19. En die de uitnemende grootheid van Zijn kracht aan ons is, die geloven (
Handelingen 20:32), a) naar de werking van de sterkte van Zijn macht (vgl.
Colossenzen 1:29.
Filippenzen 3:21).
a) Colossenzen 2:12.
Werkt de Geest van de wijsheid en van de openbaring in ons, zo worden ons gegeven verlichte ogen van onze verstands, of, volgens andere lezing, van onze harten.
De kennis staat werkelijk onder de invloed van de wil, maar de moederschoot van de wil is het hart (Mattheus 15:19).
Evenals de "Geest van de wijsheid en van de openbaring" in Vers 17 overeenkomt met het "verlichte ogen van uw hart" in Vers 18, zo stemt het "in Zijn kennis" overeen met het "opdat u mag weten" hier.
Het eerste voorwerp van deze kennis of dit inzicht nu is: "die de hoop is van Zijn roeping"; het tweede voorwerp het voorwerp van deze hoop "die de rijkdom is van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heilige"; het derde voorwerp, "de uitnemende grootheid van Zijn kracht aan ons, die geloven. "
Nadat Paulus in Vers 15 voor het geloof en de liefde, die in de gemeente werden gevonden, gedankt had, voegt hij er de wens bij, dat de lezers zich steeds meer bewust mochten worden van de hoop, waartoe hun roeping hun recht gaf, want eerst in de hoop worden geloof en liefde volkomen (Romeinen 5:5; 8:24. De gelovige moet nu eerst weten, hoe groot zijn hoop en hoe groot haar voorwerp is en dat is voor hem de hoofdzaak; maar het geloof heeft, opdat de hoop geen schade lijdt, ook nog behoefte aan een door de Heilige Geest geschonken inzicht in de kracht van die God, die tot hoop roept en de heerlijke erfenis belooft.
De Christen erkent niet alleen zijn ellende, maar ook zijn zaligheid, hoe rijk en heerlijk zijn erfenis is, die door God voor de heilige bestemd is; en uit de grootheid van zijn zaligheid erkent hij de grootheid van de goddelijke genade. Dit alles kan echter slechts een verlicht oog erkennen en waarderen, omdat het niet de verblindende glans van de aardse dingen heeft.
Als de mens de diepte van zijn val, de menigte en de listen van zijn vijanden, de machtige hinderpalen van zijn zaligheid bedenkt, dan is voor hem zeker een blik in de grootheid van de goddelijke kracht, die aan zijn roeping en bewaring tot zaligheid wordt besteed, zeer gewenst.