed van Mozes Zijn toorn menigmaal afwenden. Wij moeten erkennen, dat God, zo vele jaren als wij in deze wereld geleefd hebben, een tedere Vader voor ons is geweest, dat Hij in onze behoeften heeft voorzien, dat Hij ons gevoed heeft van dat wij waren, tot op dezen dag, ons een genadig, vergevend God is geweest, (gelijk Hij het voor Israël was, Nehemia 9:17). Wij hebben Zijn geduld op de proef gesteld, maar het toch niet uitgeput. Laten de Joden niet al te zeer blijven staan bij hun voorrechten als een bijzonder volk, want zij hebben die voorrechten duizend maal verbeurd.
F. Dat Hij hen in het bezit heeft gesteld van het land Kanaän, vers 19. Toen Hij zeven volkeren had uitgeroeid in het land Kanaän, die veroordeeld waren om uitgeroeid te worden, ten einde plaats te maken voor hen, heeft Hij hun door het lot het land derzelven uitgedeeld, en er hen in het bezit van gesteld. Dit was ene uitnemende gunst van God aan hen betoond, en hij erkent, dat hun hiermede ene grote eer was aangedaan, die hij niet in het minst wilde verkleinen.
G. Dat Hij hun mannen had verwekt, die bezield door Gods Geest, hen verlost hebben uit de handen van hen, die inbreuk hebben gemaakt op hun rechten, en hen hebben verdrukt, nadat zij in Kanaän gevestigd waren, vers 20, 21.
a. Hij gaf hun rechters, mannen, bevoegd en bekwaam tot den openbaren dienst, en door een onmiddellijke drang in hun gemoed, er toe geroepen, pro re nata -naar dat de omstandigheid het vereiste. Hoewel zij een weerstrevend volk waren, en nooit in dienstbaarheid zijn gekomen, of zij hadden het over zich gebracht door hun zonde, werd hun toch, op hun gebed, een verlosser verwekt. De critici vinden enige moeilijkheid in het berekenen van deze vier honderd en vijftig jaren. Van de verlossing uit Egypte tot aan David's uitdrijven van de Jebusieten uit de sterkte van Zion, die de uitwerping der Heidense volken voltooide, waren vier honderd en vijftig jaren, en gedurende het meeste van dien tijd waren zij onder richteren. Anderen beschouwen het aldus: De regering van de richteren, van den dood van Jozua tot aan den dood van Eli, duurde juist drie honderd negen en dertig jaren, maar het wordt gezegd te zijn: oos, als het ware, vier honderd en vijftig jaren, omdat de jaren van hun dienstbaarheid aan de onderscheidene natiën, die hen verdrukten, hoewel in werkelijkheid tot de jaren der richteren behorende, toch in de geschiedenis vermeld worden als daarvan onderscheiden. Die allen te zamen maken honderd en elf jaren, telt men die nu op bij de drie honderd negen en dertig, dan komt men tot het juiste getal van vier honderd en vijftig, als zo velen, hoewel niet in werkelijkheid zo velen.
b. Hij regeerde hen door een profeet, Samuël, een man, door God bezield en geleid, om het bestier over hun zaken te hebben.
c. Daarna heeft Hij, op hun verzoek, een koning over hen gesteld, vers 21, Saul, den zoon van Kis. Samuëls regering en de zijne duurden veertig jaren. die ene soort van overgang waren van de theocratie tot de koninklijke regering. d. Eindelijk heeft Hij hun David tot een koning verwekt, vers 22. Nadat God Saul had afgezet wegens zijn wanbestuur, heeft Hij hun David tot een koning verwekt, en een verbond met hem gesloten en met zijn zaad. Toen Hij een koning had afgezet, heeft Hij hen niet als schapen zonder herder laten blijven, maar hun spoedig een anderen koning verwekt, hem opgeheven uit geringen staat, hem hoog opgericht, 2 Samuël 23:1. Hij spreekt van het getuigenis, dat God hem gegeven heeft. Ten eerste. Dat hij door God verkoren werd. Ik heb David, Mijn knecht, gevonden, Psalm 89:21. God zelf had Zijne keuze op hem gevestigd. In vinden ligt zoeken opgesloten, alsof God alle huisgezinnen of geslachten van Israël doorzocht had, om een man te vinden, die geschikt was voor zijn doel, en hij was het. Ten tweede. Dat hij een man was naar Gods hart, hij is een man zoals Ik hem begeer, een man, in wie Gods beeld is ingedrukt, en daarom een man, in wie God een welbehagen heeft. Dit getuigenis werd van hem gegeven eer hij gezalfd was, 1 Samuël 13:14. De Heere heeft zich een' man gezocht naar Zijn hart, zulk een als Hij begeerde te hebben. Ten derde. Hij is een man, die in zijn gedrag en wandel door God geleid wordt, hij zal al Mijn wil doen. Hij zal begeren en er naar streven den wil van God te doen, en hij zal daartoe bekwaam worden gemaakt. Dit alles schijnt aan te tonen, niet slechts de bijzondere gunst van God jegens het volk van Israël (de apostel wil hen zeer gaarne verplichten door dit te erkennen) maar ook de verdere gunsten van een anderen aard, die Hij voor hen bestemde, en die hun nu door de prediking des Evangelies aangeboden werden. Hun bevrijding uit Egypte en hun vestiging in Kanaän waren voorbeelden en afschaduwingen der toekomende goederen, de veranderingen in hun regering toonde, dat zij geen ding heeft volmaakt, en dus plaats moest maken voor het geestelijk koninkrijk van den Messias, dat nu opgericht werd, en dat, indien zij het willen erkennen, en er zich aan willen onderwerpen, de heerlijkheid zijn zal van het volk Israël. Daarom behoeven zij volstrekt niet naijverig te zijn op de prediking van het Evangelie, alsof zij ook maar in het minst zou strekken ten nadele van de ware voortreffelijkheid der Joodse kerk.
2. Hij geeft hun een volledig bericht omtrent onzen Heere Jezus, van David overgaande op den Zoon van David, en hij toont aan, dat deze Jezus zijn beloofd Zaad is, vers 23. Van diens zaad, van dezen wortel van Jesse, van dien man naar Gods hart, heeft God Israël, naar de belofte verwekt den Zaligmaker Jezus, die zaligheid draagt in Zijn naam. Hoe welkom moest den Joden de prediking wezen van het Evangelie! hoe behoorden zij het te ontvangen als alle aanneming waardig, als het hun de tijding bracht:
a. Van een Zaligmaker, om hen, evenals de richteren van ouds, die daarom redders, of verlossers genoemd werden, te verlossen uit de handen hunner vijanden, maar deze is een Verlosser, een Zaligmaker, die voor hen zal doen, wat dezen, naar hetgeen blijkt uit de geschiedenis, niet konden doen-nl. hen verlossen of zalig maken van hun zonden, hun grootste, hun ergste vijanden.
b. Een Zaligmaker door God verwekt, die Zijne opdracht heeft van den hemel.
c. Hij is verwekt om Israël een Zaligmaker te zijn, hun in de eerste plaats. Hij was gezonden om hen te zegenen, zo verre was het van het Evangelie om Israël te verwerpen, dat het juist bedoelde hen te vergaderen!
d. Verwekt uit het zaad van David, dat oude, koninklijke geslacht, waarop het volk van Israël zo roemde, en dat toen, tot grote schande van geheel de natie, in vergetelheid was begraven. Het behoorde ene grote voldoening voor hen te zijn, dat God hun dezen hoorn der zaligheid heeft opgericht in het huis van David, Zijn knecht, Lukas 1:69.
e. Verwekt naar Zijne belofte, de belofte aan David, Psalm 132:11, de belofte aan de Oud- Testamentische kerk in hare laatste dagen: Ik zal David ene rechtvaardige SPRUITE verwekken, Jeremia 23:5. Deze belofte was het, tot dewelke de twaalf geslachten verhoopten te komen, Hoofdstuk 26:7. Waarom bleven zij er dan koel voor, nu het hun gebracht is? Betreffende dezen Jezus nu zegt hij hun:
A. Dat Johannes de Doper Zijn voorloper was, deze merkwaardige man, dien allen erkenden een profeet te zijn. Laten zij niet zeggen, dat de komst van den Messias onverwacht voor hen was, en dat zij daarom te verontschuldigen zijn, zo zij tijd wensen te hebben om te overwegen, of zij Hem al of niet zullen aannemen, want zij zijn genoegzaam gewaarschuwd door Johannes, die voor Zijne aankomst gepredikt had, vers 24. Hij heeft twee dingen gedaan.
Ten eerste. Hij bereidde den weg voor Hem door zijne prediking van den doop der bekering, niet voor enkele uitgelezene discipelen, maar voor al den volke Israël's. Hij wees hen op hun zonden, waarschuwde hen voor den toekomenden toorn. riep hen tot bekering, wekte hen op om vruchten voort te brengen der bekering waardig, en hen, die daartoe bereid waren, verbond hij hiertoe door het plechtige teken des doops, en hierdoor heeft hij den Heere Jezus een toegerust volk bereid, aan hetwelk, nadat het aldus er toe gebracht werd zich zelven te kennen, Zijne genade welkom zal wezen.
Ten tweede. Hij heeft Zijne nadering aangekondigd, vers 25. Als Johannes den loop vervulde, als hij krachtiglijk voortging met zijn werk en er wonderbaarlijk voorspoedig in was, en invloed had verkregen, zei hij tot hen, die zijne prediking hoorden: "Wie meent gijlieden, dat ik ben? Welke denkbeelden koestert gijlieden van m ij, wat zijn uwe verwachtingen van mij? Gij denkt wellicht, dat ik de Messias ben, dien gij verwacht, maar gij dwaalt, ik ben de Christus niet -zie Johannes 1:20 - maar Hij staat aan de deur, zie, Hij komt na mij, die in alle opzichten zo ver boven mij staat, dat ik niet waardig ben gebruikt te worden ook zelfs voor de geringste diensten aan Zijn Persoon, zelfs niet om Hem te helpen Zijne schoenen aan of uit te doen, wie ik niet waardig ben de schoenen Zijner voeten te ontbinden, en gij kunt vermoeden wie dat wezen moet."
B. Dat de oversten en het volk der Joden, die Hem welkom hadden moeten heten, en Zijne gewillige, ijverige, getrouwe onderdanen hadden behoren te wezen, Zijne vervolgers en moordenaars zijn geweest. Als de apostelen Christus prediken als den Zaligmaker, is het zo verre van hen om Zijn smadelijken dood te willen verbergen, of er een sluier over te werpen, dat zij altijd Christus prediken, en dien gekruisigd, ja, en (hoewel dit zeer veel smaadheid toevoegde aan Zijn lijden) gekruisigd door Zijn eigen volk, door hen, die te Jeruzalem wonen, in de heilige stad, de koninklijke stad, en hun oversten, vers 27.
Ten eerste. Hun zonde bestond hierin, dat zij, hoewel gene oorzaak des doods vindende in Hem, geen bewijs hadden, dat Hij ene misdaad begaan had, ja zij hadden zelfs geen schijn van reden om Hem van ene misdaad te verdenken (de rechter, die Hem ondervroeg, verklaarde zelf, nadat hij alles gehoord had wat zij tegen Hem hadden in te brengen, dat hij gene schuld in Hem vond) toch van Pilatus begeerd hebben, dat Hij zou gedood worden, vers 28. En zij hebben op hun eisen tegen Christus met zo veel woede en geweld aangedrongen, dat zij Pilatus dwongen Hem te kruisigen, niet slechts tegen zijn eigen zin en neiging, maar tegen zijn geweten. Zij veroordeelden Hem tot zo groot een dood, hoewel zij Hem niet van de geringste zonde konden overtuigen. Paulus heeft niet, evenals Petrus, zijnen hoorders dit ten laste kunnen leggen, Hoofdstuk 2:23 :Gij hebt Hem door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood, want dezen, hoewel Joden, waren ver weg, maar hij legt het den Joden te Jeruzalem en den oversten ten laste, om te tonen hoe weinig reden de Joden van de verstrooiing hadden om zo naijverig te zijn op de eer van hun natie, als zij waren, nu zij zulk een last van zonde op zich hadden geladen, en hoe rechtvaardiglijk zij afgesneden hadden kunnen worden van al den zegen, door den Messias aangebracht, zij, die Hem zo hadden mishandeld, en dat zij dit toch niet waren, maar dat niettegenstaande dit alles de prediking van Zijn Evangelie moet beginnen van Jeruzalem.
Ten tweede. De reden hiervan was, dat zij Hem niet gekend hebben, vers 27. Zij wisten niet wie Hij was, noch met welk doel Hij in de wereld was gekomen, want indien zij Hem gekend hadden, zij zouden den Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebben. Christus heeft dit erkend ter verzachting van hun misdaad: Zij weten niet wat zij doen, en dat heeft ook Petrus erkend: Ik weet, dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, Hoofdstuk 3:17. Het was ook omdat zij de stem niet kenden van de profeten, hoewel zij ze elke sabbatdag hoorden lezen. Zij hebben niet begrepen en er niet aan gedacht, dat het voorzegd was, dat de Messias zou lijden, want anders zouden zij nooit de werktuigen zijn geweest van Zijn lijden. Velen, die de profeten lezen, kennen de stem niet van de profeten, verstaan de betekenis niet van de Schriften. Zij hebben het geklank van het Evangelie in hun oren, maar de betekenis er van niet in hun hoofd, noch den geur er van in hun hart. En daarom kennen de mensen Christus niet, en slaan zij geen acht op Hem, wijl zij de stem der profeten niet kennen, die te voren van Christus getuigd hebben. Ten derde. God bestuurde hen ter vervulling van de profetieën van het Oude-Testament.
Omdat zij de stem niet kenden van de profeten, die hen waarschuwde om Gods Gezalfde niet aan te tasten, vervulden zij ze in Hem te veroordelen, want aldus was er geschreven, dat de Messias, de Vorst uitgeroeid zal worden, maar dat het niet voor Hem zelven zijn zal. Het is mogelijk, dat mensen profetieën der Schrift vervullen, zelfs als zij wetten of voorschriften der Schriften verbreken, inzonderheid in de vervolging der kerk, zoals in de vervolging van Christus. En dit rechtvaardigt de reden, die soms gegeven wordt voor het duistere van de profetieën der Schrift, dat, indien zij te duidelijk en klaarblijkelijk waren, dan zou de vervulling er van voorkomen worden. Zo zegt Paulus hier: Omdat zij Hem niet kenden noch de stemmen der profeten,.. hebben zij ze vervuld waarin ligt opgesloten, dat zij, indien zij ze wèl hadden verstaan, ze niet vervuld zouden hebben.
Ten vierde. Alles wat betreffende het lijden van den Messias voorzegd was, was vervuld in Christus, vers 29. Als zij alles volbracht hadden wat van Hem geschreven was, -tot het Hem te drinken geven van edik in Zijn' dorst toe, toen hebben zij vervuld wat van Hem voorzegd was betreffende Zijne begrafenis-namen zij Hem af van het hout en legden Hem in het graf. Hiervan wordt hier nota genomen, als hetgeen waardoor Zijne opstanding des te treffender en heerlijker werd. Christus werd afgezonderd van deze wereld, zoals zij, die begraven worden, niets meer met deze wereld van doen hebben, noch deze wereld met hen. En daarom wordt onze algehele afscheiding van de zonde voorgesteld door ons begraven zijn met Christus. En een goed Christen zal gaarne met Christus levend begraven willen zijn. Zij legden Hem in een graf, en dachten, dat zij Hem nu in wel verzekerde bewaring hadden. C. Dat Hij opgestaan is van de doden, en gene verderfenis heeft gezien. Dat was de grote waarheid, die gepredikt moet worden, want het is de voornaamste grondzuil, waarop geheel het gebouw van het Evangelie rust, daarom blijft hij hier lang bij stilstaan, en toont aan: Ten eerste. Dat Hij wettig en naar den wil van God is opgestaan. Toen Hij om onze schuld in het graf gevangen was, is Hij uit deze gevangenis niet uitgebroken, neen! Hij is er wettelijk uit ontslagen, vers 30. God heeft Hem uit de doden opgewekt. Hij heeft een' engel gezonden om den steen af te wentelen van de deur der gevangenis, heeft den geest in Hem terug doen keren, dien Hij bij Zijn sterven in de handen Zijns Vaders, had overgegeven en Hem levend gemaakt door den Heiligen Geest. Zijne vijanden legden Hem in een graf met het doel, dat Hij daar altijd in zou neerliggen: maar God zei: Neen, en het zou spoedig gezien worden, wiens woord, het Zijne of het hun, stand zou houden.
Ten tweede: Dat er voldoende bewijzen waren van Zijne opstanding, vers 31. Hij is gezien geweest vele dagen lang, in onderscheidene plaatsen, bij verschillende gelegenheden, door hen, die op het innigst met Hem vertrouwd waren, want zij waren met Hem opgekomen van Galilea naar Jeruzalem, zij zijn Zijne voortdurende metgezellen geweest, en zij zijn Zijne getuigen bij het volk. Zij waren verordineerd om dit te zijn, hebben het menigmaal betuigd, en zijn bereid om er van te getuigen, al zouden zij ook deswege moeten sterven. Paulus spreekt er niet van, dat hij zelf Hem gezien heeft (hij maakt hier melding van in 1 Corinthiërs 15:8) omdat het in een visioen was, dat meer overtuigend was voor hem zelven, dan het wezen kon, als het voor anderen wordt bijgebracht.
Ten derde. Dat de opstanding van Christus de vervulling was van de belofte, gedaan aan de vaderen, het was niet alleen ene ware tijding, maar ene goede tijding: "door u dit te verkondigen, verkondigen wij u grote blijdschap, vers 32, 33, ene goede tijding, die u, Joden, zeer bijzonder welkom en welgevallig moet wezen. Zo verre is het van ons, dat wij een blaam op u zouden willen werpen, of u enigerlei onrecht zouden willen aandoen, dat de leer, die wij prediken, zo gij haar slechts goed ontvangt en haar begrijpt, u de grootst mogelijke ere en voldoening brengt, want het is in de opstanding van Christus, dat de belofte, die tot de vaderen geschied is, aan u vervuld is." Hij erkent, dat het de waardigheid is van de Joodse natie, dat harer de beloftenissen zijn, Romeinen 9:4, dat zij de erfgenamen waren der belofte, daar zij de kinderen waren van de patriarchen, aan wie de beloften het eerst gedaan zijn. De grote belofte van het Oude Testament is die van den Messias, in wie al de geslachten der aarde gezegend zullen worden, en niet slechts het geslacht van Abraham, hoewel het de bijzondere ere was van dat geslacht, dat Hij uit hen verwekt zou worden, maar het zou toch de zegen, de weldaad zijn voor alle geslachten, dat Hij hun verwekt zal worden. God heeft Jezus opgewekt en Hem verhoogd, Hem wederom opgewekt, zoals wij dit lezen, in de betekenis van: opgewekt van de doden. Wij kunnen beide betekenissen aannemen. God heeft Jezus opgewekt, of verwekt, om een Profeet te zijn, bij Zijn' doop, om een Priester te zijn om verzoening te doen, bij Zijn dood, en om een Koning te zijn om te heersen over allen, bij Zijne hemelvaart. En Zijne opwekking van Hem van de doden was de bevestiging en bekrachtiging van al deze ambten, en het bewijs, dat Hij er door God in gesteld was. Dit is de vervulling van de beloften, gedaan aan de vaderen, de belofte van den Messias te zenden, en van al deze weldaden en zegeningen, die met Hem en door Hem verkregen zijn. "Deze is het, die komen zou, en in Hem hebt gij alles wat God beloofd heeft in den Messias, hoewel niet alles, wat gij u zelven hebt beloofd." Paulus rekent zich met de Joden, aan wie de belofte vervuld was,.aan ons, hun kinderen. Indien nu zij, die het Evangelie predikten, hun deze blijde boodschap verkondigden, dan behoorden zij, in plaats van op hen te zien als op de vijanden hunner natie, hen te ontvangen als hun beste vrienden, en hun leer van harte aan te nemen, want, indien zij zoveel prijs stelden op de belofte, en zich zelven, naar die belofte, zo hoog schatten, hoeveel te meer moesten zij dan niet prijs stellen op de vervulling. En de prediking van het Evangelie aan de Heidenen, dat zulk ene grief was voor de Joden, was er zover af van inbreuk te maken op de belofte aan hen gedaan, dat de belofte zelf, dat al de geslachten der aarde in den Messias gezegend zouden worden, op gene andere wijze vervuld kon worden.
Ten vierde. Dat in de opstanding van Christus het grote bewijs was gelegen, dat Hij de Zoon van God is, en dat er door bevestigd wordt wat in den tweeden psalm geschreven is, (zo oud is de orde, waarin de psalmen nu nog geplaatst zijn,) Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd. Dat de opstanding van Christus bestemd was om dit bewijzen, blijkt duidelijk uit hetgeen de apostel zegt, Romeinen 1:4 :Hij is krachtelijk bewezen te zijn de Zoon van God door de opstanding van de doden. Toen Hij het eerst uit afzondering en onbekendheid te voorschijn trad, heeft God door ene stem van den hemel nopens Hem verklaard: Deze is Mijn geliefde Zoon, Mattheus 3:17, hetgeen ene duidelijke verwijzing is naar die verklaring in den tweeden psalm: Gij zijt Mijn Zoon. Een overvloed van waarheid is neergelegd in deze woorden, dat deze Jezus van voor de grondlegging der wereld gegenereerd was door den Vader, het afschijnsel was Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, zoals de zoon het is van den vader, dat Hij de Logos was, de eeuwige Gedachte van den eeuwigen Geest, of het eeuwige Verstand, dat Hij door de kracht van den Heiligen Geest ontvangen is in den schoot der maagd, want ook in dat opzicht, is dat Heilige Gods Zoon genaamd, Lukas 1:35, dat Hij Gods Agent was in de schepping en de regering der wereld, en in haar te verlossen en met Hem te verzoenen, en getrouw was als de Zoon over Zijn eigen huis, en als zodanig Erfgenaam van alles was. Dit alles nu, dat verkondigd werd bij Christus' doop, en daarna bij Zijne verheerlijking op den berg, is onloochenbaar bewezen door Zijne opstanding. Het raadsbesluit zo lang te voren bekend gemaakt, was toen bevestigd, en de reden, waarom het onmogelijk was, dat Hij door de banden des doods gehouden kon worden, was, omdat Hij de Zoon van God is, en bijgevolg leven had in zich zelven, dat Hij niet kon afleggen, dan met de bedoeling het wederom te nemen. Als er van Zijne eeuwige generatie gesproken wordt, is het niet onjuist te zeggen: Heden heb Ik U gegenereerd, want van eeuwigheid tot eeuwigheid is bij God, als het ware, een en dezelfde eeuwige dag. Maar het kan ook, in ondergeschikten zin, toegepast worden op Zijne opstanding: "Heden heb Ik doen blijken, dat Ik U gegenereerd heb, en heden heb Ik allen gegenereerd, die U gegeven zijn", want er is gezegd, 1 Petrus 1:3, dat de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, als onzen God en Vader, ons heeft wedergeboren, tot ene levende hoop door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Ten vijfde. Dat Zijn opgewekt worden ten derden dage, zodat Hij geen verderf heeft gezien, en tot een hemels leven, zodat Hij niet meer terugkeerde tot verderfelijkheid, tot den toestand der doden, zoals anderen, die tot het leven waren teruggeroepen, nog verder bevestigt, dat Hij de beloofde Messias is.
1. Hij is opgestaan, om niet meer te sterven, aldus is het uitgedrukt in Romeinen 6:9. En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, alzo dat Hij niet meer tot verderving zal keren, dat is: tot het graf, dat verderf genoemd wordt, Job 17:14 1). Lazarus is uit het graf gekomen met zijne grafklederen aan, omdat hij ze weer nodig zal hebben, maar wijl Christus ze niet meer nodig zal hebben, heeft Hij ze achter gelaten. Nu was dit de vervulling der Schrift, Jesaja 55:3. Ik zal u geven de gewisse weldadigheden David's, ta hosia Dabid ta pista -de heilige dingen van David, de getrouwe dingen, want in de belofte, gedaan aan David, en in hem aan Christus, wordt grote nadruk gelegd op de getrouwheid Gods, Psalm 89:2, 3, 6, 25, 34, en op den eed Gods, dien Hij gezworen heeft bij Zijne heiligheid, vers 36. Dit nu maakt ze inderdaad tot gewisse weldadigheden, dat Hij, aan wie de uitdeling er van is toevertrouwd, opgestaan is uit de doden, om niet meer te sterven, zodat Hij eeuwig leeft om Zijn wil te zien volvoeren, en de zegeningen, die Hij voor ons verkregen heeft, ons te zien geschonken. Indien Christus gestorven, en niet opgestaan was, of indien Hij was opgestaan om wederom te sterven, dan zouden wij die gewisse weldadigheden niet hebben verkregen, of wij zouden er ten minste niet zeker van zijn geweest.
2. Hij. is zo spoedig na Zijn dood weer opgestaan, opdat Zijn lichaam gene verderving zou zien, want het is niet voor den derden dag, dat het lichaam begint te veranderen. Dit nu was beloofd aan David, het was een der gewisse weldadigheden David's, want het is tot hem gezegd in Psalm 16:10. Gij zult Uwen heilige niet overgeven om verderving te zien, vers 35. God had aan David beloofd, dat Hij uit zijn zaad den Messias zou verwekken, die dus Mens zou wezen, maar dat Hij niet als andere mensen verderving zou zien. Die belofte kon niet in David vervuld worden, maar zag op Christus. Zij kon niet vervuld worden in David zelven, vers 36, want David, als hij in zijn tijd den raad Gods gediend had, is door den wil van God , die hem had opgeheven tot hetgeen hij was, ontslapen, en is bij zijne vaderen gelegd, en heeft wèl verderving gezien. Hier hebben wij een kort bericht van het leven, den dood en de begrafenis van den patriarch David, en zijn blijven onder de macht des doods.
a. Zijn leven, hij heeft door den wil Gods zijn eigen geslacht gediend eer hij ontslapen is. David was een nuttig, goed man, hij heeft door den wil Gods goed gedaan in de wereld, hij heeft zich Gods geboden ten regel gesteld, hij heeft zijn eigen geslacht gediend, zo, of op zulk ene wijze, dat hij er God in diende, hij heeft de mensen zo gediend en behaagd, dat alles, zoals de koning gedaan had, goed was in de ogen des gansen volks, 2 Samuël 3:36, terwijl hij toch de getrouwe dienstknecht Gods bleef, zie Galaten 1:10. Hij diende het goede der mensen, maar niet den wil der mensen. Of wel: door den wil van Gods voorzienigheid, die het aldus verordineerd had, hem geroepen en bekwaam gemaakt had tot een openbaar ambt, heeft hij zijn eigen geslacht gediend, want ieder schepsel is datgene voor ons hetwelk door God daartoe gemaakt wordt. David was een grote zegen voor den tijd, waarin hij leefde, hij was de dienaar van zijn geslacht, of tijd, velen zijn de vloek, de plaag en de last van hun geslacht en tijd. Zelfs zij, die zích in onaanzienlijker kring en omstandigheden bevinden, moeten bedenken, dat zij moeten leven om hun geslacht te dienen, en zij, die goed willen doen in de wereld, moeten zich allen dienstbaar maken, 1 Corinthiërs 9:19. Wij zijn niet voor ons zelven geboren, maar zijn leden ener gemeenschap, welke wij ons moeten beijveren te dienen. Maar hier is het verschil tussen David en Christus: David moest alleen zijn eigen geslacht dienen, het geslacht, in het midden waarvan hij leefde, en daarom is hij, na gedaan te hebben wat hij te doen had, en geschreven te hebben, wat hij te schrijven had, gestorven, en in het graf gebleven. Maar Christus moest (niet zoals David door zijne geschriften, of in de geschiedenis vermelde woorden alleen, maar door zijne persoonlijke werking) alle geslachten dienen, Hij moet eeuwig leven om over het huis Jakobs te heersen, niet zoals David, gedurende veertig jaren, maar door alle tijden, zolang de zon en de maan zullen zijn, Psalm 89:37, 38. Zijn troon moet wezen als de dagen der hemelen, Psalm 89:30, en alle geslachten moeten in Hem. gezegend worden, Psalm 72:17.
b. Zijn dood: hij is ontslapen. De dood is een slaap, ene kalme rust voor hen, die, terwijl zij leefden, gearbeid hebben in den dienst van God en hun geslacht. Merk op: hij is niet ontslapen voor hij zijn geslacht had gediend, voor hij het werk gedaan had, waarvoor God hem had verwekt. Aan Gods dienstknechten is hun werk aangewezen, en wanneer zij het volbracht hebben, als een dagloner zijn dagwerk, dan, en niet eerder, worden zij geroepen, om in te gaan tot hun rust. Gods getuigen sterven nooit voor zij hun getuigenis voleindigd hebben, en dan zal de slaap, de rust, des arbeiders zoet zijn. Aan David was het niet vergund den tempel te bouwen, toen hij er dus de toebereidselen voor gemaakt had, hetgeen de voor hem bestemde dienst was, ontsliep hij, en heeft het werk voor Salomo gelaten.
c. Zijne begrafenis: hij is bij zijne vaderen gelegd. Hoewel hij in de stad David's begraven werd, 1 Koningen 2:10, en niet in het graf van Jesse, zijn vader, te Bethlehem, kan hij toch gezegd worden bij zijne vaderen gelegd te zijn, want het graf, in het algemeen, is de woonstede onzer vaderen, van hen, die ons voor zijn gegaan, Psalm 49:20. d. Zijn blijven in het graf, hij heeft wèl verderving gezien. Wij zijn er zeker van, dat hij niet weer opgestaan is, hier legt Petrus den nadruk op, als hij vrijuit spreekt van den patriarch David, Hoofdstuk 2:29. Hij is beide gestorven en begraven, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag. Hij heeft verderving gezien, en daarom kon deze belofte niet in hem vervuld zijn.
3. Na hun dit bericht van den Heere Jezus gegeven te hebben, komt hij nu tot de toepassing er van.
A. Om de aandacht zijner hoorders op te wekken, zegt hij hun in het midden zijner rede, dat hun dit alles aangaat, dat het hun belangen raakt, vers 26. "Tot u is het woord dezer zaligheid gezonden, tot u het eerst. Indien gij door uw ongeloof het tot een woord van verwerping voor u maakt, dan hebt gij dit u zelven te wijten, maar het is u gezonden als een woord der zaligheid, zo het dit niet voor u is, dan is dit uwe eigene schuld." Laten zij niet, op gemelijke wijze redenerende, zeggen, dat het, wijl het tot de Heidenen was gezonden, die gene gemeenschap met hen hebben, dus niet tot hen was gezonden, want het was in de eerste plaats tot hen gezonden. "Tot u, mannen broeders, is dit gezonden, en niet tot de engelen, die gezondigd hebben. Tot u, levende mensen, en niet tot de gemeente der doden en verdoemden, wier dag van genade voorbij is." Daarom spreekt hij met tederheid en eerbied tot hen: gij, mannen, broeders. En zo behoren wij te zien op allen, die met ons op den weg zijn om tot de grote zaligheid te komen, daar ook hun het woord der zaligheid gezonden is. Zij, aan wie hij met de volmacht des hemels het woord der zaligheid brengt, zijn:
a. De geboren Joden, Hebreeërs uit de Hebreeën, zoals Paulus zelf er een was, kinderen van het geslacht Abrahams, hoewel een ontaard geslacht, is u toch dit woord der zaligheid gezonden, ja, daarom is het u gezonden, om u zalig te maken van uwe zonden." Het is een voorrecht om van een goed geslacht te zijn, want hoewel de zaligheid niet altijd de kinderen van Godvruchtige ouders volgt, het woord der zaligheid doet dit wèl, Abraham zal zijnen kinderen en zijnen huize na hem bevelen.
b. De Jodengenoten, Heidenen van geboorte, die in zekere mate den Joodsen Godsdienst hadden aangenomen: "en wie onder u God vrezen. Gij, die een besef hebt van den natuurlijken Godsdienst, en u aan de wetten daarvan hebt onderworpen, en er de vertroosting van hebt, tot u is het woord dezer zaligheid gezonden. Gij behoeft de nadere ontdekkingen en leidingen van den geopenbaarden Godsdienst, gij zijt er voor bereid, en zult ze welkom heten, en daarom zult gij voorzeker welkom zijn, om er de voorrechten en weldaden van te ontvangen."
B. In het slot zijner rede, past hij hetgeen hij betreffende Christus had gezegd, toe op zijne hoorders. Hij had hun ene lange geschiedenis verhaald van dezen Jezus, nu zullen zij wellicht met de vraag komen: Wat gaat ons dit alles aan? En hij zegt hun duidelijk, dat het hun zeer bepaald aangaat. a. Het zal hun tot onuitsprekelijk voordeel wezen, zo zij Jezus Christus aannemen, en dit woord der zaligheid geloven. Het zal hun tot hulpe wezen in hetgeen, waarin hun grootste gevaar is gelegen, want het zal hen bevrijden van de schuld der zonde. "Zo zij u dan bekend, mannen broeders, wij zijn gemachtigd het u te verkondigen, en gij wordt geroepen om er op te letten." Hij is niet opgestaan om voor hen te prediken, maar om tot hen te prediken, dat is: zijne prediking tot hen te richten, en dat wel niet zonder hoop van ingang bij hen te vinden, want zij zijn mannen, mensen, redelijke schepselen, die in staat zijn om rede te horen en te verstaan, zij zijn broeders, tot wie gesproken wordt door mannen zoals zij zelven zijn, niet slechts van dezelfde natuur, maar van dezelfde natie. Het is goed en gepast, dat de predikers van het Evangelie hun hoorders broeders noemen, als gemeenzaam tot hen sprekende, en met ene liefdevolle belangstelling in hun welzijn, en als gelijkelijk met hen belang hebbende in het Evangelie, dat zij prediken. Laten allen, die het Evangelie van Christus horen, deze twee dingen weten: Ten eerste. Dat het ene acte van kwijtschelding is van den Koning der koningen aan de kinderen der mensen, die voor Zijn rechterstoel staan, beschuldigd van verraad tegen Zijne kroon en waardigheid, en het is om de bemiddeling van Christus tussen God en den mens, dat deze acte van vergiffenis is uitgevaardigd en bekend gemaakt, vers 38. "Het zij u bekend, dat door dezen, die gestorven en wederopgestaan is, vergeving der zonden verkondigd wordt. Ons is bevolen u in den naam van God te zeggen, dat uwe zonden, ofschoon zij menigvuldig en groot zijn, vergeven kunnen worden, en hoe het is geschied dat dit kan, zonder Gods eer te schaden, en hoe gij de vergeving uwer zonden kunt verkrijgen. Ons is opgedragen bekering te prediken tot vergeving der zonden, en de Goddelijke genade, die beide bekering en vergeving der zonden schenkt. De vergeving der zonden is door dezen, dezen Jezus, door Zijne verdienste is zij verkregen, in Zijn naam wordt zij aangeboden, en door Zijne macht wordt zij geschonken, en daarom is het voor u van het grootste belang om bekend met Hem te worden. Wij prediken u de vergeving van zonden, dat is de zaligheid, die wij u brengen, het woord Gods, en daarom behoort gij ons welkom te heten, en ons te beschouwen als uwe vrienden en de brengers van goede tijdingen." Ten tweede. Dat het voor ons doet wat de wet van Mozes niet kon doen. De Joden waren naijverig op de wet, en omdat zij zoenoffers en vredeoffers, en zeer vele reinigingen voorschreef, dachten zij, dat zij er door gerechtvaardigd konden worden voor God. "Neen", zegt Paulus, "het zij u bekend, dat het alleen door Christus is, dat zij, die in Hem geloven, en niemand anders, van alles gerechtvaardigd worden, van al de schuld en smet der zonde, waarvan gij niet kon gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes", vers 39. Daarom behoren zij het Evangelie te geloven en aan te nemen, en niet in weerstand hiervan de wet van Mozes aan te hangen, omdat het Evangelie de wet van Mozes niet te niet doet maar haar vervolmaakt. De grote zaak voor de zondaren is: gerechtvaardigd te worden, vrijgesproken te worden van schuld, en als rechtvaardig te worden aangenomen in Gods oog. Zij, die waarlijk gerechtvaardigd zijn, zijn vrijgesproken van alle schuld, want, zo er enigerlei schuld op den zondaar blijft rusten, is hij verloren. Het was onmogelijk, dat een zondaar door de wet van Mozes gerechtvaardigd kon worden, hij kon het niet door zijne zedelijke wet, want wij allen hebben haar overtreden, en overtreden haar nog dagelijks, zodat zij, in stede van ons te rechtvaardigen, ons veroordeelt. Niet door zijne verhelpende wet, want het was niet mogelijk, dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme, aan Gods beledigde gerechtigheid zou voldoen, en de gewonde consciëntie van den zondaar zou bevredigen. Dit was slechts ene rituele en typische inzetting, zie Hebreeën 9:9, 10:1.
4. Door Jezus Christus erlangen wij ene volkomene rechtvaardigmaking, want door Hem is ene volkomene verzoening aangebracht voor de zonde. Wij zijn gerechtvaardigd, niet alleen door Hem als onzen Rechter, maar door Hem als onze Gerechtigheid, de Heere, onze Gerechtigheid. Allen, die in Christus geloven, die op Hem steunen en betrouwen, en zich door Hem laten regeren en besturen, zijn door Hem gerechtvaardigd, en niemand anders dan zij. Wat de wet niet voor ons kon doen, dewijl zij door het vlees krachteloos was, dat doet het Evangelie van Christus, en daarom was het dwaasheid, om uit naijver voor de wet van Mozes en de ere dier inzetting, het Evangelie van Christus en de volmaaktere inzetting te wantrouwen.
b. Het zal hun tot grote schade en nadeel zijn indien zij het Evangelie van Christus verwerpen, en zich afwenden van de aanbieding, die hun nu gedaan wordt, vers 40, 41. "Ziet dan toe, er wordt u ene schone aanbieding gedaan, neemt u in acht, hoedt u er voor haar te veronachtzamen, of tegen te staan". Zij, aan wie het Evangelie wordt gepredikt, hebben zich wèl te onderzoeken ten opzichte van hun gedrag en houding tegenover dit Evangelie, er zich voor te hoeden om bevonden te worden de aangebodene genade te hebben afgewezen. "Ziet toe, dat gij niet alleen niet verstoken zult blijven van de zegeningen en voorrechten, waarvan gesproken wordt in de profeten als komende tot hen, die geloven, maar niet valt onder het oordeel, waarvan gesproken wordt in de profeten, als komende over hen, die volharden in ongeloof, dat over ulieden niet kome hetgeen gezegd is in de profeten". De bedreigingen zijn waarschuwingen: wat ons gezegd wordt, te zullen komen over onboetvaardige zondaren, is bedoeld om ons wakker te schudden, ons op te wekken om toe te zien, dat het niet over ons kome. De profetie, waarnaar verwezen wordt, hebben wij in Habakuk 1:5, waar de ondergang van het Joodse volk en de verwoesting van hun land door de Chaldeeën voorzegd is als ene ongelooflijke, ongeëvenaarde verwoesting, en het wordt hier toegepast op het verderf, dat over die natie komen zou door de Romeinen wegens hun verwerping van het Evangelie van Christus. De apostel volgt de overzetting der Septuaginta, die voor: "Ziet onder de Heidenen, de lezing geeft: Ziet, gij verachters, omdat dit de tekst meer geschikt maakt voor zijn doel.
Ten eerste. "Ziet toe, dat over u niet kome het oordeel, waarvan gesproken is in de profeten-de schuld van het Evangelie en de aanbiedingen er van te verachten, en de Heidenen te verachten, die er tot deelgenoten van gemaakt zijn. Ziet toe, opdat er tot u niet gezegd worde: "Ziet, gij verachters". Het is het verderf van velen, dat zij den Godsdienst verachten, er op neerzien, als op iets, dat beneden hen is, en waartoe zij niet geneigd zijn zich neer te buigen.
Ten tweede. "Ziet toe, dat over u het oordeel niet kome, waarvan gesproken wordt in de profeten, dat gij u zult verwonderen en verdwijnen, dat is: omkomen, -verwonderlijk omkomen, uw verderf zal verbazingwekkend zijn voor u zelven en voor allen, die u omringen." Zij, die zich niet willen verwonderen en behouden worden, zullen zich verwonderen en omkomen. Zij, die de voorrechten hebben genoten van de kerk, en zich gevleid hebben met den waan, dat die hen zullen behouden, zullen zich verwonderen, als zij dien ijdelen waan vernietigd zullen zien, en dat hun voorrechten hun oordeel slechts des te meer zullen verzwaren. Laten de ongelovige Joden verwachten, dat God in hun dagen een werk zal werken, hetwelk gij niet zult geloven, zo iemand het u verhaalt. Dit kan verstaan worden als ene voorzegging, hetzij:
1. Van hun zonde, dat zij ongelovig zullen zijn, dat, hoewel het grote werk van God, de verlossing der wereld door Christus, hun op de plechtigste wijze verhaald en verkondigd zou worden, zij het toch niet zullen geloven, Jesaja 53:1. Wie heeft onze prediking geloofd? Hoewel het door God gewerkt was, voor wie niets onmogelijk is, en door Hem verhaald werd, die niet liegen kan, zullen zij er toch geen geloof aan slaan. Zij, die de eer en het voorrecht hebben gehad, dat dit werk gewerkt werd in hun dagen, hebben de genade niet gehad om het te geloven. Of: 2. Van hun verderf, de ontbinding van den Joodsen regeringsvorm, het hun ontnemen van het koninkrijk Gods, en het geven er van aan de Heidenen, de verwoesting van hun heilig huis en hun heilige stad, en de verstrooiing van hun volk, was een werk, dat men niet geloofd zou hebben dat het ooit gedaan zou worden, in aanmerking genomen hoe zeer zij de gunstgenoten des hemels zijn. De rampen, die over hen gebracht werden, waren zodanig als nooit over enig ander volk gekomen zijn, Mattheus 24:21. Dit werd gezegd van het verderf, dat over hen gebracht werd door de Chaldeeën, en het was waar van het laatste verderf, dat over hen gekomen is. De koningen der aarde zouden het niet geloofd hebben, noch alle de inwoners der wereld, dat de tegenpartij en vijand tot de poorten van Jeruzalem zou ingaan, Klaagliederen 4:12. Aldus is er ene vreemde straf voor de werkers der ongerechtigheid, Job 31:3 1), inzonderheid voor de verachters van Christus.